Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2983

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201602080/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Grolloo, Dierenpension [naam]" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3369
JOM 2016/1151
OGR-Updates.nl 2016-0220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602080/1/R4.

Datum uitspraak: 9 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Grolloo, gemeente Aa en Hunze,

en

1. de raad van de gemeente Aa en Hunze,

2. het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Grolloo, Dierenpension [naam]" vastgesteld.

Bij besluit van 5 februari 2016 heeft het college aan [belanghebbende], handelende onder de naam dierenpension "[naam]" (hierna: het dierenpension), een omgevingsvergunning onder voorschriften verleend voor onder meer het bouwen van een dierenpension op het perceel [locatie 1] te Grolloo.

De besluiten van de raad en het college zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Het dierenpension heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J. Hengst en mr. L. Mathey, beiden advocaat te Joure, en de raad, vertegenwoordigd door drs. E.A.A. van Dam, werkzaam bij de gemeente en F.P. de Vries, werkzaam bij de Regionale Uitvoeringsdienst, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het dierenpension, vertegenwoordigd door mr. J. Zwiers en [belanghebbende], als partij gehoord.

Overwegingen

Achtergrond

1. Het dierenpension is gevestigd op het perceel [locatie 1] te Grolloo, hierna: het perceel. Het plan voorziet in verplaatsing en uitbreiding van het dierenpension op het perceel. Van de huidige bedrijfsbebouwing blijft de bestaande bedrijfswoning intact, de dierenverblijven worden gesloopt, waarvoor in de plaats op het oostelijke deel van het perceel een nieuw dierenverblijf wordt opgericht. [appellant] woont op het nabijgelegen perceel [locatie 2]. Hij ervaart geluidoverlast van het dierenpension en vreest dat hij door de in het plan voorziene ontwikkelingen nog meer geluidoverlast zal ervaren. Hij heeft daarom beroep ingesteld tegen het plan en de aan het dierenpension verleende omgevingsvergunning.

Het bestemmingsplan

Beoordelingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Behoefte

3. [appellant] voert aan dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) is vastgesteld. Volgens hem moet de in het plan voorziene ontwikkeling worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij naar de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 2 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2143. [appellant] stelt dat het vorige bestemmingsplan voor het perceel voorzag in een agrarische bestemming en wijst erop dat het plan dit wijzigt in een maatschappelijke bestemming. Gelet op de genoemde uitspraak betekent deze enkele bestemmingswijziging volgens hem dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, zelfs wanneer het plan nagenoeg geen nieuwe bouwmogelijkheden biedt. Hij wijst in dat kader erop dat het plan aan het dierenpension nieuwe bouwmogelijkheden biedt, nu het plan voorziet in een groter bouwvlak voor het dierenverblijf dan het vorige plan, en dat het plan de aanleg van parkeervoorzieningen bij recht mogelijk maakt.

[appellant] voert verder aan dat geen behoefte bestaat aan de voorziene uitbreiding van het dierenpension.

3.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

[…].

3.2. Op de verbeelding is aan het perceel grotendeels de bestemming "Maatschappelijk - Dierenpension" toegekend. Aan het westelijke deel van de gronden met deze bestemming is de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend en een bouwvlak. Aan het oostelijke deel zijn de aanduidingen "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" en "geluidscherm" en eveneens een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk - Dierenpension" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een dierenpension, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension";

b. een bedrijfswoning ten behoeve van het onder a bedoelde dierenpension, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning";

met daarbij behorende:

c. paden;

d. perceelsontsluitingen;

e. parkeervoorzieningen;

f. groenvoorzieningen en water;

g. tuinen en erven.

Ingevolge lid 4.2.1 gelden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" de volgende bouwregels;

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b. de totale gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 950 m²;

(…).

3.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Rolde op 16 december 1997, is aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "dierenpension" toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften waren de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" ter plaatse van de aanduiding "dierenpension" bestemd voor een dierenpension.

Ingevolge het derde lid, onder d, mocht ten behoeve van een dierenpension de oppervlakte van de gebouwen met maximaal 10% worden vergroot.

Ingevolge het achtste lid, onder a, onder 1, was het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van het college van burgemeester en wethouders wegen, voet-, fiets- en ruiterpaden en dagrecreatieve voorzieningen, zoals picknickplaatsen, parkeervoorzieningen en de inrichting van visoevers aan te leggen.

