Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2950

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201601131/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Groot Luchen" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/19 met annotatie van F.A.G. Groothuijse
Milieurecht Totaal 2017/6574
JOM 2016/1152
JBO 2016/331 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JGROND 2018/107 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2017/107 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
OGR-Updates.nl 2016-0221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601131/1/R2.

Datum uitspraak: 9 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellante sub 2C], respectievelijk wonend te [woonplaats], Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo, en Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo (hierna: [appellant sub 2] en anderen),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Geldrop-Mierlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Groot Luchen" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2016, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. I.L. van Geel, advocaat te Helmond, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door ir. M.T.J. van Gennip, en de raad, vertegenwoordigd door mr. G.J.J. van Houtert en ing. R.A.D. Elemans, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door P. van Geffen, zijn verschenen.

Overwegingen

Planbeschrijving en aanleiding

1. Voor het woningbouwproject Luchen is in 2006 het bestemmingsplan "Luchen", met daarin een uit te werken woonbestemming, vastgesteld en goedgekeurd. Uitwerking heeft deels plaatsgevonden met twee uitwerkingsplannen. Voor een deel van het plangebied is in 2014 een apart bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" vastgesteld. Met de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2560, is dat bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Het grootste gedeelte van het plangebied van het bestemmingsplan "Luchen" heeft daarmee een definitieve planologische regeling gekregen. In het thans voorliggende plan wordt de rest van het gebied, gelegen rondom het plangebied voor het Weteringpark, uitgewerkt. Aan het oorspronkelijke plangebied worden verder twee kleinere gebieden ten westen en zuidwesten van het moederplan (deelgebied 1 en 2 van Fase I) toegevoegd en ten oosten wordt het gebied tussen de Burgemeester Termeerstraat en de Oudvensestraat toegevoegd (Fase III). Dit gebied had een agrarische bestemming. Het plan voorziet in 825 woningen, waarvan reeds 200 zijn gerealiseerd. [appellant sub 1] bezit gronden die grotendeels in het plangebied "Luchen Weteringpark" zijn gelegen. De gronden van [appellant sub 2] en anderen zijn volledig in het plangebied "Luchen Weteringpark" gelegen. De bezwaren van [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] zien op de begrenzing van het plangebied en de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken en de uitwerkingsregels.

Het bestemmingsplan

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de beroepsgronden over de zorgvuldige voorbereiding van het plan, de gevreesde wateroverlast, de actualisatie van de onderzoeken en strijd met artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: de Bro), voor zover aangedragen door [appellant sub 2] en anderen, en de beroepsgrond van [appellant sub 1] die ziet op de gevreesde wateroverlast niet reeds in zienswijzen zijn aangevoerd, zodat de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk zijn.

3.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben bij brieven van 12 onderscheidenlijk 13 oktober 2015 hun zienswijzen ingediend. Daarbij hebben zij kenbaar gemaakt bezwaar te hebben tegen het gehele besluit en alle daarin opgenomen bestemmingen, aanduidingen en onderdelen.

3.2. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. De raad kan dan ook niet worden gevolgd in het standpunt dat de beroepen in zoverre niet-ontvankelijk zijn.

Procedurele bezwaren

4. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de raad ondanks de bekende weerstand tegen het plan geen inspraakavond heeft georganiseerd.

4.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het Bro neergelegde bestemmingsplanprocedure. Het niet, onvoldoende of op onjuiste wijze bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

5. [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat de beantwoording van de zienswijzen en de nota van wijzigingen niet terug te vinden zijn op www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.1. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Voor zover [appellant sub 2] en anderen ter zitting erop hebben gewezen dat enkele andere stukken, waaronder een voorbereidingsbesluit en de strategische visie, waarin de visie achter de opsplitsing van het plangebied Luchen is neergelegd en die ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerpbestemmingsplan, ten onrechte niet meer terug zijn te vinden op www.ruimtelijkeplannen.nl, geldt eveneens dat deze omstandigheid van het bestreden besluit de rechtmatigheid van dat besluit niet aan kan tasten. Het betoog faalt.

