Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201603029/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Herveld, Binnenstraat ongenummerd (tussen 39 en 43)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1149
OGR-Updates.nl 2016-0219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603029/1/R1.

Datum uitspraak: 9 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Herveld, gemeente Overbetuwe,

en

de raad van de gemeente Overbetuwe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Herveld, Binnenstraat ongenummerd (tussen 39 en 43)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. D.S. Muller, advocaat te Harderwijk, en de raad, vertegenwoordigd door ing. A.H. van der Wielen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden].

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in bouwmogelijkheden voor drie vrijstaande woningen aan de Binnenstraat, tussen de nummers 39 en 43, te Herveld.

Het geschil

3. Door [belanghebbende] is bij de gemeente een plan ingediend dat ziet op de bouw van drie vrijstaande woningen aan de Binnenstraat te Herveld. De gemeente heeft met dit plan ingestemd en het deel van de grond in het plangebied dat nog niet in eigendom van [belanghebbende] was, inmiddels aan haar verkocht. Het plan voorziet in de realisering van deze drie woningen. [appellante] woont tegenover het plangebied. Haar woning is gelegen op ongeveer 18 m van het plangebied. De afstand tussen haar woning en het dichtstbij gelegen bouwvlak dat in het plan is opgenomen, bedraagt ongeveer 30 m. [appellante] is het niet eens met de vaststelling van het plan, omdat de te realiseren woningen het vrije zicht dat zij nu vanuit haar woning heeft, zullen belemmeren. Verder is de bouw van de drie woningen volgens haar in strijd met de uitgangspunten die ten grondslag lagen aan het bestemmingsplan dat voorheen voor het plangebied gold.

4. De wettelijke bepalingen en planregels die in de uitspraak worden genoemd, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Het beroep

5. [appellante] betoogt dat het plan in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan "Buitengebied Overbetuwe" dat voorheen voor het plangebied gold en is vastgesteld op 30 april 2014. Zij verwijst hiertoe naar paragraaf 2.2 van de toelichting bij het voorheen geldende plan, waarin staat dat verstening de waardevolle gebiedskenmerken in het plangebied kan aantasten. Nu de raad in dit plan niet naar deze passage verwijst of anderszins ingaat op verstening van het buitengebied - terwijl het onderhavige plan hierin wel voorziet - is het besluit volgens [appellante] in zoverre genomen in strijd met de rechtszekerheid.

5.1. De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat in opvolgende bestemmingsplannen andere uitgangspunten worden gehanteerd, op zichzelf niet leidt tot strijd met de rechtszekerheid. Bij de raad kunnen met het verloop van de tijd gewijzigde inzichten ontstaan over de wenselijk geachte bestemming van een locatie. Als dit zich voordoet, staat het de raad vrij om voor deze locatie een nieuwe bestemming vast te stellen, met gebruikmaking van de hem toekomende beleidsvrijheid en na afweging van alle betrokken belangen.

De raad heeft te kennen gegeven dat de passage uit de plantoelichting bij het voorheen geldende plan waarnaar [appellante] verwijst, niet zó moet worden opgevat, dat nieuwe bouwmogelijkheden in het buitengebied per definitie zijn uitgesloten. In dit verband is de gemeentelijke structuurvisie "Toekomstvisie+" aangehaald, die door de raad is vastgesteld op 8 september 2009. Hieruit volgt dat uitbreiding van het aantal woningen kan plaatsvinden binnen de bestaande contouren voor woningbouw. De raad heeft toegelicht dat met de woningen waarin het plan voorziet, wordt beoogd het reeds bestaande bebouwingslint langs de Binnenstraat af te ronden. Uit de visiekaart bij de structuurvisie blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de bebouwingscontour. Volgens de raad bevat het plan voorts waarborgen om de waardevolle gebiedskenmerken zoveel mogelijk te behouden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt verder dat artikel 6, lid 6.4.1, van de planregels, waarin een voorwaardelijke verplichting met betrekking tot de landschappelijke inpassing van het plangebied is neergelegd, is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Zij stelt dat het inrichtingsplan en de voorwaardelijke verplichting die daaraan is gekoppeld, volgens de raad in het plan zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat de zichtlijnen vanaf de Binnenstraat naar het achterliggende landschap in stand blijven. Deze regeling staat echter niet in de weg aan de mogelijkheid dat binnen het plangebied bijgebouwen worden gerealiseerd waardoor die zichtlijnen teniet worden gedaan, nu in de voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat toekomstige bewoners een alternatief inrichtingsplan aan de raad kunnen voorleggen, zo stelt [appellante].

6.1. De raad geeft te kennen dat door middel van het inrichtingsplan en de daaraan gekoppelde voorwaardelijke verplichting is gewaarborgd dat vanaf de Binnenstraat het achterliggende landschap zichtbaar blijft. Dat een alternatief inrichtingsplan aan de raad kan worden voorgelegd, biedt volgens de raad de nodige flexibiliteit zonder dat aan de rechtszekerheid afbreuk wordt gedaan.

6.2. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 6, lid 6.4.1, van de planregels het gebruik van de percelen waarop het plan betrekking heeft, uitsluitend is toegestaan als zij binnen een jaar na het onherroepelijk worden van het plan worden ingericht overeenkomstig het inrichtingsplan dat bij het plan is gevoegd om de landschappelijke inpassing van de percelen te waarborgen. Deze inrichting dient vervolgens in stand te worden gehouden.