3.4. In paragraaf 2.1 van de plantoelichting is vermeld dat de uitbreiding van het dierenpension, gezien de aard en omvang ervan, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Volgens de plantoelichting neemt het ruimtebeslag niet toe en is er geen functieverandering. De uitbreiding wordt volgens de plantoelichting gerealiseerd op gronden die al bij het dierenpension in gebruik zijn en ook in het vorige bestemmingsplan waren bestemd voor een dierenpension. Verder is in de plantoelichting vermeld dat het ruimtebeslag afneemt doordat aan een deel van het perceel in het plan de bestemming "Groen - Landschappelijke inpassing" is toegekend. Het dierenpension is alleen nog toegestaan op het oostelijk deel van het perceel, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension". De oppervlakte aan gronden die bestemd is voor een dierenpension neemt daardoor in vergelijking met het vorige plan af van ruim 10.000 m² naar ongeveer 5.000 m². Daarnaast is de uitbreiding van de oppervlakte aan bebouwing beperkt ten opzichte van de oppervlakte die het vorige bestemmingsplan toestaat. De uitbreiding betreft ongeveer 400 m². Daar komt bij dat bedrijfsgebouwen voor het dierenpension met het plan alleen nog zijn toegestaan binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension", terwijl het vorige bestemmingsplan bedrijfsgebouwen over het gehele perceel toestond, aldus de plantoelichting.

3.5. Naar het oordeel van de Afdeling is een dierenpension aan te merken als een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Gelet hierop ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst. Bij de beantwoording van deze vraag komt onder meer aan de orde welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan.

Het plan staat ten opzichte van het vorige plan op de gronden van het perceel een toename van 400 m² aan bebouwing toe ten behoeve van het dierenpension. Verder staat het plan bij recht toe dat op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" binnen het perceel parkeervoorzieningen worden aangelegd.

De Afdeling ziet evenwel geen grond voor het oordeel dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De toename van de toegestane oppervlakte aan bebouwing met 400 m² is in dit geval niet zodanig dat gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2155, overweegt de Afdeling voorts dat het ook onder het vorige plan reeds mogelijk was om na verlening van een aanlegvergunning op het perceel parkeervoorzieningen aan te leggen.

Voor zover [appellant] betoogt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2014 volgt dat ook een ontwikkeling waarbij geen of nagenoeg geen nieuwe bouwmogelijkheden zijn voorzien kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat de bestemming ter plaatse wijzigt, overweegt de Afdeling dat in die uitspraak de situatie aan de orde was dat een voormalige graanakker, waaraan de bestemming "Agrarisch" was toegekend, werd gewijzigd in een bedrijfsmatig longstay parkeerterrein, waarvoor in het bestemmingsplan een verharding van de gronden met een oppervlakte van ongeveer 20.700 m² was voorzien. Er was derhalve een functiewijziging van de gronden. Naar het oordeel van de Afdeling verschilt die situatie van de in deze zaak aan de orde zijnde situatie, onder meer omdat in de aan de orde zijnde situatie in het vorige plan de betrokken gronden eveneens waren bestemd ten behoeve van het gebruik van een dierenpension en er in zoverre geen functiewijziging is.

Gelet op het voorgaande is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in dit geval niet van toepassing.

Het voorgaande neemt niet weg dat de behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling in het kader van de vraag of het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient te zijn onderbouwd.

3.6. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat de uitbreiding en verplaatsing van het dierenpension gepaard gaat met een complete vernieuwing van de bedrijfsbebouwing van het dierenpension. Hieraan bestaat volgens hem behoefte vanuit een oogpunt van dierenwelzijn. Verder leidt dit volgens de raad tot een doelmatiger bedrijfsvoering en tot een verbetering van de ruimtelijke structuur. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de uitbreiding van het dierenpension. Het betoog faalt.

Provinciale regelgeving en bedrijvigheid in het buitengebied

4. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met artikel 3.25, derde lid, van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (hierna: de omgevingsverordening) en de daarop gebaseerde Regeling vestiging solitair bedrijf in buitengebied (hierna: de Regeling). Volgens [appellant] wordt met de uitbreiding van het dierenpension voorzien in een significante uitbreiding van het bestaande dierenpension en voldoet deze uitbreiding niet aan de in de Regeling gestelde voorwaarden hiervoor. In verband hiermee stelt [appellant] onder andere dat er geen gebrek is aan juridische mogelijkheden om de ter plaatse ontstane ruimtelijke situatie te beëindigen, waarbij hij verwijst naar een handhavingsprocedure over mogelijke illegale bebouwing op het perceel.

