Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201605881/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59b
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1b
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/311 met annotatie van mr. drs. M.L. van Riel

Uitspraak

201605881/1/V3.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 juli 2016 in zaak nr. 16/14701 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.E.J.M. Bartels, advocaat te Utrecht, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat bij een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) moet zijn voldaan aan twee vereisten. Allereerst moet de bewaring noodzakelijk zijn met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarnaast moet een risico bestaan op onttrekking aan het toezicht. Volgens de rechtbank moet de staatssecretaris beide vereisten van een afzonderlijke motivering voorzien. Hoewel niet in geschil is dat bij de vreemdeling een risico bestaat op onttrekking aan het toezicht, heeft de staatssecretaris met de door hem aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde lichte en zware gronden niet ook gemotiveerd waarom aan het eerste vereiste is voldaan. Dit maakt de bewaring van aanvang af onrechtmatig, aldus de rechtbank.

2. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht meebrengt dat een bewaring noodzakelijk is met het oog op de verkrijging van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Een afzonderlijke motivering is dus niet vereist, aldus de staatssecretaris.

2.1. Ingevolge artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, door de staatssecretaris in bewaring worden gesteld, indien bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag in vorenbedoelde zin, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking.

In artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) zijn de zware gronden voor inbewaringstelling of het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel opgenomen.

In het vierde lid zijn de lichte gronden voor inbewaringstelling of het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel opgenomen.

Ingevolge artikel 5.1c, tweede lid, is de grond voor bewaring, bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, aanwezig, indien door middel van bewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, voordoen.

2.2. In de toelichting bij artikel 5.1c, tweede lid, van het Vb 2000 (Stb. 2015, 294, p. 18) staat het volgende:

"Voor bewaring op deze grond is vereist dat hierdoor gegevens kunnen worden verkregen die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet en deze gegevens niet zouden kunnen worden verkregen als de vreemdeling niet in bewaring zou worden gehouden. Artikel 59b, eerste lid, onderdeel b noemt in deze context expliciet het criterium «risico op onttrekking», zoals dit ook is opgenomen in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn. In de uitwerking is dit gelijkgesteld met de uitwerking van het risico op onttrekking als bedoeld in de Terugkeerrichtlijn."

2.3. Gelet op de formulering van artikel 5.1c, tweede lid, van het Vb 2000 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat bij een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 moet zijn voldaan aan de twee door haar genoemde vereisten. Zij heeft echter niet onderkend dat met een voldoende deugdelijke motivering in een besluit van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 opgenomen lichte en zware gronden - ook is gegeven dat een bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. De Afdeling verwijst hiervoor naar de onder 2.2. aangehaalde toelichting bij artikel 5.1c, tweede lid, van het Vb 2000. In die toelichting heeft de wetgever voor het bestaan van de noodzaak tot bewaring uitdrukkelijk gewezen op het risico op onttrekking. Een afzonderlijke motivering, zoals de rechtbank van de staatssecretaris verlangt, is dus niet vereist.

In dit geval heeft de rechtbank in hoger beroep onbestreden geoordeeld dat bij de vreemdeling een risico bestaat op onttrekking aan het toezicht. Gelet op het voorgaande is daarmee ook gegeven dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 3 juli 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast en ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt over de vraag of hij als asielzoeker al dan niet in bewaring moet worden gesteld.

4.1. Vaststaat dat de vreemdeling in september 2012 de gelegenheid is geboden om met toepassing van een lichter middel terug te keren naar Georgië. Evenzeer staat vast dat hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt en met onbekende bestemming is vertrokken. Gelet hierop heeft de staatssecretaris terecht geen lichter middel toegepast.

De Afdeling volgt de vreemdeling tot slot niet in zijn betoog dat de staatssecretaris ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt over de vraag of hij als asielzoeker al dan niet in bewaring moet worden genomen. In de uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:889, heeft de Afdeling namelijk geoordeeld dat een dergelijke afweging niet meer is vereist.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 juli 2016 in zaak nr. 16/14701;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Waasdorp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

714.