Waterberging

6. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] dat in voormelde uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2015 is overwogen dat volgens de raad de in het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" voorziene waterberging slechts bedoeld is voor de woningen in dat plangebied en geen bovenwijkse voorziening is. De woningen buiten dat plangebied zouden een eigen waterberging krijgen. Volgens [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] is hier echter geen sprake van, omdat door de lagere ligging van het park feitelijk sprake zal zijn van een gezamenlijke waterberging. Dat water in het plangebied rondom het park zal worden geborgen is volgens hen onzeker, omdat niet duidelijk is waar een separate waterberging zal worden gerealiseerd. Volgens [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] dient dan ook in dit plan rekening te worden gehouden met de gevolgen daarvan voor de waterberging in het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" en de te verwachten wateroverlast in het lager gelegen gebied Luchen Weteringpark door de bouwmogelijkheden uit het onderhavige plan. Dit is volgens [appellant sub 1] onvoldoende onderzocht.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het Weteringpark grotendeels binnen het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" en gedeeltelijk binnen het onderhavige plan valt. Een deel van de waterberging van het onderhavige plangebied wordt gerealiseerd in dit park, voor zover dit in het plangebied is gelegen. Daarnaast worden op andere plekken in het plangebied waterbergingen gerealiseerd, zoals in het gebied tussen de Burgemeester Termeerstraat en Oudven.

6.2. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor het lager gelegen Weteringpark en dat het plan zal leiden tot wateroverlast in dat park, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit paragraaf 4.6 van de plantoelichting bij het bestemmingsplan "Luchen 2006" blijkt dat ten behoeve van dat plan onderzoek is verricht naar de gevolgen van de daarin voorziene ontwikkelingen. Dit onderzoek is geactualiseerd met het rapport "Waterhuishoudingsplan; Plan Luchen, te Mierlo" van bureau Grontmij van 5 juli 2013. Ten aanzien van de in het onderhavige plan voorziene uitbreidingen ten opzichte van het bestemmingsplan "Luchen 2006" is een indicatief infiltratieonderzoek uitgevoerd en is een waterparagraaf opgesteld voor de drie toegevoegde deellocaties. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Infiltratie onderzoek en waterparagraaf Luchen fase I en III te Mierlo" van bureau Aeres Milieu van 24 augustus 2015 (hierna: het rapport).

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het rapport een conceptversie is en geen definitieve versie is vastgesteld, overweegt de Afdeling dat de raad bij brief van 6 september 2016 heeft bevestigd dat het rapport van 24 augustus 2015 het definitieve vastgestelde rapport is en dat dit rapport ten opzichte van het ontwerp niet is gewijzigd.

In het rapport is een inschatting gemaakt van het toekomstig verhard oppervlak en de daarbij benodigde waterberging. Naar aanleiding hiervan is in het rapport en de plantoelichting vermeld dat de toename aan verhard oppervlak ter plaatse dient te worden gecompenseerd door de aanleg van infiltratie- en bergingsvoorzieningen. Uitgangspunt is dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal dient te zijn. De raad heeft ter zitting toegelicht dat elk deel van het plangebied een eigen waterberging krijgt en dat de bestemmingen daarin voorzien. De waterberging in het zuidelijke deel van Fase I is al gerealiseerd. Hier zijn rond de Luchense Wetering uiterwaarden aangelegd met een stuw. De stuw heeft een kleine afvoer naar de Luchense Wetering waarmee beperkt water op de Luchense Wetering kan worden geloosd. In deelgebied 1 van Fase I zal ook een waterberging met een stuw worden aangelegd die op vergelijkbare wijze water zal lozen op de Luchense Wetering. Ten aanzien van Fase III heeft de raad ter zitting toegelicht dat in dit gebied een waterpartij zal worden aangelegd. De exacte locatie hiervan is nog niet bekend omdat de bestemming nog niet uitgewerkt is. Voorts heeft de raad toegelicht dat de plannen rond de waterberging met het waterschap zijn afgestemd. De opmerkingen die het waterschap in de zienswijze heeft gemaakt zijn door de raad meegenomen in het plan.

Gelet op het voorgaande heeft de raad voldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan en zich rekenschap gegeven van die gevolgen voor de waterhuishouding als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro. Daarbij heeft de raad ook het Weteringpark betrokken.