Voorts is het op grond van artikel 6, lid 6.4.1, van de planregels eveneens mogelijk om een alternatief inrichtingsplan voor te leggen, dat vervolgens - mits het door de gemeente wordt goedgekeurd - op dezelfde wijze als het inrichtingsplan dat deel uitmaakt van de planregels, bepalend is voor de inrichting en ingebruikname van het perceel. De Afdeling overweegt dat onduidelijk is welk orgaan van de gemeente bevoegd is om het alternatieve inrichtingsplan goed te keuren, op welke manier de belangen van derden, zoals [appellante], daarbij worden betrokken en of zij daartegen kunnen opkomen. Gelet hierop is het plan in zoverre rechtsonzeker.

Het betoog slaagt.

7. [appellante] betoogt voorts dat de drie woningen waarin het plan voorziet, zullen leiden tot een aantasting van haar woon- en leefklimaat. Zij vreest voor beperking van haar uitzicht, nu één van deze woningen recht voor haar perceel is gesitueerd en haar woning niet hoger is dan de maximale bouwhoogte van 10 m waarin het plan voorziet.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellante]. Met het plan wordt volgens de raad voorzien in de verdichting van het bestaande bebouwingslint aan de Binnenstraat. Daarom sluiten de diepte en de breedte van de drie kavels waarin het plan voorziet, aan bij die op de naastgelegen woonpercelen. Ook wordt wat betreft het woontype, de bouw- en goothoogte en de rooilijn bij de woningen in de directe omgeving aangesloten. Volgens de raad zijn de woningen dus zorgvuldig ingepast in de omgeving en is het plan in zoverre deugdelijk onderbouwd.

7.2. De Afdeling overweegt dat de afstand tussen de bouwvlakken van de woningen waarin het plan voorziet en de woning van [appellante] ten minste 30 m bedraagt. Er mag op grond van het plan maximaal één vrijstaande woning binnen het bouwvlak worden gebouwd, met een goothoogte van maximaal 6 m en een bouwhoogte van maximaal 10 m. De maximale oppervlakte van de bijgebouwen die ingevolge het plan op de drie percelen zijn toegestaan, bedraagt 90 m². Bij de positionering van de bijgebouwen dient het inrichtingsplan bij het plan in acht te worden genomen. De Afdeling stelt voorts vast dat het vrije uitzicht van [appellante] wordt aangetast als gevolg van de woningen waarin het plan voorziet. Gelet op de afstand van de woning van [appellante] tot de bouwvlakken van de woningen waarin het plan voorziet - die niet ongebruikelijk is in deze omgeving - en op de maximale bouwhoogte - die is vastgesteld in overeenstemming met de woningen in de omgeving - heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellante] zich niet zal voordoen. Bij dit oordeel heeft de Afdeling tevens de mogelijke locatie van bijgebouwen op de achtererven betrokken. Zij neemt hierbij eveneens in aanmerking dat geen recht bestaat op een blijvend, ongewijzigd uitzicht en een onveranderde woon- en leefomgeving.

Het betoog faalt.

8. [appellante] betoogt verder dat het plan zal leiden tot waardevermindering van haar woning.

8.1. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante], bestaat geen grond voor de verwachting dat die mogelijke waardevermindering zodanig zal zijn, dat de raad hieraan bij de afweging van de belangen een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Het betoog faalt.

Conclusie

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de rechtszekerheid voor zover het betreft artikel 6, lid 6.4.1, van de planregels, voor zover het betreft de zinsnede "of een ander door de gemeente goedegekeurd inrichtingsplan". Voor het overige blijft het bestemmingsplan in stand.

10. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

11. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Overbetuwe van 15 maart 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herveld, Binnenstraat ongenummerd (tussen 39 en 43)" voor zover het betreft artikel 6, lid 6.4.1, van de planregels, voor zover het betreft de zinsnede "of een ander door de gemeente goedegekeurd inrichtingsplan";

III. draagt de raad van de gemeente Overbetuwe op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Overbetuwe aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Hagen w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016

91-831.

BIJLAGE

* Bij rechtsoverweging 6

Planregels bij het bestemmingsplan "Herveld, Binnenstraat ongenummerd (tussen 39 en 43)"

Artikel 6 Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen,

b. de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;

c. tuinen en erven;

d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

e. parkeervoorzieningen ten behoeve van het wonen;

f. evenementen;

g. nutsvoorzieningen;

een en ander met bijbehorende voorzieningen.

6.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het gebruik zoals beschreven in artikel 6.1 is uitsluitend toegestaan indien uiterlijk binnen één jaar na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan, de landschappelijke inpassing overeenkomstig het in Bijlage 1 opgenomen inrichtingsplan of een ander door de gemeente goedegekeurd inrichtingsplan is aangelegd. De landschappelijke inpassing dient vervolgens in stand te worden gehouden.

* Bij rechtsoverweging 10

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Artikel 1.2.3

1. Een visie, plan, besluit en verordening als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, in voorkomend geval met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, worden elektronisch vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt.

2. Indien de inhoud van een elektronisch document als bedoeld in het eerste lid tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie, is het eerstgenoemde document beslissend.