Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
201602898/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:4381, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/315 met annotatie van mr. drs. H. Heinink

Uitspraak

201602898/1/V1.

Datum uitspraak: 27 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 5 april 2016 in zaak nr. 15/21108 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 19 september 2014 herroepen en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling, geboren op 1 juli 1996, heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij is als alleenstaande minderjarige Nederland binnengekomen en heeft op 7 april 2009 zijn eerste asielaanvraag ingediend, welke aanvraag op 22 januari 2010 is afgewezen.

De vreemdeling heeft op 25 februari 2014 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de Regeling), neergelegd in paragraaf B9/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Hij heeft de vreemdeling tegengeworpen dat hij niet heeft meegewerkt aan vertrek.

2. De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake was van een contra-indicatie op grond waarvan de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft kunnen onthouden. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat de staatssecretaris de door de vreemdeling tijdens de presentatie bij de Afghaanse vertegenwoordiging en in het vertrekgesprek van 20 november 2012 afgelegde verklaringen ten onrechte heeft aangemerkt als uiting van niet willen meewerken aan vertrek. Voorts is de omstandigheid dat de vreemdeling, ondanks zijn toezegging, geen contact heeft opgenomen met de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM) volgens de rechtbank niet van zodanig gewicht dat daaruit het niet-meewerken kan worden afgeleid. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op het moment dat de vreemdeling toezegde contact op te zullen nemen met de IOM de Regeling reeds was afgekondigd en hij in februari 2014 een aanvraag op grond daarvan heeft ingediend. De rechtbank heeft hierbij ook betrokken dat de staatssecretaris van iemand die een ontwikkelingsachterstand heeft, zoals de vreemdeling, redelijkerwijs niet kan verlangen dat hij spontaan begrijpt dat hij, terwijl hij zicht heeft op het bestendigen van zijn verblijf in Nederland, toch contact moet zoeken met de IOM om zijn vertrek te regelen.

3. De staatssecretaris klaagt in zijn derde grief dat de rechtbank, door te overwegen dat geen sprake was van een contra-indicatie op grond waarvan de staatssecretaris aan de vreemdeling een vergunning heeft kunnen onthouden, geen blijk heeft gegeven van een juiste uitleg van het beleid en voorts ten onrechte haar eigen oordeel in de plaats heeft gesteld van dat van de staatssecretaris. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft kunnen tegenwerpen dat de vreemdeling geen contact heeft gezocht met de IOM. Volgens de staatssecretaris mocht hij in redelijkheid van de vreemdeling verwachten dat deze, alvorens de aanvraag in te dienen, zou hebben gepoogd zijn vertrek te realiseren, onder meer door zich tot de IOM te wenden.

3.1. Volgens paragraaf B9/6 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvraag en voor zover thans van belang, verleent de staatssecretaris een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en die voldoet aan de in de Regeling weergegeven vereisten.

De staatssecretaris verleent vorenbedoelde verblijfsvergunning niet als bij de hoofdpersoon sprake is van een of meer van de in paragraaf B9/6.2, onder a tot en met f, weergegeven contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag worden geconstateerd. Een van die contra-indicaties (e) houdt in dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek (hierna: de contra-indicatie).

De staatssecretaris neemt aan dat de vreemdeling heeft meegewerkt aan zijn vertrek als hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:

1. de vertegenwoordiging van de eigen autoriteiten of die van een ander land waartoe toegang kan worden verkregen;

2. de IOM, en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek te realiseren om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling; en

3. de Dienst Terugkeer en Vertrek, ten behoeve van facilitering bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten, en deze dienst heeft aangegeven dat dit niet is geslaagd om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen mag de staatssecretaris in redelijkheid van een vreemdeling verwachten dat hij, alvorens een aanvraag op grond van de Regeling in te dienen, heeft gepoogd zijn vertrek te realiseren door zich tot de instanties te wenden, die worden genoemd in de onder 3.1. vermelde cumulatieve voorwaarden (uitspraak van 4 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2874). Dit is voor een alleenstaande minderjarige vreemdeling die onder voogdij staat van voogdijinstelling [instelling], zoals de vreemdeling destijds, niet anders. Van een alleenstaande minderjarige vreemdeling mag verwacht worden dat hij zelf of zijn voogd namens hem de benodigde stappen zet om het vertrek te realiseren. De staatssecretaris mocht daarom van de vreemdeling verlangen dat hij zich tot de IOM zou wenden voordat hij een aanvraag op grond van de Regeling indiende. Vaststaat dat de vreemdeling dat niet heeft gedaan. De gestelde ontwikkelingsachterstand van de vreemdeling leidt niet tot het oordeel dat de staatssecretaris dit feit niet heeft mogen tegenwerpen. Verder heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verslagen van de vertrekgesprekken niet blijkt dat de vreemdeling niet heeft begrepen wat er van hem verwacht werd. Uit het vorenstaande volgt reeds dat zich niet de in de Regeling vermelde situatie voordeed dat het buiten de invloedssfeer van de vreemdeling lag dat zijn vertrek niet gerealiseerd kon worden. De staatssecretaris heeft de contra-indicatie terecht tegengeworpen.