4.1. De raad verwijst naar de plantoelichting en stelt dat daarin is beschreven waarom het plan in overeenstemming is met de genoemde provinciale regelgeving.

4.2. Ingevolge artikel 3.25, derde lid, van de omgevingsverordening kan het college van gedeputeerde staten regels stellen met betrekking tot de mogelijkheid dat een ruimtelijk plan voorziet in vestiging of significante uitbreiding van een solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf. Deze regels hebben geen betrekking op bedrijven binnen de sector recreatie en toerisme en overige functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling kan een ruimtelijk plan alleen voorzien in een vestiging of een significante uitbreiding van een bestaand solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf indien:

a. de desbetreffende bedrijvigheid op basis van een goede ruimtelijke ordening niet op een bedrijventerrein gevestigd kan worden of

b. er sprake is van een gegroeide ontwikkeling waarbij er geen juridische mogelijkheden zijn om een eind te maken aan de ontstane ruimtelijke situatie of

c. over de vestiging of uitbreiding van de bedrijvigheid in het verleden bestuurlijke uitspraken zijn gedaan of intenties zijn vastgelegd of

d. de vestiging of uitbreiding aansluitend is aan de grens van de kaart Bestaand Stedelijk Gebied en het ruimtelijk plan gepaard gaat met een landschappelijke inpassing die gericht is op een plus op de landschapskenmerken of ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

4.3. Vaststaat dat het dierenpension sinds 1981 op het perceel is gevestigd en dat het gebruik van het perceel ten behoeve van het dierenpension in het vorige plan als zodanig is bestemd. Verder is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van een dierenpension op deze locatie niet langer strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitbreiding van het dierenpension in overeenstemming is met artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling, omdat vanwege bestaande rechten er geen juridische mogelijkheden zijn om een eind te maken aan de ontstane ruimtelijke situatie. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat deze juridische mogelijkheden er wel zijn, heeft [appellant] in dat kader gewezen op een handhavingsprocedure over de plaatsing van een blokhut op het perceel. De omstandigheid dat mogelijk een blokhut illegaal op het perceel is opgericht, laat onverlet dat het dierenpension aldaar legaal is gevestigd. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd met artikel 3.25, derde lid, van de omgevingsverordening en de daarop gebaseerde Regeling is vastgesteld. Het betoog faalt.

Gemeentelijke structuurvisie

5. [appellant] voert aan dat het plan in strijd is met paragraaf 7.6 van het ontwerp van de Structuurvisie Buitengebied Aa en Hunze van de gemeente (hierna: de structuurvisie).

5.1. De Afdeling overweegt dat de structuurvisie, waar [appellant] naar verwijst, ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was vastgesteld, maar in een ontwerpfase verkeerde. De raad hoefde daarom niet te bezien of het plan hiermee in strijd is. Het betoog faalt.

Geluid

6. [appellant] voert aan dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Volgens hem zal de uitbreiding van het dierenpension leiden tot ernstige geluidoverlast ter plaatse van zijn woning. In dat kader stelt [appellant] dat het aan het plan ten grondslag gelegde akoestisch rapport "Geluidbelasting in de omgeving van dierenpension [locatie 1] Grolloo" van 22 april 2015 (hierna: het geluidrapport) niet deugdelijk is.

Hij voert in dat kader aan dat in het geluidrapport bij de berekening van de geluidbelasting is uitgegaan van gedateerde regelgeving, waardoor de uitkomsten van dit onderzoek volgens hem onbruikbaar zijn.

Verder stelt hij dat in het geluidrapport slechts is uitgegaan van een maximum aantal honden, terwijl ook katten in het dierenpension kunnen worden ondergebracht en in het plan geen maximum aan het aantal te houden katten is vastgelegd.

Tevens betoogt [appellant] dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van hondengeblaf 46 dB(A) bedraagt. Dit betekent volgens hem dat de richtwaarde uit de Handreiking "Bedrijven en Milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-handreiking) met 1 dB(A) wordt overschreden, zodat ook om die reden sprake is van onaanvaardbare geluidoverlast. Hij wijst daarbij erop dat de in het geluidrapport genoemde maatregelen ter beperking van het hondengeblaf niet in het plan zijn vastgelegd en dat het opnemen van deze maatregelen in het plan ten behoeve van een aanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van zijn woning noodzakelijk is.

