Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2946

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
201607493/5/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2016 heeft het college aan de gemeente Rucphen een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 41 bomen achter de Fazantendonk, Mezendonk, Ravendonk en Kozijnenhoek te St. Willebrord, gemeente Rucphen ten behoeve van de aanleg van "Omleidingsweg Rucphen-Sprundel-St.Willebrord".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607493/5/A1.

Datum uitspraak: 3 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Rucphen en gemeente Rucphen om het opheffen van een door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) getroffen voorlopige voorziening (artikelen 8:81 en 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende het hoger beroep van:

het college

tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2016 in zaak nrs. 16/7129 en 16/7169 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Sprundel, gemeente Rucphen

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2016 heeft het college aan de gemeente Rucphen een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 41 bomen achter de Fazantendonk, Mezendonk, Ravendonk en Kozijnenhoek te St. Willebrord, gemeente Rucphen ten behoeve van de aanleg van "Omleidingsweg Rucphen-Sprundel-St.Willebrord" (hierna: de omleidingsweg).

Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 augustus 2016 vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het besluit van 19 mei 2016 geschorst.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard, het besluit van 19 mei 2016 herroepen voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van de boom met nummer 40, de omgevingsvergunning voor boom nummer 40 geweigerd en het besluit van 19 mei 2016 voor het overige in stand gelaten.

Het college en de gemeente hebben de voorzieningenrechter verzocht de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en de gemeente hebben een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 3 november 2016, waar het college en de gemeente, vertegenwoordigd door mr. E.C.J. Wouters, advocaat te Breda, A. Schrauwen en F. Schennink, beiden werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. K.A Luehof, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De rechtbank heeft het besluit van 23 augustus 2016 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet toereikend gemotiveerd of kap van alle bomen ten behoeve van de aanleg van de omleidingsweg noodzakelijk is. Volgens de rechtbank kon daarom niet worden beoordeeld of het maatschappelijk belang bij de aanleg van de omleidingsweg zwaarder dient te wegen dan het belang tot behoud van de bomen. Voorts heeft het college niet toereikend gemotiveerd dat de herplant in verband met de ontheffing van de Flora- en faunawet kan worden beschouwd als herstel van de waarden die volgens de redengevende waardering van de bomen met de kapvergunningsplicht worden beschermd. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande tevens aanleiding gezien het besluit van 19 mei 2016 met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te schorsen.

3. Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het door het college gedane verzoek strekt tot opheffing van de door de rechtbank getroffen voorlopige voorziening, zodat de kap ten behoeve van de omleidingsweg doorgang kan vinden. [wederpartij] heeft belang bij instandhouding van de schorsing, omdat daarmee wordt voorkomen dat de kap van de bomen ten behoeve van de aanleg van de omleidingsweg mag plaatsvinden.

4. Aan het verzoek heeft het college ten grondslag gelegd dat de kapwerkzaamheden spoedig een aanvang dienen te nemen. Voor de realisatie van de omleidingsweg is volgens het college door provincie Noord-Brabant een vrijwillige bijdrage verstrekt van € 6.200.000,00. Die vrijwillige bijdrage is verstrekt op voorwaarde dat de aanleg van de weg uiterlijk in 2020 is afgerond overeenkomstig een in een daaraan verbonden uitvoeringsovereenkomst beschreven planning. Gelet op de voorwaarden bij de op grond van de Flora- en faunawet verleende ontheffing voor de kap moet het college voor 9 november 2016 zijn gestart om overeenkomstig de ontheffing voor 1 december gereed te zijn met de kapwerkzaamheden. Anders moet de kap in weerwil van de met de provincie overeengekomen planning voor een jaar worden uitgesteld, hetgeen ertoe kan leiden dat de vrijwillige bijdrage wordt teruggevorderd en de aanleg van de weg geen doorgang kan vinden. Verder zijn andere projecten ten behoeve van het verkeersluw maken van de dorpen in de gemeente Rucphen afhankelijk van tijdige aanleg van de omleidingsweg. Ter zitting heeft het college toegelicht dat ten behoeve van de aanleg van de weg een aanbesteding moet worden gedaan. Voorafgaand daaraan moet een archeologisch onderzoek worden verricht.

