Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2887

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
201600042/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:7246, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het eerder op € 1.011,00 vastgestelde kindgebonden budget over 2010 voor [appellante] herzien en vastgesteld op € 597,00 en bepaald dat [appellante] een bedrag van € 414,00 dient terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600042/1/A2.

Datum uitspraak: 2 november 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 december 2015 in zaak nr. 15/2194 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het eerder op € 1.011,00 vastgestelde kindgebonden budget over 2010 voor [appellante] herzien en vastgesteld op € 597,00 en bepaald dat [appellante] een bedrag van € 414,00 dient terug te betalen.

Bij besluit van 22 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de aan de uitspraak gehechte bijlage.

2. Omdat [appellante] in 2009 kindgebonden budget heeft ontvangen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] automatisch gecontinueerd op basis van de gegevens betreffende het jaar 2009 en het voorschot kindgebonden budget bij besluit van 29 december 2009 vastgesteld op € 658,00.

Bij besluit van 29 juni 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget over 2010 definitief vastgesteld op € 1.011,00. De dienst is hierbij uitgegaan van een toetsingsinkomen van zowel [appellante] als haar partner van € 0,00.

3. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het bij besluit van 22 juli 2015 gehandhaafde besluit van 26 juni 2015 het volgende ten grondslag gelegd. Het toetsingsinkomen waarmee de Belastingdienst/Toeslagen een toeslag definitief berekent, wordt door de inspecteur van de Belastingdienst vastgesteld. Het toetsingsinkomen van [appellante] over 2010 is door de inspecteur vastgesteld op € 0,00 en het toetsingsinkomen van de partner van [appellante] op € 34.351,00.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget over 2010 ten onrechte heeft herzien. Volgens [appellante] kan het niet zo zijn dat op 29 juni 2012 het inkomen van haar toeslagpartner over 2010 nog niet bekend was bij de inspecteur van de Belastingdienst. Voor zover dit wel het geval is, had de inspecteur niet mogen uitgaan van een inkomen van € 0,00. Deze onrechtmatigheid zou niet hersteld mogen worden met toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), aldus [appellante].

4.1. Zoals de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer in haar uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0487), met juistheid heeft overwogen, is de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 7, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir, bij de bepaling van de draagkracht gehouden het verzamelinkomen zoals door de inspecteur van de Belastingdienst in de aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld, in aanmerking te nemen. Dit volgt ook uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 8 van de Awir (Kamerstukken II 2004/2005, 29 764, nr. 3, blz. 41).

De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat de dienst eerst op 27 mei 2015 een herzien vastgesteld inkomen van de partner van Ben Mail heeft doorgekregen van de inspecteur van de Belastingdienst en dat dit inkomen € 34.351,00 bedraagt. De dienst heeft in beroep daartoe een aantal bewijsstukken overgelegd. De Afdeling ziet, gelet op deze stukken, geen aanleiding [appellante] te volgen in haar stelling dat de dienst niet eerst op 27 mei 2015 over de inkomensgegevens van haar partner beschikte. Nu uit artikel 20, eerste lid, van de Awir volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget wijzigt, ingeval na het toekennen van de tegemoetkoming uit een wijziging van een inkomensgegeven blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget over 2010 terecht heeft herzien.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2016

735.

BIJLAGE

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Awir, geldt deze wet voor inkomensafhankelijke regelingen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder inkomensgegeven inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verstaan.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging, indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend.

Ingevolge het tweede lid geschiedt de herziening binnen acht weken na het tijdstip waarop het voor het eerst vastgestelde, voor het eerst bepaalde of gewijzigde inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dan wel de beschikking of uitspraak strekkende tot de in het eerste lid bedoelde vaststelling, bepaling of wijziging onherroepelijk is geworden.

Ingevolge het derde lid kan een herziening op grond van dit artikel leiden tot een uit te betalen bedrag doch ook tot een terug te vorderen bedrag.