Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2890

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
201601828/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:384, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2017/841
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201601828/1/V6.

Datum uitspraak: 2 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2016 in zaak nr. 15/3883 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de minister van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2016, waar [appellante], vergezeld door [persoon] en vertegenwoordigd door mr. A.C.M. Nederveen, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door S.Q. Sandifort MSc, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt tevens zijn rechtsvoorganger verstaan.

2. De minister heeft het verzoek afgewezen omdat [appellante] bij de indiening ervan geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd, zodat haar identiteit en nationaliteit niet zijn komen vast te staan. Voorts heeft [appellante] volgens de minister niet aangetoond in bewijsnood te verkeren.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet in bewijsnood verkeert en dat van haar mocht worden verwacht dat zij gericht personen in [plaats], Irak, zou hebben aangeschreven om voor haar een geboorteakte aan te vragen bij de registers van de burgerlijke stand in die stad, nu zij een groot deel van haar leven in die stad heeft gewoond en haar contactpersoon nog onlangs naar die stad is gereisd.

Volgens [appellante] heeft de rechtbank niet onderkend dat zij allerlei wegen heeft bewandeld om te trachten een derde bereid te vinden om voor haar in [plaats] een geboorteakte aan te vragen. Volgens [appellante] heeft zij ambassades en Iraakse advocaten aangeschreven en heeft de contactpersoon binnen haar netwerk gezocht naar personen die zouden kunnen helpen. De vice-consul van de Iraakse vertegenwoordiging in Nederland heeft haar erop gewezen dat zo een derde niet zal kunnen worden gevonden nu de situatie in het stadscentrum van [plaats] waar het lokale bevolkingsregister is gesitueerd onveilig is, aldus [appellante]. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen zij heeft aangevoerd over het niet overleggen van een paspoort.

3.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit of nationaliteiten.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) moet de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte, overleggen. Van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten stelt de minister vrij de verzoeker die in bewijsnood verkeert. Bewijsnood doet zich volgens de Handleiding voor indien de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan of onvolledig zijn en wanneer in dat land geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts de verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin die autoriteiten gemotiveerd aangeven waarom zij de verzoeker niet in het bezit kunnen stellen van een geldig buitenlands reisdocument. Indien de verzoeker voormelde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan ter verkrijging van een geldig buitenlands reisdocument.

3.2. [appellante] heeft niet gesteld dat de registers van de burgerlijke stand in [plaats] niet bestaan of onvolledig zijn en evenmin dat daar geen documenten kunnen worden verkregen. [appellante] betwist voorts niet dat het in beginsel mogelijk is om daar met behulp van een daartoe gemachtigde derde een geboorteakte te verkrijgen. De door [appellante] overgelegde stukken zien op haar gezondheidssituatie en de algemene veiligheidssituatie in Irak, in het bijzonder [plaats]. Die stukken hebben geen betrekking op haar stelling dat zij in [plaats] geen familieleden heeft en geen derde bereid heeft gevonden en kan vinden die de geboorteakte in [plaats] voor haar kan verkrijgen. [appellante] heeft in de bestuurlijke fase geen bewijzen overgelegd van het aanschrijven van advocaten in Irak en evenmin heeft zij contact opgenomen met de lokale autoriteiten van [plaats] ten einde de verblijfplaats van verwanten of bekenden te achterhalen die haar behulpzaam zouden kunnen zijn. Reeds omdat [appellante] haar pogingen om derden te vinden die voor haar een geboorteakte kunnen verkrijgen niet met enig stuk heeft gestaafd, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van haar geboorteakte. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat [appellante] niet heeft aangetoond in bewijsnood te verkeren met betrekking tot het overleggen van de geboorteakte. Aangezien volgens de Handleiding het niet overleggen van een gelegaliseerde geboorteakte voldoende grond is voor afwijzing van het verzoek, heeft de rechtbank voorts terecht geen aanleiding gezien voor bespreking van hetgeen [appellante] in beroep heeft aangevoerd over het ontbreken van een paspoort.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673, heeft overwogen dat [appellante] niet kan worden gevolgd in haar betoog dat de minister ten onrechte aan haar identiteit twijfelt nu zij ter onderbouwing daarvan in een verblijfsrechtelijke procedure stukken heeft overgelegd. Volgens [appellante] verschilt de situatie in die zaak van die van haar omdat in die zaak twijfel bestond over de inhoudelijke juistheid van een in de naturalisatieprocedure overgelegd brondocument, terwijl in dit geval geen brondocument is overgelegd. Volgens [appellante] heeft de rechtbank miskend dat de minister haar identiteit had moeten vaststellen aan de hand van de in de verblijfsrechtelijke procedure door haar overgelegde stukken.

Dat de identiteit van [appellante] in de verblijfsrechtelijke procedure niet in twijfel is getrokken, betekent niet dat de minister ten onrechte overeenkomstig de Handleiding van [appellante] heeft verlangd dat zij een geldig paspoort en een gelegaliseerde geboorteakte overlegt. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak heeft overwogen dient juist in het kader van de procedure over verlening van het Nederlanderschap de identiteit van de verzoeker het voorwerp van onderzoek te zijn, omdat het verlenen van het Nederlanderschap, vanwege de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is. De minister is bevoegd op de daartoe geƫigende wijze bewijs van de gestelde identiteit te verlangen.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die de minister noopten tot afwijking van de Handleiding met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. De in de Handleiding gegeven regels over bewijsnood brengen volgens [appellante] niet mee dat de door haar aangevoerde omstandigheden die betrekking hebben op het niet kunnen verkrijgen van documenten niet bijzonder zijn in de zin van die bepaling.

Zoals hiervoor onder 3.2 is overwogen heeft [appellante] niet aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert, aangezien zij niet al het mogelijke heeft gedaan om de vereiste documenten te verkrijgen. Nu [appellante] niet heeft aangetoond dat het niet mogelijk is die documenten te verkrijgen, heeft het in de Handleiding neergelegde vereiste om deze over te leggen voor [appellante] geen onevenredige gevolgen als bedoeld in voormeld artikel 4:84 en faalt het betoog reeds daarom.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Willems

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2016

412.