In het betoog van [wederpartij] dat de bomen ook op een later moment kunnen worden gekapt en de overeengekomen planning dan alsnog kan worden gehaald, ziet de voorzieningenrechter gelet op hetgeen is bepaald in de ontheffing, de uitvoeringsovereenkomst en de geschetste planning van de werkzaamheden ter voorbereiding van de aanleg van de omleidingsweg geen aanleiding eraan te twijfelen dat, indien de kapwerkzaamheden niet spoedig een aanvang nemen, een reëel risico bestaat dat de met de provincie overeengekomen planning niet wordt gehaald en de andere projecten ten behoeve van het verkeersluw maken van de dorpen in de gemeente Rucphen vertraging zullen ondervinden.

5. Bij het besluit van 4 oktober 2016 heeft het college aan de hand van een daarbij behorende plankaart en "Tabel Bomenanalyse Verlengde Vosdonkse weg" per individuele boom beschreven of kap van de boom gelet op het bij het onherroepelijke bestemmingsplan "Kom St. Willebrord, Verlengde Vosdonkseweg" (hierna: het bestemmingsplan) vastgestelde wegtracé van de omleidingsweg en de daarbij aan te houden obstakelvrije zone noodzakelijk is. Daarbij heeft het college het "Handboek wegontwerp 2013" (hierna: het handboek), van 5 november 2013 van het CROW gehanteerd.

Het college heeft bij besluit van 4 oktober 2016 beschreven dat de kap van de bomen nummers 1 tot en met 39 en 41 noodzakelijk is ten behoeve van de aanleg van de weg, nu deze staan op een locatie waar het definitieve wegtracé op grond van het bestemmingsplan is beoogd, dan wel op een locatie binnen de ten aanzien van dat wegtracé op grond van het handboek aan te houden obstakelvrije zone. Het college heeft daarbij opgemerkt dat de bomen nummers 1 tot en met 20 en 41 niet verplantbaar zijn, omdat zij daardoor zouden sterven. De bomen nummers 31 tot en met 39 zijn weliswaar mogelijk verplantbaar, maar de daarmee gemoeide kosten zijn afgezet tegen de waarde en leeftijd van die bomen te hoog. Volgens het college bestaat dan ook geen realistisch alternatief tot behoud van de bomen met nummers 1 tot en met 39 en 41, zodat deze gekapt dienen te worden. Het college heeft in het besluit op bezwaar van 4 oktober 2016 verder beschreven dat de kap van boom nummer 40 onder aanpassing van het voor de aanleg van de omleidingsweg vereiste geluidscherm niet noodzakelijk is. Er bestaat volgens het college dan ook geen noodzaak boom nummer 40 te kappen.

Voorts heeft het college beschreven dat in de omgeving van de locatie waar de bomen worden gekapt bomen zijn of worden herplant, teneinde door de kap verloren cultuurhistorische waarden en natuurwaarden van die bomen te herstellen.

6. Hetgeen [wederpartij] tegen het nieuwe besluit naar voren heeft gebracht en ter zitting aan de orde heeft gesteld, geeft geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat het nieuwe besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans uiteindelijk zal blijken dat voor het kappen van de bomen geen vergunning mocht worden verleend.

7. Gelet hierop en de belangen gediend bij een spoedige aanvang van de kap van de bomen, bestaat aanleiding de door de rechtbank getroffen voorziening voor zover de omgevingsvergunning voor de kap van de bomen nummers 1 tot en met 39 en 41 is geschorst op te heffen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat uit het besluit van 4 oktober 2016 volgt dat er geen noodzaak bestaat tot kap van boom nummer 40.

8. Voor een proceskostenkostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

heft de door de rechtbank in de uitspraak van 19 september 2016 getroffen voorlopige voorziening met betrekking tot de bomen nummers 1 tot en met 39 en 41 op.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Soede

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016

270-833.