Uit voornoemde onderzoeken volgt dat het plan hydrologisch neutraal ontwikkeld dient te worden. Daarbij heeft de raad rekening gehouden met de te verwachten verharding en de hoeveelheid te verwerken water. Hiervoor heeft de raad in het plan voor elk deelgebied in een waterberging voorzien. De gronden met een (uit te werken) woonbestemming zijn onder meer bestemd voor waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging. In de planregels behorend bij de bestemming "Wonen - Uit te werken" is opgenomen dat bij het opstellen van het uitwerkingsplan de voor de uit te werken woongebieden benodigde waterberging verzekerd dient te zijn. Ingevolge de planregels behorend bij de bestemmingen "Wonen - 2" en "Wonen - 3" is het gebruik overeenkomstig de bestemming alleen toegestaan indien voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

Gelet hierop is de benodigde waterberging in de planregels voldoende verzekerd. Dat de exacte locatie van de waterbergingen per deelgebied nog niet bekend is doet aan deze verzekering niet af. Deze locaties zijn volgens de plantoelichting en het rapport afhankelijk van de verkaveling.

[appellant sub 2] en anderen hebben ter zitting het bezwaar opgeworpen dat in de planregels bij de woonbestemmingen is volstaan met de voorwaardelijke verplichting dat pas bij ingebruikname van de gronden in waterberging hoeft te worden voorzien. Dat betekent evenwel niet dat een eventuele aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht moet worden verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1969, dient een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen te worden getoetst aan de bouwregels en de bestemming. De bestemming kan, zoals hier het geval is, nader worden ingevuld door de specifieke gebruiksregels, door daarin een concrete uitleg te geven van het gebruik dat met die bestemming in overeenstemming is. De in de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het gebruik van de gronden dient dan ook te worden betrokken bij de toets of het aangevraagde in overeenstemming is met de bestemming. Een voorgenomen ontwikkeling die met deze specifieke gebruiksregel in strijd is, dient dan ook te worden aangemerkt als een ontwikkeling die in strijd is met de bestemming. Een omgevingsvergunning voor het bouwen dient dan om die reden te worden geweigerd dan wel te worden verleend onder een beperkend voorschrift. Gelet hierop hebben [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat met de voorwaardelijke verplichting zoals deze in de planregeling is neergelegd onvoldoende is gewaarborgd dat ter plaatse geen woningen zullen worden gebouwd alvorens is voldaan aan de voorwaarde dat het gebruik overeenkomstig de bestemming alleen is toegestaan indien voldoende waterberging wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

De betogen falen.

Onderzoeken

7. [appellant sub 1] betoogt voorts dat onvoldoende onderzoek aan het plan ten grondslag is gelegd. Zo is geen actueel onderzoek gedaan naar de behoefte aan de geplande woningen. Voorts blijkt uit het samenvattend overzicht bodemonderzoeken dat geen bodemonderzoeken zijn verricht in alle gronden van het plangebied. Dat sprake is van een grotendeels conserverend plan, kan hieraan volgens [appellant sub 1] niet afdoen omdat bij ieder nieuw plan een afzonderlijke afweging dient te worden gemaakt of met de ontwikkelingen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

[appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat bij het plan cruciale onderzoeksrapporten ontbreken, onderzoeken onvolledig zijn, enkele onderzoeken zowel op het plan als op het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" betrekking hebben, een deel van de onderzoeken geen betrekking hebben op het plan en sommige onderzoeken zodanig gedateerd zijn dat van de uitkomsten ervan niet langer kan worden uitgegaan. [appellant sub 2] en anderen wijzen hierbij met name naar bijlage 2: QRA hogedruk aardgasleidingen in Geldrop-Mierlo van 28 oktober 2013, dat op het gebied Luchen Weteringpark zou zien en bijlage 4: Samenvattend overzicht bodemonderzoek, dat verouderde bodemonderzoeken zou bevatten.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan alle relevante planologische aspecten voldoende aandacht is geschonken door het doen van nieuwe onderzoeken en het actualiseren van bestaande onderzoeken. Ten aanzien van de behoefte aan de woningen is in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro onderzoek gedaan. Ten aanzien van de bodemonderzoeken voert de raad aan dat met betrekking tot de niet veranderende functies geen nieuwe onderzoeken noodzakelijk zijn. Ten aanzien van de rechtstreeks bestemde bouwmogelijkheden is bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Voor de gronden met indirecte bouwmogelijkheden via een uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid is voor het grootste deel bodemonderzoek uitgevoerd. Daarnaast is in de planregels bepaald dat ten tijde van de wijziging of uitwerking voldoende vast dient te staan dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. De haalbaarheid is daarmee volgens de raad aangetoond en slechts heel beperkt is nader onderzoek nodig.

