Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
201605850/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:6125, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201605850/1/V2.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 juli 2016 in zaak nr. NL 16.1537 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Jankie, advocaat te Den Haag, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard omdat geen van de door hem overgelegde stukken nieuwe elementen of bevindingen zijn in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris weliswaar deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen in voormelde zin, maar dat hij ten onrechte niet heeft beoordeeld of niet-ontvankelijkverklaring desondanks achterwege moet blijven wegens bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 31, zevende lid, van de Vw 2000. Om deze reden heeft de rechtbank het besluit vernietigd. Zij heeft geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De staatssecretaris heeft namelijk niet alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom de door de vreemdeling overgelegde overlijdensakte, die op 24 juni 2016 is afgegeven door de Nigeriaanse National Population Commission (hierna: de overlijdensakte), niet kan dienen om te staven dat zijn tweelingbroer is vermoord.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand heeft gelaten. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat hij ter zitting wel degelijk deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij aan de overlijdensakte niet de door de vreemdeling gewenste waarde heeft gehecht.

2.1. Ingevolge artikel 31, zevende lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag niet onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beslissing afgewezen indien de door de vreemdeling bij de aanvraag aangevoerde elementen en bevindingen grond bieden voor het vermoeden dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die hieraan in de weg staan.

Volgens paragraaf C1/4.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 zijn bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, in ieder geval feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat de vreemdeling een verdragsvluchteling is of een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.2. De staatssecretaris heeft zich ter zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de overlijdensakte niet alsnog heeft gestaafd dat zijn tweelingbroer is vermoord, aangezien daarin niet is vermeld wat de doodsoorzaak van zijn broer is geweest. De staatssecretaris klaagt dan ook terecht dat hij daarmee, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de overlijdensakte er niet toe noopt om niet-ontvankelijkverklaring krachtens artikel 31, zevende lid, van de Vw 2000 achterwege te laten.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Gelet hierop en nu de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij aan de overige door de vreemdeling overgelegde documenten niet de door hem gewenste waarde hecht, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 25 juni 2016 in stand blijven en zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, bepaalt de Afdeling krachtens artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 juni 2016 geheel in stand blijven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 juli 2016 in zaak nr. NL 16.1537, voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 25 juni 2016 in stand blijven en zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 juni 2016 geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Fernandez

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

753.