Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201600984/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

De Afdeling is van oordeel dat in deze zaak sprake is van aan [appellant] toe te rekenen misbruik door zijn [gemachtigde] van de wettelijke bevoegdheid om een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) in te dienen en hoger beroep in te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600984/1/A3.

Datum uitspraak: 3 oktober 2016 AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2015 in zaak nr. 15/616 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2016. Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.J. Borman voorzitter

Staatsraad mr. B.P. Vermeulen lid

Staatsraad mr. A.B.M. Hent rapporteur griffier: mr. T. Hartsuiker Verschenen:

De minister, vertegenwoordigd door mr. J. Jansen en mr. H.O. Nieuwpoort, beiden werkzaam bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (hierna: de CVOM). Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 december 2015. De Afdeling

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Daartoe overweegt zij het volgende. De minister heeft in zijn verweerschrift van 16 september 2016 aangevoerd dat in deze zaak sprake is van misbruik van recht. De Afdeling is van oordeel dat in deze zaak sprake is van aan [appellant] toe te rekenen misbruik door zijn [gemachtigde] van de wettelijke bevoegdheid om een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) in te dienen en hoger beroep in te stellen. Dit oordeel is op de volgende feiten en omstandigheden gebaseerd: - de Afdeling heeft in een groot aantal uitspraken (onder meer de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2446, 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157, 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102, 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585, 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1885 en ECLI:NL:RVS:2016:1884, 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1950 en ECLI:NL:RVS:2016:1957, en 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2312) ten aanzien van soortgelijke Wob-procedures als in deze zaak waarbij [gemachtigde] is betrokken, geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en een rechtsmiddel in te stellen. Dat [gemachtigde] dit misbruik veelvuldig maakt, wordt bevestigd door het in het verweerschrift van de minister genoemde bedrag van € 309.318,00 dat [gemachtigde] in de periode van 2012 tot en met 2015 aan dwangsommen en proceskostenvergoedingen heeft ontvangen in verband met, zoals het verzoek in deze zaak, bij de CVOM ingediende Wob-verzoeken; - de Afdeling heeft in een aantal uitspraken (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1947) ten aanzien van soortgelijke Wob-procedures als in deze zaak waarbij [appellant] is betrokken, geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en een rechtsmiddel in te stellen; - [gemachtigde] voert als rechtsbijstandverlener veel procedures over Wob-verzoeken, waarbij hij veelvuldig gebruik maakt van zeer algemeen geformuleerde machtigingen, zoals hij ook in deze zaak heeft gedaan; - [appellant] is zelf rechtsbijstandverlener en heeft ruime ervaring met procedures over Wob-verzoeken. In plaats van in deze zaak zelf over zijn Wob-verzoek te procederen, heeft [appellant] ervoor gekozen om [gemachtigde] in te schakelen; - het is onduidelijk wat in het Wob-verzoek in deze zaak wordt bedoeld met "alle digitaal vastgelegde gegevens in uw IT-systemen". Deze vaagheid van het verzoek maakt het op het verzoek te nemen besluit onnodig extra vatbaar voor discussie in vervolgprocedures; - in bezwaar en beroep is [gemachtigde] gevraagd om een specifiekere machtiging over te leggen, hetgeen hij niet heeft gedaan. [gemachtigde] heeft de rechtbank voorts geen toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten, terwijl hij noch [appellant] op de zittingen van de rechtbank is verschenen. w.g. Borman w.g. Hartsuiker

voorzitter griffier 620.