Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2980

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201602723/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:1113, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2013 heeft het college een verzoek van onder meer [wederpartij B] en [wederpartij C] om handhavend op te treden tegen de schietbaan van de vereniging aan de Postelscheideweg te Luyksgestel afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602723/1/A1.

Datum uitspraak: 9 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de vereniging Jachtschietbaan De Grensschutters, gevestigd te Luyksgestel (hierna: de vereniging),

2. het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 maart 2016 in zaak nr. 14/825 in het geding tussen:

[wederpartij A],

[wederpartij B],

[wederpartij C]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2013 heeft het college een verzoek van onder meer [wederpartij B] en [wederpartij C] om handhavend op te treden tegen de schietbaan van de vereniging aan de Postelscheideweg te Luyksgestel afgewezen.

Bij besluit van 27 januari 2014 heeft het college besloten op het daartegen gemaakte bezwaar, en daarbij opnieuw besloten om niet handhavend op te treden.

Bij uitspraak van 11 maart 2016 heeft de rechtbank onder meer het door [wederpartij B] en [wederpartij C] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 27 januari 2014 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vereniging en het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij B] en [wederpartij C] hebben een verweerschrift ingediend. Het college en de vereniging hebben hierop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2016, waar de vereniging, vertegenwoordigd door M.J. Verhoeven en J. van den Bos, het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom en B. Follon, en [wederpartij B] en [wederpartij C] zijn gehoord.

Overwegingen

1. Voor de schietbaan is op 1 april 1968 krachtens de Hinderwet een vergunning verleend. Na inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht moet deze vergunning worden aangemerkt als een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting.

[wederpartij B] en [wederpartij C] bewonen elk permanent een recreatiewoning op een bungalowpark dat in de omgeving van de schietbaan ligt. Zij hebben verzocht om handhaving van de geluidnormen voor de schietbaan, om een eind te maken aan de geluidoverlast die zij ondervinden.

Het college heeft dit verzoek bij het primaire besluit van 7 augustus 2013 afgewezen omdat geen geluidvoorschriften van de Hinderwetvergunning zijn overtreden.

Bij het besluit op bezwaar van 27 januari 2014 heeft het college wederom geconcludeerd dat geen geluidvoorschriften zijn overtreden. In dat besluit heeft het college opgemerkt dat de inrichting is gewijzigd en daarom niet meer geheel in overeenstemming met de Hinderwetvergunning in werking was. Deze wijzigingen bestonden, zo blijkt uit het hogerberoepschrift van het college, uit enkele verbouwingen van de kantine bij de schietbaan. Wat deze afwijking van de Hinderwetvergunning betreft was er volgens het college echter concreet zicht op legalisatie omdat een nieuwe omgevingsvergunning was aangevraagd. Het college heeft opnieuw besloten om niet handhavend op te treden.

2. [wederpartij B] en [wederpartij C] hebben in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat, gezien het door de schietbaan veroorzaakte geluid en de omgeving van de schietbaan, legalisatie door verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning niet op korte termijn mogelijk zal zijn.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bij het nemen van het besluit op bezwaar ten onrechte heeft aangenomen dat concreet zicht bestond op legalisatie, omdat het bij de aanvraag van de omgevingsvergunning behorende geluidrapport destijds nog niet beschikbaar was. Daarom kon het college destijds niet concluderen dat er geen beletsel was voor verlening van de omgevingsvergunning. Om deze reden heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd.

3. De vereniging en het college betogen in de kern dat de rechtbank heeft miskend dat wat geluid betreft geen sprake was van een overtreding. Deze betogen slagen.

De discussie over de mogelijkheid om de niet in overeenstemming met de Hinderwetvergunning uitgevoerde verbouwing van de kantine te legaliseren met het verlenen van een omgevingsvergunning, is voor dit geding niet relevant. [wederpartij B] en [wederpartij C] hebben immers verzocht om handhavend op te treden tegen de door het schieten veroorzaakte geluidhinder en overtreding van geluidnormen. De (verbouwing van de) kantine heeft geen invloed op geluid veroorzaakt door het schieten. Overigens is, zoals het college bij zijn besluit op bezwaar heeft aangenomen, legalisatie van de verbouwing mogelijk gebleken. Bij besluit van 13 maart 2015 is de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

Het college heeft bij zijn primaire besluit en zijn besluit op bezwaar terecht geconcludeerd dat het door het schieten veroorzaakte geluid, bij het ontbreken van voorschriften in de Hinderwetvergunning geen overtreding van geluidnormen meebrengt. Nu er wat het geluid betreft geen overtreding was, was het college niet bevoegd om zoals [wederpartij B] en [wederpartij C] hebben verzocht, met bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen op te treden. Het college heeft gelet hierop terecht het verzoek van [wederpartij B] en [wederpartij C] afgewezen en die afwijzing bij het besluit op bezwaar terecht gehandhaafd.

4. Reeds gelet hierop zijn de hoger beroepen gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij is beslist op het door [wederpartij B] en [wederpartij C] ingestelde beroep. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dit beroep alsnog ongegrond verklaren. De overige in hoger beroep aangevoerde gronden behoeven gelet hierop geen bespreking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 maart 2016 in zaak nr. 14/825 voor zover daarbij is beslist op het door [wederpartij B] en [wederpartij C] ingestelde beroep;

III. verklaart het door [wederpartij B] en [wederpartij C] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan de vereniging Jachtschietbaan De Grensschutters het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Slump w.g. Van der Zijpp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016

262.