7.2. Uit de plantoelichting en de daarbij gevoegde bijlagen blijkt dat de raad bij de vaststelling van het plan onderzoek heeft laten verrichten naar verschillende onderwerpen. In bijlage 1: Analyse Ladder duurzame verstedelijking van 1 juli 2015, is ingegaan op de actuele behoefte aan de in het plan mogelijk gemaakte woningen en de invulling van het plangebied. Het betoog van [appellant sub 1] mist op dit punt feitelijke grondslag.

Ten aanzien van bijlage 4: Samenvattend overzicht bodemonderzoeken (hierna: het overzicht) overweegt de Afdeling dat voor een groot deel van de gronden in het plangebied de bestemming niet wijzigt ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Uit het overzicht blijkt verder dat voor de gronden in de deelgebieden 1 en 2 van Fase I verkennende bodemonderzoeken zijn verricht. Voor de gronden in Fase III is bodemonderzoek verricht. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd dat de aan de (uit te werken) woonbestemmingen ten grondslag liggende onderzoeken gedateerd zijn en van de resultaten niet langer uit zou mogen worden gegaan, heeft de raad gesteld dat niet is gebleken dat sinds de onderzoeken zijn verricht, ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die ertoe zouden kunnen leiden dat de bodemgesteldheid zou zijn verslechterd. Deze stelling is door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen niet bestreden. Gelet hierop heeft de raad in zoverre geen aanleiding hoeven te zien om ten behoeve van het plan nieuwe bodemonderzoeken te laten verrichten. Ten aanzien van een klein deel van de gronden is nog geen bodemonderzoek gedaan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat op deze gronden geen woningen maar een ontsluitingsweg is voorzien. Gelet op het beoogde gebruik van de weg is een bodemonderzoek voor het vaststellen van de uitvoerbaarheid van dit plandeel niet noodzakelijk. Dat standpunt is niet onredelijk.

[appellant sub 2] en anderen hebben niet nader toegelicht welke andere cruciale onderzoeksrapporten ontbreken of gedateerd zouden zijn. Dat enkele onderzoeken zowel op het onderhavige plan als op het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" zien is niet onbegrijpelijk aangezien het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" wordt omsloten door dit plan en het gebied Luchen Weteringpark beperkt van omvang is, zodat onderzoeken een ruimere reikwijdte kunnen hebben dan slechts het plangebied "Luchen Weteringpark". Voor zover [appellant sub 2] en anderen erop wijzen dat bijlage 2 "QRA hogedruk aardgasleidingen in Geldrop-Mierlo" van 28 oktober 2013 ziet op het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" in plaats van op dit plan, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 4.2 van de plantoelichting is vermeld dat in het gebied Weteringpark, grotendeels buiten het plangebied, een hogedruk aardgasleiding ligt. Deze ligt volgens de plantoelichting voor een klein deel in het plangebied. Hoewel de QRA in eerste instantie is opgesteld voor het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" bevat het derhalve ook informatie die relevant is voor dit plan. Gelet hierop bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad dit rapport niet aan dit plan ten grondslag had mogen leggen.

