Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201508686/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:7548, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2013 definitief berekend en vastgesteld op € 13.067,00 en een bedrag van € 1.215,00 aan te veel uitbetaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508686/1/A2.

Datum uitspraak: 9 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2015 in zaak nr. 15/2709 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2013 definitief berekend en vastgesteld op € 13.067,00 en een bedrag van € 1.215,00 aan te veel uitbetaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 14 april 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013 voor haar twee kinderen gebruik gemaakt van kinderopvang bij een kindercentrum. In verband daarmee heeft de Belastingdienst/Toeslagen over deze periode aan haar voorschotten verstrekt, tot een bedrag van € 14.727,00.

Bij het besluit van 19 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over deze periode definitief berekend.

Bij het besluit op bezwaar heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 19 september 2014 gehandhaafd. Daarin heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat de dienst naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] de bewijsstukken, die zij heeft ingestuurd en die de dienst op 2 april 2014 heeft ontvangen, nogmaals heeft beoordeeld. Daaruit is gebleken dat de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over 2013 is gebaseerd op die bewijsstukken en dat deze op correcte gronden is vastgesteld, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

2. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft daarnaast aanleiding gezien om de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de proceskosten van [appellante].

3. Het hoger beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het besluit van 14 april 2015 door de rechtbank.

[appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het procesbelang ontbreekt. Nu zij het nog altijd niet eens is met het besluit van 19 december 2014 en het besluit op bezwaar, heeft zij belang bij een inhoudelijke beoordeling van die besluiten, aldus [appellante].

3.1. Bij het besluit op bezwaar is het besluit van 19 september 2014, waarbij een bedrag van € 1.215,00 aan teveel uitbetaalde voorschotten over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013 is teruggevorderd, gehandhaafd. Uit het beroepschrift blijkt dat het [appellante] niet duidelijk is waarom zij dit bedrag moet terugbetalen en dat zij zich daarom op het standpunt heeft gesteld dat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Gelet hierop moet het beroep van [appellante] worden geacht te zijn gericht tegen de terugvordering en had [appellante] belang bij een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van de bij het besluit op bezwaar gehandhaafde terugvordering. Dat [appellante] ter zitting bij de rechtbank heeft erkend dat er geen opvang heeft plaatsgevonden in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 en dat niet langer in geschil is dat zij over die periode geen recht heeft op een toeslag, maakt niet dat het procesbelang is komen te vervallen. [appellante] kon immers nog steeds het door haar beoogde resultaat met de procedure, te weten dat zij niet het bedrag van € 1.215,00 aan teveel uitbetaalde voorschotten over de periode van 1 januari tot en met 30 september 2013 hoeft terug te betalen, bereiken. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 14 april 2015 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. Hierna zal de Afdeling de beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan ten onrechte niet is toegekomen.

6. [appellante] heeft naar voren gebracht dat het besluit op bezwaar in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, tot stand is gekomen. Reeds hierom dient het besluit op bezwaar te worden vernietigd, aldus [appellante].

6.1. De Belastingdienst/Toeslagen heeft voorafgaand aan het besluit van 19 september 2014 aan [appellante] verzocht om vóór 30 september 2014 bewijsstukken bij de dienst in te dienen. Bij dit besluit heeft de dienst de kinderopvangtoeslag over 2013 definitief berekend, maar de gegeven indieningstermijn niet afgewacht. Voorafgaand aan het besluit op bezwaar heeft de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw verzocht om bewijsstukken. De dienst heeft het besluit op bezwaar genomen, opnieuw voordat de gegeven indieningstermijn was verstreken. Uit dit besluit blijkt bovendien slechts dat de Belastingdienst/Toeslagen rekening heeft gehouden met stukken die bij de dienst op 2 april 2014 zijn ingekomen, terwijl [appellante] ook op 25 september 2014 stukken heeft ingediend. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in het besluit op bezwaar niet nader toegelicht waarom geen rekening is gehouden met de stukken die [appellante] op 25 september 2014 heeft ingediend. Daarnaast heeft de dienst niet nader toegelicht waarom de door [appellante] ingediende stukken geen aanleiding geven voor een correctie van de definitieve berekening. Evenmin is de Belastingdienst/Toeslagen ingegaan op de bezwaren van [appellante]. Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden en is het besluit op bezwaar onvoldoende gemotiveerd.

6.2. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij dit oordeel betrekt de Afdeling allereerst dat de Belastingdienst/Toeslagen alsnog in het verweerschrift in beroep bij de rechtbank een toelichting heeft gegeven op de berekening en de hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag en alsnog inhoudelijk is ingegaan op de bezwaren van [appellante] en dat zij de mogelijkheid heeft gehad om hierop te reageren. De dienst heeft in het verweerschrift bovendien alsnog toegelicht dat de stukken die op 25 september 2014 bij de dienst zijn ingekomen geen nieuwe stukken zijn, nu [appellante] niet de jaaropgave heeft overgelegd waar om was verzocht. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daarnaast in het verweerschrift alsnog toegelicht dat [appellante] in een gesprek op 9 april 2014 te kennen heeft gegeven dat de dienst reeds beschikte over alle benodigde stukken om een besluit op bewaar te nemen.

Bij dit oordeel betrekt de Afdeling daarnaast dat [appellante] ter zitting bij de Afdeling nogmaals heeft bevestigd dat er geen kinderopvang heeft plaatsgevonden in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 en heeft erkend dat zij geen recht heeft op een toeslag over die periode. Gelet hierop is de kinderopvangtoeslag over 2013 terecht berekend over de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013. [appellante] heeft voorts geen gronden aangevoerd tegen de berekening en de hoogte van de kinderopvangtoeslag over die periode en niet is gebleken dat de berekening onjuist is. Gelet hierop is bij besluit van 19 september 2014 de kinderopvangtoeslag over 2013 terecht berekend en vastgesteld op een bedrag van € 13.067,00. Voor zover [appellante] betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte van haar het bedrag van € 1.215,00 aan teveel uitbetaalde voorschotten heeft teruggevorderd in plaats van van het kindercentrum, overweegt de Afdeling dat de toeslag aan haar als aanvrager en begunstigde is toegekend en uitbetaald. Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen de te veel betaalde voorschotten terecht van haar teruggevorderd. In artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is dwingend bepaald dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien. [appellante] heeft daarnaast haar ter zitting ingenomen stelling, dat door frauduleus handelen door het kindercentrum over de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 voorschotten zijn uitbetaald en dat deze aan het kindercentrum zijn uitbetaald, niet onderbouwd.

7. Gelet op het voorgaande zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit van 14 april 2015 alsnog ongegrond verklaren.

8. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2015 in zaak nr. 15/2709, voor zover de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Michiels w.g. Nales

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016

680.