Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:288

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201505565/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:5146, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2013 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om vergoeding van de kosten voor een inburgeringscursus (hierna: de aanvraag) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet inburgering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505565/1/V6.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2015 in zaak nr. 14/1086 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2013 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om vergoeding van de kosten voor een inburgeringscursus (hierna: de aanvraag) afgewezen.

Bij besluit van 14 april 2014 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 december 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. S. Faber, advocaat te Haarlem, en de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter, werkzaam bij de Dienst Uitvoering Onderwijs, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet inburgering, zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde, verstrekt de minister overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een vergoeding aan de gewezen inburgeringsplichtige die binnen drie jaar het inbugeringsexamen heeft behaald (hierna: de driejarentermijn). Ingevolge artikel 26 bepaalt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de inburgeringsplichtige woonplaats heeft voor de oudkomer de dag waarop de in artikel 18, eerste lid, bedoelde termijn aanvangt.

2. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat [appellante], die oudkomer is in de zin van artikel 26 van de Wet inburgering, het inburgeringsexamen niet binnen de driejarentermijn heeft behaald. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: het college) bij besluit van 5 maart 2010 (hierna: het besluit van 5 maart 2010) heeft bepaald dat de driejarentermijn in dit geval op 5 maart 2010 is ingegaan, terwijl [appellante] het laatste onderdeel van het inburgeringsexamen eerst op 2 april 2013 heeft gehaald.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar stelling dat het college het besluit van 5 maart 2010 niet aan haar heeft verzonden. Indien dat niet is gebeurd, is de driejarentermijn niet op die datum ingegaan. [appellante] wijst er hierbij op dat het besluit van 5 maart 2010 niet aangetekend is verzonden. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen het inburgeringsexamen niet binnen drie jaar na 5 maart 2010 te hebben gehaald, aldus [appellante].

3.1. Uit de aangevallen uitspraak volgt dat de rechtbank de minister is gevolgd in zijn standpunt dat de driejarentermijn in dit geval op 5 maart 2010 is aangevangen. Nu ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt, betoogt [appellante] terecht dat de rechtbank, alvorens tot dit oordeel te komen, had moeten ingaan op haar betoog dat het college het besluit van 5 maart 2010 niet aan haar heeft verzonden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan de minister ter zitting van de Afdeling heeft aangevoerd, [appellante] niet slechts heeft betoogd dat zij zich niet kan herinneren het besluit van 5 maart 2010 te hebben ontvangen. In het beroepschrift van 23 juni 2014 heeft zij immers naar voren gebracht dat zij de verzending van dit besluit ter discussie stelt. De klacht is dus terecht voorgedragen.

3.2. De minister heeft niet bestreden dat, zoals [appellante] stelt, het besluit van 5 maart 2010 niet aangetekend is verzonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 augustus 2013 in zaak nr. 201205441/1/A3), geldt in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, als uitgangspunt dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het stuk is verzonden. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het stuk is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat er een deugdelijke verzendadministratie is. Het besluit van 5 maart 2010 is weliswaar niet door de minister, maar door het college genomen, maar nu de aanvang van de driejarentermijn in dit geval bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen, ligt het op de weg van de minister om de verzending van het besluit van 5 maart 2010 aannemelijk te maken. Het besluit van 5 maart 2010 is niet voorzien van een verzenddatum. Voorts heeft de minister geen verzendadministratie overgelegd en heeft hij ter zitting van de Afdeling desgevraagd beaamd dat hij ook overigens geen bewijs heeft geleverd van verzending van het besluit van 5 maart 2010. De minister heeft de verzending van het besluit van 5 maart 2010 dus niet aannemelijk gemaakt. Nu [appellante] de ontvangst ervan betwist, moet het, gelet op artikel 3:40 van de Awb, ervoor worden gehouden dat dit besluit niet in werking is getreden. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de driejarentermijn op 5 maart 2010 is aangevangen en dat, nu [appellante] het inburgeringsexamen niet binnen drie jaar na die datum heeft behaald, de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellante] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidend beroep gegrond verklaren en het besluit van 14 april 2014 vernietigen. De minister moet een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen met inachtneming van het volgende.

5. Uit het beroepschrift van 23 juni 2014 volgt dat de gemachtigde van [appellante] het besluit van 5 maart 2010 alsnog bij het college heeft opgevraagd en ontvangen. Uit dat beroepschrift en de overige stukken valt echter niet af te leiden op welk moment dat is gebeurd. Ter zitting van de Afdeling is dat evenmin duidelijk geworden. Nu [appellante] op 31 oktober 2010 met de inburgeringscursus is begonnen, moet het ervoor worden gehouden dat zij in elk geval vanaf die datum op de hoogte was van haar inburgeringsplicht en, in het verlengde daarvan, van de driejarentermijn. Derhalve moet de minister bij het nemen van het nieuwe besluit ervan uitgaan dat de driejarentermijn in dit geval op 31 oktober 2010 is aangevangen.

6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. De minister moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 mei 2015 in zaak nr. 14/1086;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 april 2014, kenmerk JSCI060/0036016617249-71816-2-05;

V. bepaalt dat tegen het door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 293,00 (zegge: tweehonderddrieënnegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Oei

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016

670.