De betogen falen.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro

8. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Volgens [appellant sub 1] heeft de raad in het kader van de optimale ruimtelijke inpassing niet slechts kunnen verwijzen naar het advies van BRO, maar had hij een eigen afweging dienen te maken. Daarbij komt volgens [appellant sub 1] dat het advies van BRO niet voldoet aan de eisen van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, omdat niet is ingegaan op verhuizingen van huishoudens binnen de gemeente Geldrop-Mierlo en de actuele regionale behoefte niet is beoordeeld binnen de marktregio Stedelijk gebied Eindhoven. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat ten onrechte geen inventarisatie is gemaakt van de mogelijke uitbreidingsruimte binnen bestaand stedelijk gebied en niet wordt gemotiveerd waarom bepaalde locaties binnen de gemeente die nog niet bebouwd zijn of voor herstructurering in aanmerking komen, niet gebruikt kunnen worden voor de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Tot slot betoogt [appellant sub 1] dat niet duidelijk is hoe het plangebied wordt ontsloten.

[appellant sub 2] en anderen betogen in dit kader dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er minder woningen mogen worden gerealiseerd in het bestaande stedelijke gebied "Luchen Weteringpark" zoals in het moederplan uit 2006 was voorzien, terwijl een woonbestemming wordt gelegd op oorspronkelijk buiten het plangebied van het bestemmingsplan "Luchen 2006" gelegen agrarische gronden. Volgens [appellant sub 2] en anderen worden hiermee niet zoveel mogelijk gronden binnen bestaand stedelijk gebied benut, zoals in artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro, wordt vereist.

8.1. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

8.1.1. Aan het plan ligt het advies "Ladder voor duurzame verstedelijking woningbouwplan Luchen" van bureau BRO van 1 juli 2015 (hierna: het advies) ten grondslag.

Ter zitting hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen verklaard niet langer te bestrijden dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan de in het plan mogelijk gemaakte woningen.

8.1.2. Ten aanzien van de vraag in hoeverre aan deze behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio is in het advies vermeld dat het grootste deel van de woningbouwontwikkeling van Luchen plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied. Op twee percelen na is Luchen deelgebied 1 geheel gelegen binnen reeds bestaande (uit te werken) woonbestemmingen. Voor twee aangrenzende locaties, te weten twee percelen aan de rand van deelgebied 1 en de gehele Fase III, geldt, dat deze in het bestemmingsplan "Buitengebied" een agrarische bestemming hebben. Hier is volgens het advies derhalve geen sprake van bestaand stedelijk gebied. In totaal betreft het voor deze locaties de realisatie van ongeveer 218 woningen, inclusief groen, water en infrastructuur. Volgens het advies zijn er binnen de gemeente geen mogelijkheden om deze woningen binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. De potentiële ontwikkellocaties in de gemeente, zoals benoemd in de gemeentelijke structuurvisie en de Nota Kostenverhaal, zijn te klein van omvang om deze woningbouwopgave te realiseren. Bovendien zijn met name de centrum- en bedrijfslocaties die beschikbaar kunnen komen vooral geschikt voor de realisatie van woningen in hogere dichtheid of gestapelde woningen, terwijl in Luchen juist ingezet wordt op de ontwikkeling van het dorpse karakter met grondgebonden woningen. Daarbij zijn de inbreidingslocaties met name gelegen in Geldrop terwijl ontwikkeling van woningbouwplan Luchen, vanwege de aanwezige woonmilieus juist in Mierlo is voorzien. Bovendien maakt de ontwikkeling van Luchen, buiten het bestaande stedelijke gebied, onlosmakelijk deel uit van de ontwikkeling binnen het bestaande stedelijke gebied. Voor een kwalitatieve afronding van het hele woongebied, is het van groot belang dat ook Luchen deelgebied 3 wordt ontwikkeld. De hoofdontsluiting van het woningbouwgebied is hier gelegen en Luchen deelgebied 3 zorgt verder voor de inbedding van het groene middengebied "Luchen Weteringpark". Ook vanuit dit perspectief is de woningbouw ter plaatse wenselijk en zijn de potentiële inbreidingslocaties in Mierlo en Geldrop niet geschikt. Verder zijn ook in de regiogemeenten, waarbij vooral Nuenen en omgeving zou kunnen voorzien in de realisatie van het dorpse woonmilieu, geen geschikte inbreidingslocaties beschikbaar. Dit komt met name door de eigen opgave van de betreffende gemeenten en de omvang van de inbreidingslocaties. Bovendien wordt door invulling van de woningen buiten de gemeente Geldrop-Mierlo niet voldaan aan de lokale vraag én wordt niet bijgedragen aan de kwalitatieve afronding van het woningbouwplan Luchen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat ook indien alle inbreidingslocaties in Mierlo zouden worden benut, nog steeds niet wordt voldaan aan de behoefte aan nieuwe woningen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad gemotiveerd in hoeverre binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de actuele regionale behoefte kan worden voorzien. Dat de raad in de plantoelichting geen inventarisatie heeft gemaakt van de mogelijke uitbreidingsruimte en niet per locatie heeft gemotiveerd waarom deze niet geschikt zou zijn, doet er niet aan af dat de bedoelde locaties tezamen onvoldoende ruimte bieden voor de regionale woningbouwopgave.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom er in het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark", dat als bestaand stedelijk gebied moet worden aangemerkt, slechts een gering aantal woningen wordt gerealiseerd, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals ook is weergegeven in voormelde uitspraak van 12 augustus 2015 en in de zienswijzennota, is de keuze van de raad om in het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" slechts een beperkt aantal woningen toe te laten, gebaseerd op de wens om een extensief bebouwd en voornamelijk groen gebied tot stand te brengen, het "groene hart". Het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" en het daarin voorziene aantal woningen is door voormelde uitspraak van 12 augustus 2015 onherroepelijk geworden.

