Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2959

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201601396/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het verlengen van de erfafscheiding op het perceel [locatie 1] te Lexmond afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601396/1/A1.

Datum uitspraak: 9 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Lexmond, gemeente Zederik,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 januari 2016 in zaak nr. 15/3207 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zederik.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het verlengen van de erfafscheiding op het perceel [locatie 1] te Lexmond (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 2 april 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 1 juli 2014 herroepen en [persoon] onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,00 ineens gelast om op de (verlengde) erfafscheiding een duurzame bovenregel aan te brengen of de (verlengde) erfafscheiding te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij uitspraak van 15 januari 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2016, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Steenhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het perceel is in eigendom van [persoon]. [appellante] woont op het perceel [locatie 2], dat grenst aan het perceel. [appellante] heeft verzocht om handhavend op te treden tegen de verlengde erfafscheiding op het perceel, onder meer omdat deze haar uitzicht en woongenot aantast. [appellante] meent dat de verlengde erfafscheiding niet vergunningvrij is en verwijderd moet worden.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet mag het uiterlijk van een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo geen omgevingsvergunning is vereist, niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor, is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 1 m, of

b. niet hoger dan 2 m, en

1º. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2º. achter de voorgevelrooilijn, en

3º. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1 wordt onder voorgevelrooilijn verstaan: voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening.

In artikel 1 onder 13 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" is de voorgevellijn gedefinieerd als de als zodanig (al dan niet) op de kaart ingetekende lijn waarmee de uiterste bouwgrens van het - ten tijde van de ter-inzage-legging van het ontwerp van dit plan - bestaande hoofdgebouw is aangegeven.

Beoordeling van het hoger beroep

3. De Afdeling stelt voorop dat in deze uitspraak de door [appellante] aangevoerde privaatrechtelijke kwesties, zoals het betreden van haar perceel door [persoon], niet aan de orde kunnen komen. In deze hoger beroepsprocedure is de rechtmatigheid van het handhavings-besluit met betrekking tot de verlenging van de erfafscheiding op het perceel aan de orde en wordt slechts beoordeeld of de rechtbank het beroep van [appellante] terecht ongegrond heeft verklaard.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college had moeten optreden tegen het dempen van een watergang, de langs de erfafscheiding aangebrachte beplanting, het afgraven van grond op haar perceel en het handelen in strijd met de bestemming "Primair waterkering" uit het bestemmingsplan "Buitengebied".

4.1. In haar handhavingsverzoek van 22 april 2014 heeft [appellante] onder punt 6 het college verzocht handhavend op te treden tegen de verlengde erfafscheiding op het perceel. Hoewel zij in haar handhavingsverzoek voorts onder meer het dempen van de watergang en de aangebrachte beplanting noemt, hoefde het college uit de formulering niet op te maken dat [appellante] ook op die punten om handhaving verzocht. Het afgraven van grond op haar perceel en het handelen in strijd met de bestemming "Primair waterkering" uit het bestemmingsplan "Buitengebied" worden in het handhavingsverzoek niet genoemd. Het college kon en hoefde deze punten dan ook niet te betrekken bij de besluitvorming.

Het betoog faalt.

5. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte is voorbij gegaan aan het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 24 juli 2002 betreffende het recht van weg van haar achterburen, [achterbuur] en andere, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft over dit vonnis terecht overwogen dat dit betrekking heeft op een civielrechtelijke procedure tussen [appellante] en [achterbuur]. Dit vonnis geldt niet voor [persoon] en is reeds daarom niet van belang voor dit geschil.

Het betoog faalt.

6. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2014 gegrond is verklaard en aan [persoon] een last onder dwangsom is opgelegd, mist eveneens feitelijke grondslag. Het bezwaar van [appellante] tegen voormeld besluit is bij besluit van 2 april 2015 gegrond verklaard. Bij dat besluit is aan [persoon] een last onder dwangsom opgelegd, waarbij hij is gelast op de erfafscheiding een duurzame bovenregel aan te brengen of de (verlengde) erfafscheiding te verwijderen en verwijderd te houden.

Het betoog faalt.

7. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de verlenging van het hekwerk niet omgevingsvergunningvrij is op grond van artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor, onder meer omdat het is gebouwd voor de voorgevelrooilijn. Zij wijst erop dat de erfafscheiding is gerealiseerd voor haar woning en die van [persoon]. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat de erfafscheiding vanaf haar woning gezien vijf meter hoog in plaats van de vereiste twee meter is.