[appellant] voert verder aan dat de uitbreiding van het dierenpension leidt tot een toename van het verkeer van en naar het dierenpension. Hij stelt dat deze toename leidt tot ernstigere geluidoverlast afkomstig van de kruising Hogeveldweg en Rolderstraat en dat hiermee in het geluidrapport geen rekening is gehouden. Verder is volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden met het vrachtverkeer dat het dierenpension bezoekt voor bevoorrading alsmede de afvoer van mest en andere afvalstoffen. Ook heeft de raad de cumulatie van geluid afkomstig van het verkeer van en naar het dierenpension met het geluid van blaffende honden ten onrechte niet in ogenschouw genomen.

6.1. De raad stelt dat het geluidrapport zorgvuldig en op juiste wijze tot stand is gekomen. Volgens de raad leidt het plan niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant].

6.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.3.2, van de planregels is het gebruik van gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" voor een dierenpension als bedoeld in lid 4.1, onder a, uitsluitend toegestaan als binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm" zodanige geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden dat:

a. het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van het dierenpension niet meer bedraagt dan is aangegeven in voorschrift 3.2 op het ‘vergunningblad exploiteren inrichting’ van de omgevingsvergunning met kenmerk 119160;

b. het maximale geluidniveau ten gevolge van het dierenpension niet meer bedraagt dan is aangegeven in voorschrift 3.3 op het ‘vergunningblad exploiteren inrichting’ van de omgevingsvergunning met kenmerk 119160;

c. ter plaatse van de aanduiding ‘geluidscherm’, ondoorzichtige geluidschermen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.

Ingevolge lid 4.3.5, aanhef en onder a, mogen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" maximaal 87 honden worden gehuisvest.

Ingevolge lid 4.3.6, aanhef en onder c, moet onder strijdig gebruik met de bestemming "Maatschappelijk - Dierenpension" in elk geval worden begrepen het los laten lopen van honden op gronden buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension".

6.3. De raad heeft uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening onderzoek naar de geluidbelasting afkomstig van het dierenpension laten verrichten. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het geluidrapport.

In het geluidrapport is vermeld dat de geluidbelasting vanwege het dierenpension voornamelijk wordt bepaald door het blaffen van honden in de buitenkennels, het blaffen van honden op de uitlaatweide en de voertuigbewegingen van en naar de inrichting. Voor de berekening van de geluidbelasting vanwege het dierenpension is in het geluidrapport methode II van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai (hierna: de Handleiding) gehanteerd. Tevens is vermeld dat de gemeente Aa en Hunze geen gebiedsgericht geluidbeleid heeft en dat daarom de richtwaarden uit hoofdstuk 4 van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" uit 1998 (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt zijn genomen. Verder is voor de geluidbelasting op de woninggevels ten gevolge van het verkeer van en naar het dierenpension op de openbare weg de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van de toenmalige minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996, kenmerk MBG 96006131, (hierna: de schrikkelcirculaire) gehanteerd.

Het geluidrapport gaat voor de meting van de geluidbelasting uit van drie waarneempunten, waaronder de woning van [appellant] aan de [locatie 2]. Daarbij is de geluidbelasting op deze waarneempunten beoordeeld op een hoogte van 1,5 m overdag (begane grond niveau) en 4,5 m in de avond/nacht (verdiepingshoogte). Bij de berekening is verder rekening gehouden met geografische gegevens en de representatieve bedrijfssituatie van het dierenpension. In het geluidrapport is vervolgens vermeld dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 45 dB(A) ter plaatse van de woning van [appellant] bedraagt. Daarbij is rekening gehouden met een impulstoeslag van 5 dB, omdat het geblaf van honden met piekgeluiden tot 53 dB(A) op rustige momenten zonder voertuigpassages op de Rolderstraat herkenbaar is. Geconcludeerd is dat de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit de VNG-handreiking niet wordt overschreden, maar dat de richtwaarde voor de dagperiode voor een woonomgeving in een landelijk gebied uit de Handreiking met 5 dB(A) wordt overschreden. Verder is gerapporteerd dat de geluidbelasting als gevolg van het nieuwe dierenpension ongeveer 5 dB(A) lager ligt dan bij het bestaande pension met een maximale bezetting. Omdat het nieuwe dierenpension op een grotere afstand van omliggende woningen is gelegen en diverse maatregelen worden getroffen, neemt de geluidbelasting af en is er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen, aldus het geluidrapport.