8.1.3. Ten aanzien van de vereiste passende ontsluiting van het plangebied is in het advies vermeld dat de hoofdontsluiting door Fase III zal lopen. Een aanduiding hiervoor is in de verbeelding opgenomen. De kleinere woonvelden worden hierop aangesloten. De ligging van het woningbouwplan is tegen de bestaande kern van Mierlo aan. Dit betekent dat het plan zowel goed bereikbaar is met de auto als met de fiets. Openbaar vervoersverbindingen (bus) zijn aan de rand van het plangebied aan de Geldropseweg gelegen. De bereikbaarheid van het gebied met het openbaar vervoer is volgens het advies niet beter of slechter dan elders in de gemeente. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in een passende ontsluiting als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bro. Dat, zoals door [appellant sub 2] en anderen ter zitting is aangevoerd, thans sprake is van verkeersoverlast en gevaarlijke situaties op de aanwezige ontsluitingsweg, is volgens de raad een omstandigheid die samenhangt met de bouw. Deze tijdelijke situatie kan niet tot het oordeel leiden dat het plangebied niet passend zal kunnen worden ontsloten.

8.1.4. Gelet op het voorgaande kunnen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen niet worden gevolgd in hun betoog dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De betogen falen.

Plangrensbezwaar

9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de bestemmingsplannen "Groot Luchen" en "Luchen Weteringpark" een planologische eenheid vormen en dat de raad om die reden niet twee afzonderlijke bestemmingsplannen had mogen vaststellen voor dit gebied. Hiertoe voeren zij aan dat beide plannen zijn ontstaan uit hetzelfde bestemmingsplan "Luchen 2006", dat het plangebied van het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" wordt omsloten door het plangebied van het bestemmingsplan "Groot Luchen", dat beide plangebieden dezelfde bestemmingen hebben, via dezelfde ontsluitingsweg worden ontsloten en volgens hen wordt voorzien in een gezamenlijke waterberging voor beide gebieden. De bestemmingsplannen "Groot Luchen" en "Luchen Weteringpark" zijn dan ook dermate met elkaar verweven, dat de plannen in één plan hadden moeten worden opgenomen, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen.

9.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet leidt tot aanpassingen aan het plangebied en het planologische regime van het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark" en dat de plannen op elkaar zijn afgestemd. Er bestaat volgens de raad wat betreft ligging, ontsluiting en waterberging geen zodanige ruimtelijke samenhang tussen de gronden van de twee plangebieden dat de raad deze in één plan had moeten bestemmen. Dat standpunt is niet onredelijk, nu deze onderdelen in de verschillende onderzoeken in samenhang zijn bezien en, voor zover noodzakelijk, in het plan zijn gewaarborgd.

Het betoog faalt.