7.1. Het college heeft zich in het besluit van 2 april 2015 op het standpunt gesteld dat de verlengde erfafscheiding omgevingsvergunningvrij is op grond van artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor.

7.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verlengen van de erfafscheiding omgevingsvergunningvrij is. De Afdeling acht hierbij van belang dat uit de overgelegde foto’s en in vergelijking met de eerder geplaatste erfafscheiding blijkt dat de verlengde erfafscheiding niet hoger is dan 2 m. De erfafscheiding bevindt zich op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee zij in functionele relatie staat en is gesitueerd op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied. Verder voldoet de erfafscheiding aan het vereiste onder 2º van voormelde bepaling, nu de erfafscheiding achter de voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan "Buitengebied" is gebouwd. Dat de verlengde erfafscheiding zich deels bevindt vóór de huidige woning van [persoon] en de woning van [appellante] en derhalve vóór de voorgevelrooilijn, zoals deze is gedefinieerd in het thans geldende bestemmingsplan "Buitengebied Zederik", maakt niet dat daarvoor alsnog een omgevingsvergunning is vereist. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3440, is voor het antwoord op de vraag of voor de bouw van een bouwwerk een omgevingsvergunning is vereist, het recht zoals dat geldt op het moment waarop het bouwwerk wordt gebouwd bepalend. Dat is in dit geval het bestemmingsplan "Buitengebied".

Uit het voorgaande volgt dat voor de bouw van de verlengde erfafscheiding geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo vereist. Dat de woning van [appellante] aan een dijk ligt en de erfafscheiding daardoor vanaf de woning gezien trapsgewijs omhoog loopt, leidt niet tot een ander oordeel, nu op grond van artikel 2, aanhef en twaalfde lid, van bijlage II van het Bor de hoogte van de erfafscheiding zelf bepalend is.

Het betoog faalt.

8. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet handhavend heeft opgetreden tegen de erfafscheiding, voor zover die erfafscheiding is voorzien van een ondoorzichtig doek, en voor zover daartegen aan haar zijde van de erfafscheiding beplanting is aangebracht.

8.1. In het advies van de Stichting Dorp, Stad & Land van 5 november 2014 (hierna: het welstandsadvies) is vermeld dat de erfafscheiding een verhoudingsgewijs open hekwerk betreft, maar dat het voorgestelde spijlenhekwerk in gegalvaniseerd/aluminium grijze kleur desalniettemin sterk afwijkt van wat in de omgeving gebruikelijk is en de erfafscheiding daarmee onevenredig afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit. Door de getrapte opbouw wordt het bovengenoemde bezwaar ongewenst versterkt. Tenzij de erfafscheiding wordt voorzien van een doorgaande bovenregel, wordt bekleed met een drager voor natuurlijk groen en wordt voorzien van een natuurlijke begroeiing, is de erfafscheiding strijdig met redelijke eisen van welstand en wordt deze gezien als een exces, aldus het welstandsadvies.

8.2. Het college heeft zich in het besluit van 2 april 2015 op het standpunt gesteld dat de drager voor natuurlijk groen inmiddels is aangebracht door een doorzichtig doek en ook hedera is geplant, vergelijkbaar met de al geplaatste erfafscheiding. Omdat de bovenregel nog niet is aangebracht, is er volgens het college sprake van een welstandsexces, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Woningwet. Het college heeft daarin aanleiding gezien handhavend op te treden.

8.3. Nu [persoon] overeenkomstig het welstandsadvies op zijn perceel een drager voor natuurlijk groen heeft aangebracht, klimop tegen de erfafscheiding heeft geplant en niet aannemelijk is dat hij deze beplanting zal verwijderen, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de last ten onrechte heeft beperkt tot het aanbrengen van een bovenregel. Dat het doek niet doorzichtig is, zoals [appellante] stelt, doet daar niet aan af, nu het welstandsadvies geen eisen stelt aan de drager voor het groen.

Het betoog faalt.

9. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de door [persoon] aangebrachte draad bovenop de hekken het welstandsexces niet heeft weggenomen, kan niet leiden tot het ermee beoogde doel. De wijze waarop [persoon] uitvoering heeft gegeven aan de last speelt geen rol bij de vraag of het college de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd. In deze procedure is alleen die laatste vraag aan de orde.

Conclusie

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

w.g. Sevenster w.g. De Jong

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016

628-828.