Ten aanzien van de maximale geluidniveaus is in het geluidrapport vermeld dat het piekgeluid door een personenauto bij de woning van [appellant] 43 dB(A) is en deze waarde ruimschoots onder de grenswaarden uit de Handreiking ligt. Het piekgeluid door hondengeblaf uit het dierenpension ligt volgens het geluidrapport op 53 dB(A) en daarmee ruim onder de grenswaarde uit de Handreiking. Ten aanzien van het geluid afkomstig van het verkeer op de openbare weg (indirecte hinder) is geconcludeerd dat geen woningen zijn gesitueerd binnen de 50 dB(A)-contour, zodat de voorkeursgrenswaarde op grond van de schrikkelcirculaire bij woningen ruimschoots wordt onderschreden.

6.4. Voor zover [appellant] stelt dat in het geluidrapport ten onrechte is uitgegaan van de Handreiking, de Handleiding en de VNG-handreiking, overweegt de Afdeling dat deze documenten hun gelding niet hebben verloren. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat in het geluidrapport niet van de Handreiking, de Handleiding en de VNG-handreiking kon worden uitgegaan.

6.4.1. Ten aanzien van het standpunt van [appellant] dat in het geluidrapport ten onrechte geen aandacht is geschonken aan het geluid afkomstig van katten, mede gelet op de omstandigheid dat aan het houden van katten in het plan geen maximum is verbonden, heeft de raad ter zitting de verwachting uitgesproken dat dit geluid niet zal bijdragen aan de geluidbelasting ter plaatse van de omliggende woningen, gezien het lage bronniveau van het geluid afkomstig van katten en de omstandigheid dat rond het dierenverblijf, waarbinnen de katten zullen worden gehouden, een geluidscherm zal worden opgericht. Verder beperken de regels voor dierenwelzijn volgens de raad de hoeveelheid katten die binnen de beschikbare ruimte die het dierenverblijf heeft kunnen worden gehouden.

De Afdeling acht dit standpunt van de raad aannemelijk. Het betoog faalt in zoverre.

6.4.2. Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat het in het geluidrapport berekende geluid van blaffende honden de richtwaarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit de VNG-handreiking met 1 dB(A) overschrijdt en hiermee sprake is van onaanvaardbare geluidoverlast ter plaatse van zijn woning, stelt de Afdeling vast dat het geluidrapport uitgaat van een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45 dB(A) in plaats van de door [appellant] gestelde waarde van 46 dB(A) en dat derhalve geen overschrijding plaatsvindt van de genoemde richtwaarde. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan vanwege het geluid van blaffende honden niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant]. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het nieuwe dierenverblijf op een grotere afstand ligt van de woning van [appellant] dan het huidige dierenverblijf en dat het plan bovendien ingevolge artikel 4, lid 4.3.2, van de planregels verplicht om geluidwerende voorzieningen te treffen alvorens het nieuwe dierenverblijf in gebruik mag worden genomen. Bovendien mogen de honden ingevolge lid 4.3.6 van de planregels niet los lopen op gronden buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension". Voor zover [appellant] betoogt dat de in het geluidrapport genoemde maatregelen om het geblaf van honden te beperken niet in het plan zijn vastgelegd, heeft de raad ter zitting gesteld dat voor de berekening van het geluid van blaffende honden uitgegaan is van een worst-case-benadering van 5% blaftijd per hond en dat er ook zonder de genoemde maatregelen een aanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] is. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:2830, overweegt de Afdeling dat een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een hondenpension als representatief kan worden aangemerkt. Nu deze waarde voor de berekening van het geluid van blaffende honden in het geluidrapport is gehanteerd en [appellant] voor het overige geen redenen heeft aangevoerd waarom de conclusies in het geluidrapport over het geluid van blaffende honden onjuist zouden zijn, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het vastleggen van de genoemde maatregelen in het plan.

6.4.3. Ten aanzien van het standpunt van [appellant] inzake de toename van het verkeer en de daarmee gepaard gaande geluidoverlast overweegt de Afdeling het volgende. In het geluidrapport is voor de berekening van het geluid afkomstig van het verkeer van en naar het dierenpension uitgegaan van een worst-case-benadering waarbij 100% van het verkeer van en naar het dierenpension vanaf de Rolderstraat komt en gaat met een intensiteit van 100 personenautobewegingen per dag. Verder is uitgegaan van 2 personenautobewegingen in de avond- en nachtperiode, waarbij is uitgegaan van incidenten, zoals een calamiteit of een artsenbezoek.