Uitwerkingsregels

10. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de uit te werken woonbestemming niet aan het vereiste voldoet dat voldoende inzicht wordt verkregen in de toekomstige ontwikkeling van het desbetreffende gebied. Dat een stedenbouwkundig plan als voorwaarde in de uitwerkingsregels is opgenomen is volgens [appellant sub 1] niet voldoende. Voorts wordt volgens [appellant sub 1] ten onrechte het uitwerkingsplan afhankelijk gemaakt van nog nader te verrichten onderzoeken. Dit is volgens hem in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3.6 van de Wro.

10.1. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Woongebied - Uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen eventueel met aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit;

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van woongebied - wonen-werken", wonen al dan niet gecombineerd met bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de categorieën 1 en 2;

c. tuinen en erven;

d. wegen, straten, paden met dien verstande dat een hoofdontsluitingsweg uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting";

e. parkeervoorzieningen;

f. groenvoorzieningen;

g. speelvoorzieningen;

h. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen;

i. nutsvoorzieningen.

Ingevolge lid 15.2 werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming uit overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van de volgende regels:

a. de uitwerking van de bestemming "Woongebied - Uit te werken" dient te worden opgesteld op basis van de stedenbouwkundige randvoorwaarden zoals neergelegd in het door de gemeenteraad vast te stellen beeldkwaliteitsplan waarbij in ieder geval rekening gehouden moet worden met de volgende stedenbouwkundige hoofdprincipes:

1. enkele zichtlijnen c.q. openheid naar achterliggend landschap vanaf Burg. Termeerstraat en/of nieuwe ontsluiting ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting', ten behoeve van gebied ten noorden van Burg. Termeerstraat;

2. clustering bebouwing en groenvoorzieningen volgens principe van "groene kamers". Deze kamers dienen vormgegeven te worden als boerenerven of buurtschap, waarbij een clustering rondom een hoofdzakelijk groene erfinrichting kenmerkend is;

3. groen als verbindend element;

b. voor de vaststelling van het uitwerkingsplan dient inzicht te bestaan in de gewenste verkaveling en het functionele programma, waaronder woningbouw, groen, water, e.d.;

c. het maximaal aantal woningen binnen het plangebied Groot Luchen, bestemmingen "Wonen - 1", "Wonen - 2", "Wonen - 3" en "Woongebied - Uit te werken" mag niet meer bedragen dan 825, met dien verstande dat het maximaal aantal woningen binnen de bestemming "Woongebied - Uit te werken" niet meer mag bedragen dan 250 woningen;

d. voor de vaststelling van het uitwerkingsplan dient een inventarisatie naar het in het uitwerkingsgebied aanwezige groen en de aanwezige bomen plaats te vinden en dient vast te staan hoe daarmee in het uitwerkingsplan rekening wordt gehouden;

e. voor de vaststelling van het uitwerkingsplan dient vast te staan dat in het uitwerkingsgebied ten aanzien van archeologie geen archeologische- en/of cultuurhistorische waarden worden verstoord danwel dat deze archeologische- en/of cultuurhistorische waarden in voldoende mate zijn beschermd;

f. voor de vaststelling van het uitwerkingsplan dient vast te staan dat een aanvaardbare milieuhygiënische woonsituatie zal zijn gewaarborgd;

g. voor de vaststelling van het uitwerkingsplan dient vast te staan dat in het uitwerkingsgebied ten aanzien van bodemverontreinigingen en bodemkwaliteit een aanvaardbare situatie is gewaarborgd;

h. voor de vaststelling van het uitwerkingsplan dient vast te staan dat in het uitwerkingsgebied ten aanzien van de Flora- en faunawet geen beschermde soorten worden verstoord;

i. bij het opstellen van het uitwerkingsplan moet worden aangesloten bij het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en energiezuinigheid;

j. bij het opstellen van het uitwerkingsplan dient de voor de uit te werken woongebieden benodigde waterberging verzekerd te zijn;

k. bij het opstellen van het uitwerkingsplan moet worden aangesloten bij het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren;

l. het oprichten van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - aandachtsgebied geluid en licht' is niet toegestaan tenzij:

1. geluidwerende maatregelen zijn getroffen, waarvan middels een akoestisch onderzoek is aangetoond dat door toepassing van deze maatregelen voldaan wordt aan de normen uit het Activiteitenbesluit;

2. uit akoestisch onderzoek of metingen blijkt dat ook zonder voornoemde geluidwerende maatregelen wordt voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit;

3. aanvullende maatregelen getroffen worden op of bij de lichtbronnen bij de nabijgelegen sportvelden, indien noodzakelijk vanuit een goed woon- en leefklimaat.

