Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201508962/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 17 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4006) heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling, voor zover hier van belang, het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond verklaard en het besluit van het college van 17 februari 2015, waarbij twee aan [appellant B] verleende standplaatsvergunningen zijn ingetrokken, vernietigd. Voorts heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling daarbij het onderzoek heropend ter voorbereiding van een uitspraak op een op 9 april 2015 door [appellant A] en [appellant B] gedaan verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508962/1/A2.

Datum uitspraak: 9 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op een verzoek van een belanghebbende om vergoeding van geleden schade (artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Den Haag,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 17 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4006) heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling, voor zover hier van belang, het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond verklaard en het besluit van het college van 17 februari 2015, waarbij twee aan [appellant B] verleende standplaatsvergunningen zijn ingetrokken, vernietigd. Voorts heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling daarbij het onderzoek heropend ter voorbereiding van een uitspraak op een op 9 april 2015 door [appellant A] en [appellant B] gedaan verzoek om schadevergoeding.

Desgevraagd hebben [appellant A] en [appellant B] op 19 februari 2016 het verzoek om schadevergoeding schriftelijk nader toegelicht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de behandeling ter zitting voortgezet op 3 oktober 2016, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J.E. Hamann, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door W. Dharmlal, werkzaam bij de gemeente Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1. [appellant A] was in het bezit van twee vergunningen voor standplaatsen op de markt aan de Herman Costerstraat te Den Haag. Bij besluiten van 31 juli 2014 heeft het college deze standplaatsvergunningen aan [appellant B] verleend. Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college het door een derde daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de standplaatsvergunningen ingetrokken. Bij uitspraak van 13 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Bij de uitspraak van 17 december 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling geoordeeld dat het bezwaar van de derde tegen de besluiten van 31 juli 2014 buiten de daarvoor geldende termijn is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het college heeft dat bezwaar daarom ten onrechte ontvankelijk geacht. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft de aangevallen uitspraak vernietigd, het beroep van [appellant A] en [appellant B] alsnog gegrond verklaard, het besluit van 17 februari 2015 vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit heeft tot gevolg dat de intrekking van de aan [appellant B] verleende standplaatsvergunningen ongedaan is gemaakt.

Het verzoek om schadevergoeding

3. Tussen partijen is niet in geschil dat met de vernietiging van het besluit van 17 februari 2015 de onrechtmatigheid van dat besluit is komen vast te staan, zodat het college aansprakelijk is voor de schade die [appellant A] en [appellant B] als direct gevolg van dat besluit hebben geleden.

4. [appellant A] heeft de Afdeling verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten van een accountant, ten bedrage van € 363,00.

[appellant B] heeft de Afdeling verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten van een advocaat, ten bedrage van € 2.515,18.

Het verweer van het college

5. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het niet kan worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding. Daartoe voert het aan dat de accountantskosten onvoldoende zijn gespecificeerd en de advocaatkosten reeds zijn vergoed op grond van de proceskostenveroordeling die in de uitspraak van 17 december 2015 ten laste van het college is uitgesproken.

De beoordeling van de verzoeken

Het verzoek van [appellant A]: accountantskosten

6. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college het standpunt dat de kosten van een accountant onvoldoende zijn gespecificeerd verlaten en verder erkend dat deze kosten zijn gemaakt als direct gevolg van het besluit van 17 februari 2015.

Gelet hierop komt het verzoek voor toewijzing in aanmerking.

Het verzoek van [appellant B]: advocaatkosten

7. [appellant B] stelt dat zij voor het voeren van de procedure tegen het besluit van 17 februari 2015 kosten voor een advocaat heeft gemaakt, omdat zij wegens haar inkomen geen recht had op een toevoeging voor kosteloze rechtsbijstand. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij een aan haar gerichte declaratie van Delissen Martens Advocaten en Belastingadviseurs van 8 april 2015 overgelegd tot een bedrag van € 2.515,18.

7.1. Het college stelt terecht dat de voorzieningenrechter van de Afdeling hem reeds bij de uitspraak van 17 december 2015, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, heeft veroordeeld tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep, hoger beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.450,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Voor zover [appellant B] een hogere vergoeding wenst voor de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand, is van belang dat vergoeding van dergelijke kosten slechts met toepassing van artikel 8:75 van de Awb kan plaatsvinden. Voor vergoeding van deze kosten langs de weg van artikel 8:88 van de Awb is derhalve geen plaats. Voor zover [appellant B] betoogt dat ten onrechte niet het volledige bedrag aan kosten is vergoed, treft dit evenmin doel. Gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, zoals neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van artikel 8:88 van de Awb geen plaats (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2309).

7.2. Ten aanzien van het ter zitting gedane beroep op artikel 2, derde lid, van het Bpb, waarin is bepaald dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de forfaitaire bedragen, wordt als volgt overwogen.

Het Bpb is, blijkens zijn aanhef, een besluit houdende nadere regels betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures. Volgens artikel 1 van het Bpb gaat het daarbij om een kostenveroordeling voor de (hoger) beroeps-, bezwaar- en administratief beroepsprocedure als bedoeld in de artikelen 8:75, 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, van de Awb. [appellant B] had derhalve in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 17 december 2015 een beroep op artikel 2, derde lid, van Bpb kunnen en moeten doen, en niet voor het eerst in de onderhavige procedure, waarin de toepassing van artikel 8:88 van de Awb aan de orde is. Daar komt bij dat zich in dit geval niet de situatie voordoet als bedoeld in de door [appellant B] genoemde uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 28 april 2011 (ECLI:NL:RBALK:2011:BQ9447) waarin door de rechtbank was vastgesteld dat de belanghebbende was geconfronteerd met een stapeling van procedures, omdat het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van een inleidend besluit tegen beter weten in niet had erkend, en de belanghebbende de schadepost niet eerder en niet in de afzonderlijke procedures had kunnen aanvoeren.

Conclusie

8. Gelet op het vorenstaande, dient het verzoek van [appellant A] te worden toegewezen en het verzoek van [appellant B] te worden afgewezen.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant A] te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om aan [appellant A] te betalen een vergoeding van € 363,00 (zegge: driehonderddrieënzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 april 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

II. wijst het verzoek van [appellant B] af;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant A] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016

611.