Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2925

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
201508363/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het college aan Blue Carpet omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van een winkel/kantoorgebouw en het vernieuwen van de gevels van dat gebouw op het perceel aan de Lange Viestraat 2B tot en met 2G en Oudegracht 85 tot en met 85E te Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/1133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201508363/1/A1.

Datum uitspraak: 2 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. "Hoog Catharijne B.V." en "Klépierre Vastgoed Ontwikkeling B.V." (voorheen Corio Vastgoed Ontwikkeling B.V.), beiden gevestigd te Utrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: Hoog Catharijne),

2. "Blue Carpet B.V.", gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2015 in zaak nr. 14/7020 in het geding tussen:

Hoog Catharijne

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het college aan Blue Carpet omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van een winkel/kantoorgebouw en het vernieuwen van de gevels van dat gebouw op het perceel aan de Lange Viestraat 2B tot en met 2G en Oudegracht 85 tot en met 85E te Utrecht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 oktober 2014 heeft het college het door Hoog Catharijne daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2015 heeft de rechtbank het door Hoog Catharijne daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Hoog Catharijne hoger beroep ingesteld.

Blue Carpet heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Blue Carpet en Hoog Catharijne hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2016, waar Hoog Catharijne, vertegenwoordigd door mr. M.H.C. de Kok, advocaat te Utrecht, bijgestaan door mr. M.Y.C.L. de Wit, advocaat te Rotterdam, en Blue Carpet, vertegenwoordigd door mr. I.L. Haverkate, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Na de renovatie van het gebouw op het perceel en het vernieuwen van de gevels zijn daarin onder andere winkels voorzien.

Hoog Catharijne is eigenaar van de in het Utrechts stationsgebied gelegen parkeergarages P1 tot en met P6. Zij vreest dat de verleende vergunning ertoe zal leiden dat het publiek, dat door de nieuwe winkels wordt aangetrokken, gebruik zal maken van haar parkeergarages.

2. Hoog Catharijne betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij de berekening van de parkeereis ten gevolge van een functiewijziging als bedoeld in paragraaf 5.1.1. van de Nota Parkeernormen Fiets en Auto (hierna: de parkeernota) ten onrechte is uitgegaan van een functiewijziging voor het hele gebouw.

Hoog Catharijne voert daartoe aan dat alleen de functies van de verdiepingen 2 tot en met 5 van het gebouw wijzigen, namelijk van onderwijs naar winkels op de verdiepingen 2 tot en met 4 en van onderwijs naar kantoor op verdieping 5. Indien de parkeereis wordt berekend op basis van een functiewijziging van alleen deze verdiepingen, leidt dit volgens Hoog Catharijne tot een tekort van 34 parkeerplaatsen. Op grond daarvan had het college de gevraagde omgevingsvergunning wegens strijd met artikel 2.5.30 van de bouwverordening gemeente Utrecht (hierna: de bouwverordening) moeten weigeren, aldus Hoog Catharijne.

Verder voert Hoog Catharijne aan dat de gemeentelijke wijze van berekening leidt tot een irreëel beeld van het ‘rechtens verkregen niveau’. Voor het gebouw leidt de gemeentelijke interpretatie van de parkeernota er immers toe dat dit gebouw thans een overschot aan parkeerplaatsen zou hebben, terwijl er feitelijk geen enkele parkeerplaats is.

2.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover de in de parkeernormen behorende bij de vigerende Parkeernota voor een functie criteria zijn aangewezen, voor die functie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die parkeernormen (bandbreedte).

Volgens paragraaf 5.1.1. van de parkeernota wordt bij de berekening van de parkeereis rekening gehouden met de parkeervraag van de bestaande (legale) situatie ("rechtens verkregen niveau"). Dit betekent dat eerst de parkeereis van de meest recente legale functies wordt bepaald (conform de maximum parkeernorm). Deze parkeerbehoefte mag vervolgens worden afgetrokken van de parkeereis van de nieuwe functie (conform de minimum parkeernorm), zodat alleen het verschil aan parkeerplaatsen nog moet worden gerealiseerd. Als de parkeereis van de oude functie hoger is dan de parkeereis van de nieuwe functie, dan hoeven deze parkeerplaatsen niet te worden opgeheven.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de tekst van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening "indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft,", volgt dat bij de toetsing aan dat artikel de totale parkeerbehoefte van het hele gebouw in aanmerking moet worden genomen. De in paragraaf 5.1.1 van de parkeernota opgenomen regeling voor de berekening van de parkeernorm bij functiewijziging, gelezen in verbinding met bijlage B1 van de parkeernota, is een nadere invulling van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

In de parkeernota wordt aan het college beslissingsruimte geboden op welke manier de parkeereis van het hele gebouw moet worden berekend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college, gebruikmakend van deze beslissingsruimte, bij zijn berekening van het aantal vereiste parkeerplaatsen in redelijkheid een vergelijking kunnen maken tussen de parkeerbehoefte behorend bij de functie van het hele gebouw in de bestaande en in de beoogde situatie. Artikel 2.5.30, tweede lid, van de bouwverordening staat niet aan deze wijze van berekenen in de weg.

Naar niet in geschil is leidt deze wijze van berekenen niet tot een tekort aan parkeerplaatsen.

2.3. Verder betoogt Hoog Catharijne tevergeefs dat de gemeentelijke wijze van berekening leidt tot een irreëel beeld van het ‘rechtens verkregen niveau’. De aanname dat het gebouw een overschot aan parkeerplaatsen zou hebben terwijl er feitelijk geen enkele parkeerplaats is, is niet een gevolg van de gemeentelijke wijze van berekenen van de parkeereis, maar van de toepassing van paragraaf 5.1.1. van de parkeernota. Volgens de parkeernota wordt bij de berekening van de parkeereis rekening gehouden met de parkeervraag van de bestaande legale situatie conform de maximum parkeernorm. Vervolgens mag deze parkeerbehoefte worden afgetrokken van de parkeereis van de nieuwe functie conform de minimum parkeernorm, zodat alleen het verschil aan parkeerplaatsen nog moet worden gerealiseerd. Het feitelijk aantal bestaande parkeerplaatsen is derhalve voor de berekening van de parkeereis niet relevant.

3. Hoog Catharijne betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat artikel 2.5.30 van de bouwverordening geen zelfstandige grondslag is om handhavend op te treden, niet weg neemt dat bij een bouwaanvraag zoals hier aan de orde, wel aan dat artikel wordt getoetst.

3.1. Dit betoog leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De met dit betoog bestreden overweging van de rechtbank is geen dragende overweging van de uitspraak.

4. Het hoger beroep van Hoog Catharijne is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Naar aanleiding van het hoger beroep van Hoog Catharijne heeft Blue Carpet voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Nu het hoger beroep van Hoog Catharijne ongegrond is verklaard, is aan de voorwaarde voor het incidenteel hoger beroep niet voldaan.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Van Leeuwen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2016

543.