Ingevolge artikel 15, lid 15.3 mag op deze gronden uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een in werking getreden uitwerkingsplan en met inachtneming van de in dat plan opgenomen regels.

10.2. Artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening brengt met zich dat uitwerkingsregels voldoende inzicht dienen te bieden in de toekomstige ontwikkeling van het uit te werken gebied. Dit betekent dat naarmate de gevestigde belangen in een bepaald gebied groter of talrijker zijn, een groter inzicht hierin moet worden geboden. Gelet op de omstandigheid dat het plandeel met de uit te werken woonbestemming een nieuw te ontwikkelen gebied betreft waar in beperkte mate gevestigde belangen aanwezig zijn, bieden de uitwerkingsregels voldoende inzicht in de toekomstige ontwikkeling van het uit te werken gebied. Uit de planregels voor de uit te werken bestemming wordt immers duidelijk welke voorzieningen mogen worden gerealiseerd. Bovendien wordt daarin bepaald hoeveel woningen maximaal zijn toegestaan en dat de uitwerking dient te worden opgesteld op basis van de stedenbouwkundige randvoorwaarden zoals neergelegd in het door de raad vast te stellen beeldkwaliteitsplan, waarbij rekening dient te worden gehouden met de in de planregels neergelegde stedenbouwkundige hoofdprincipes, waaronder ontsluiting, zichtlijnen en de clustering van bebouwing en groenvoorzieningen.

Uit paragraaf 4 van de plantoelichting blijkt dat ten behoeve van het plan onder meer onderzoek is gedaan naar de aspecten archeologie, milieu, bodem en flora en fauna. Daaruit volgt dat deze aspecten niet aan de verwezenlijking van de uit te werken bestemming in de weg staan. De verplichtingen in de uitwerkingsregels ten aanzien van voornoemde aspecten zien op een nadere detaillering op perceelniveau. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het uitwerkingsplan in de planregels afhankelijk wordt gesteld van nog nader te verrichten onderzoeken.

10.3. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan in strijd is artikel 3.6 van de Wro of met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

Overige bezwaren

11. [appellant sub 2] en anderen voeren tevergeefs aan dat de vaststellingstermijn voor het 1e herziene exploitatieplan Luchen Weteringpark is verstreken. De vaststelling van dit exploitatieplan vormt geen onderdeel van dit geding.

12. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar of het herhalen van de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

13. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tegen het bestemmingsplan zijn ongegrond.

Het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

14. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen exploitatieplan heeft vastgesteld, omdat uit de exploitatieberekening voor Groot-Luchen blijkt dat de gemeente nog niet met alle grondeigenaren in het plangebied een anterieure overeenkomst heeft gesloten en dus het kostenverhaal nog niet anderszins is verzekerd. Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat de raad door geen exploitatieplan vast te stellen geen duidelijkheid geeft ten aanzien van de kosten en de opbrengsten van het plan en hoe deze zich verhouden tot de kosten en opbrengsten van het bestemmingsplan "Luchen Weteringpark". De bestemmingsplannen "Groot Luchen" en "Luchen Weteringpark dienen volgens [appellant sub 2] en anderen als samenhangende plannen te worden beschouwd.

14.1. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro, stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen het besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8:2, vierde lid, van de Wro, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

15. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van het financiële deel van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van een exploitatieplan. Daartoe is van belang dat zij geen eigenaren van gronden in een mogelijk exploitatiegebied zijn en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vierde lid, van de Wro, hebben gesloten met betrekking tot gronden in dat gebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant sub 2] en anderen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van het deel van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro.

16. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover gericht tegen het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen, is niet-ontvankelijk.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover gericht tegen het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Boermans

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016

429-532.