De derde grief slaagt. De overige grieven behoeven geen bespreking.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 25 november 2015 toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris in het kader van zijn recht op eerbiediging van het gezinsleven en privéleven, bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) geen evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt. Volgens hem heeft de staatssecretaris bij de afweging van de betrokken belangen onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden die zijn situatie kenmerken, zoals de omstandigheden dat hij ruim vijf jaar in het pleeggezin verblijft en zijn pleegouders buitengewoon betrokken zijn bij hem. De vreemdeling wijst er verder op dat hij in zijn vormende jaren geheel geïntegreerd is geraakt in Nederland en dat hij geen banden van betekenis heeft met Afghanistan, waar hij geen naaste familie heeft, nooit naar school is geweest en ook geen andere sociale banden heeft. Voorts had de staatssecretaris volgens de vreemdeling niet van zijn meerderjarigheid mogen uitgaan, nu hij een ontwikkelingsachterstand heeft. Relevant in dat kader is ook dat hij nog steeds bij zijn pleegouders woont, aldus de vreemdeling. Zijn ontwikkelingsachterstand heeft volgens hem tevens gevolgen voor de wijze waarop hij zijn privéleven hier beleeft. Volgens de vreemdeling heeft de staatssecretaris hiermee in de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden.

5.1. De staatssecretaris heeft alle door de vreemdeling genoemde feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken. Hij heeft in zijn belangenafweging niet ten onrechte veel gewicht toegekend aan het feit dat de vreemdeling en zijn pleegouders wisten dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning zodat de kans bestond dat hij Nederland op enig moment zou moeten verlaten. De staatssecretaris heeft voorts niet ten onrechte veel gewicht toegekend aan het feit dat de vreemdeling in verhouding tot de duur van zijn verblijf in Nederland het grootste deel van zijn leven in Afghanistan heeft gewoond. De staatssecretaris heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vreemdeling moet worden geacht nog banden met Afghanistan te hebben. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de asielprocedure is komen vast te staan dat hij naaste familie in Afghanistan heeft en dat hij in die procedure heeft verklaard dat hij in Afghanistan vijf jaar op school heeft gezeten. Ook heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling meegewogen dat hij volgens de wet inmiddels meerderjarig is en dat recente gegevens omtrent de gestelde ontwikkelingsachterstand ontbreken. Dat de vreemdeling nog bij zijn pleegouders woont, maakt niet dat de staatssecretaris niet van de kalenderleeftijd van de vreemdeling heeft mogen uitgaan.

De staatssecretaris heeft zich voorts deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de banden die de vreemdeling met Nederland is aangegaan de gebruikelijke banden overstijgen en dat die banden maken dat de vreemdeling in staat moet worden gesteld zijn privéleven in Nederland voort te zetten. Ofschoon de vreemdeling een deel van zijn vormende jaren in Nederland heeft doorgebracht, is de staatssecretaris er niet ten onrechte vanuit gegaan dat de vreemdeling, gelet op zijn leeftijd en nu hij het grootste deel van zijn leven in Afghanistan heeft verbleven, in staat moet worden geacht zich weer in Afghanistan te vestigen en daar een bestaan op te bouwen, te meer nu hij de taal van zijn land van herkomst spreekt, een opleiding autotechniek heeft gevolgd en zelf heeft gezegd dat hij zich daar zou kunnen redden.

In het licht van het vorenstaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de vreemdeling uitvalt.

De beroepsgrond faalt.

6. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 5 april 2016 in zaak nr. 15/21108;

III. verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Hanrath

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2016

392.