Ter zitting heeft de raad aangegeven dat bij de berekening van het geluid afkomstig van het verkeer gebruik is gemaakt van gegevens die de exploitant van het dierenpension heeft aangeleverd. De juistheid van deze gegevens heeft [appellant] niet gemotiveerd betwist. Voor zover [appellant] stelt dat geen rekening is gehouden met het geluid van het verkeer afkomstig van de kruising Rolderstraat met de Hogeveldweg, mist dit standpunt feitelijke grondslag, nu het geluidrapport voor de berekening van het geluid afkomstig van het verkeer uitgaat van een worst-case-benadering dat al het verkeer voor het dierenpension vanaf de Rolderstraat komt en gaat en derhalve deze kruising passeert.

Wat betreft het standpunt van [appellant] dat geen rekening is gehouden met het vrachtverkeer voor het dierenpension, heeft de raad erop gewezen dat slechts incidenteel bevoorrading van het dierenpension plaatsvindt door vrachtverkeer, hooguit 4 keer per jaar. Dit aantal heeft [appellant] ter zitting niet bestreden. De raad stelt dat het geluid afkomstig van dat vrachtverkeer vanwege zijn incidentele karakter niet bij het akoestisch onderzoek hoefde te worden betrokken. De Afdeling acht dit niet onjuist.

Wat betreft het standpunt van [appellant] dat de raad ten onrechte de cumulatie van geluidbelasting afkomstig van het verkeer met het geluid van blaffende honden niet in ogenschouw heeft genomen, overweegt de Afdeling dat de cumulatieve geluidbelasting in het geluidrapport weliswaar niet is beschouwd, maar dat, gelet op de uitkomsten van de berekende geluidbelasting afkomstig van het verkeer en blaffende honden van onderscheidenlijk 43 dB(A) en 45 dB(A), de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de cumulatie van die geluidbronnen niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant].

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij de beoordeling van de geluidbelasting onvoldoende rekening is gehouden met de toename van het verkeer van en naar het dierenpension als gevolg van de voorziene uitbreiding.

6.5. Concluderend is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het geluidrapport zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet in redelijkheid op de uitkomsten daarvan heeft kunnen baseren. Onder genoemde omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan vanwege het aspect geluid niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant].

Het betoog faalt.

Planschade

7. [appellant] voert aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet inzichtelijk is gemaakt. In dat kader stelt hij dat de raad geen aandacht heeft besteed aan door het plan veroorzaakte planschade en de draagplicht voor die schade.

7.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

7.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat met de initiatiefnemer geen overeenkomst voor het verhalen van planschade is gesloten, zodat de gemeente eventuele planschade voor haar rekening zal moeten nemen. De enkele stelling dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is aangetoond, vanwege de mogelijke planschade en de draagplicht voor die schade, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat eventuele aanspraken op planschade zodanig hoog zullen zijn dat deze op voorhand aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. Het betoog faalt.

De omgevingsvergunning

8. [appellant] voert aan dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.5.6 van de Bouwverordening gemeente Aa en Hunze (hierna: de Bouwverordening) is verleend. Volgens hem overschrijdt het op te richten dierenverblijf de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning.

8.1. Het college stelt dat het plan het toetsingskader vormt voor het bepalen van de ligging van de rooilijnen en de Bouwverordening in dit geval niet van toepassing is. Volgens het college hebben de bepalingen over rooilijnen uit de Bouwverordening in dit geval hun werking verloren omdat het plan na 29 november 2014 is vastgesteld. Het college stelt verder dat de Woningwet, zoals deze gold voor 29 november 2014, een aanvullende werking van de Bouwverordening uitsloot wanneer in het bestemmingsplan zelf stedenbouwkundige bepalingen waren opgenomen.

8.2. Ingevolge artikel 133, derde lid, van de Woningwet, zoals dit aan de wet is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014, blijven op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een besluit over een dergelijke aanvraag, de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend, van toepassing.

8.3. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Woningwet, zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

8.4. Ingevolge artikel 2.5.6 van de Bouwverordening is het, onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7, verboden een bouwwerk voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.

8.5. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 2 september 2014, derhalve vóór 29 november 2014. Uit artikel 133, derde lid, van de Woningwet volgt dat artikel 9, tweede lid, van de Woningwet, zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, op deze aanvraag van toepassing is.

Het plan regelt de situering van het dierenverblijf, nu op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dierenpension" een bouwvlak is ingetekend en artikel 4.2.1, aanhef en onder a, van de planregels bepaalt dat ter plaatse van die aanduiding gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat, gelet op voornoemd artikel 9, tweede lid, van de Woningwet, artikel 2.5.6 van de Bouwverordening voor de situering van het op te richten dierenverblijf niet van toepassing is. Het betoog faalt.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Lap

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016

288-817.