Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201508481/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:7360, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508481/1/A2.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2015 in zaak nr. 15/1194 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 7 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. S. Broekzitter-Nieuwland, advocaat te Spijkenisse, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding voor het geschil en besluitvorming

1. De Belastingdienst/Toeslagen is verzocht om een tegemoetkoming kinderopvangtoeslag voor de opvang van de twee kinderen van [appellante] over het jaar 2010. De bemiddeling tussen [appellante] en de gastouder vond plaats door tussenkomst van [gastouderbureau]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in het jaar 2010 in totaal € 15.572,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag uitbetaald.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de over 2010 verstrekte voorschotten op nihil gesteld, omdat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de gestelde kosten van kinderopvang volledig heeft betaald. De dienst heeft het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Aangevallen uitspraak

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht tot ongegrondverklaring van het bezwaar van [appellante] is overgegaan, omdat [appellante] geen bewijzen heeft overgelegd dat zij kosten heeft gemaakt voor gastouderopvang in 2010. [appellante] heeft niet aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang volledig heeft betaald, aldus de rechtbank. Dat [appellante] in beroep heeft betoogd dat zij slachtoffer is van identiteitsfraude, nu niet zij, maar [gastouderbureau] de aanvraag zonder haar medeweten zou hebben gedaan, komt daarbij volgens de rechtbank voor haar eigen risico. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor zover [appellante] stelt door het faillissement van [gastouderbureau] niet in staat te zijn geweest de door de Belastingdienst/Toeslagen verzochte informatie over te leggen.

Hoger beroep

Identiteitsfraude en faillissement gastouderbureau

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij de voorschotten over het jaar 2010 dient terug te betalen.

Zij voert daartoe allereerst aan dat de aanvraag kinderopvangtoeslag over dat jaar niet aan haar kan worden toegerekend, omdat zij slachtoffer is van identiteitsfraude. Niet [appellante], maar [gastouderbureau] zou de aanvraag hebben ingediend en het voorschot kinderopvangtoeslag hebben ontvangen. Ter zitting heeft zij ter onderbouwing hiervan naar voren gebracht dat zij tot oktober 2010 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang, terwijl de aanvraag ziet op kinderopvangtoeslag voor het hele jaar. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat een met DigiD aangevraagde toeslag wordt toegerekend aan de aanvrager, betoogt [appellante] dat gezien de vele gevallen van misbruik met DigiD, van de Belastingdienst/Toeslagen mocht worden verwacht preventief op te treden. Bovendien had het volgens [appellante] op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen gelegen om nader onderzoek te doen, nu er voor de uitbetaling van de toeslag gebruik werd gemaakt van verschillende rekeningnummers, die beiden niet van [appellante] afkomstig waren. [appellante] wijst er in dit verband op dat zij op 25 september 2010 een bezoek heeft gebracht aan een kantoor van de Belastingdienst, waarbij zij een ambtenaar op deze omstandigheden heeft gewezen.

[appellante] voert ter onderbouwing van haar betoog verder aan dat - voor zover de aanvraag haar kan worden toegerekend - zij de jaaropgaaf en de maandelijkse facturen niet kan overleggen, nu [gastouderbureau] de beschikking had over die stukken en failliet is gegaan.

4.1. In artikel 14, eerste lid, van de Awir staat dat een tegemoetkoming op aanvraag toegekend wordt door de Belastingdienst/Toeslagen. Deze mag daarbij in beginsel uitgaan van de juistheid van de aanvraag. Vast staat dat de Belastingdienst/Toeslagen op 14 april 2010 een digitale aanvraag om tegemoetkoming kinderopvangtoeslag met ingang van 20 maart 2010 heeft ontvangen op naam en adres van [appellante]. Deze aanvraag is vervolgens op 1 en 11 juli 2010 gewijzigd, eveneens op naam en adres van [appellante]. Voor het indienen van deze aanvragen is vereist dat deze door de aanvrager met zijn DigiD wordt ondertekend. DigiD is een persoonlijke inlogcode, voorzien van een wachtwoord, waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid. Nu de aanvraag op naam van [appellante] is gedaan, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de aanvraag is ingediend door haar of door iemand aan wie zij haar DigiD ter beschikking heeft gesteld. Uit het hoger beroepschrift volgt ook dat [appellante] haar DigiD zelf aan [gastouderbureau] heeft verstrekt. Aangezien de gebruikersnaam en het wachtwoord voor DigiD strikt persoonlijk zijn, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de aanvraag en wijzigingen daarvan aan [appellante] zijn toe te rekenen. Dat in zijn algemeenheid fraudegevallen met de DigiD-code bekend zijn, betekent niet dat de Belastingdienst/Toeslagen in dit specifieke geval aan de juistheid van de wijziging behoorde te twijfelen. De door [appellante] in dit verband genoemde omstandigheid dat in de aanvragen gebruik werd gemaakt van verschillende rekeningnummers heeft de Belastingdienst/Toeslagen niet als aanleiding hoeven zien de tenaamstelling van de opgegeven rekeningnummers te controleren, nu bijschrijving van de voorschotten op een rekeningnummer van een ander mogelijk is op grond van artikel 25, eerste lid, van de Awir.

4.2. Wat betreft het faillissement van [gastouderbureau] overweegt de Afdeling als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8833), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang, dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Niet in geschil is dat [appellante] niet kan aantonen de kosten van kinderopvang over het jaar 2010 volledig te hebben betaald. De Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] bij verschillende brieven verzocht om kopieën van bankafschriften over te leggen waaruit blijkt dat de kosten van kinderopvang over 2010 zijn voldaan. Nu [appellante] dergelijke kopieën noch andere bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij die kosten in 2010 daadwerkelijk heeft voldaan, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang over 2010 volledig heeft betaald. Dat [appellante] deze documenten niet heeft kunnen overleggen omdat zij deze vanwege het faillissement van het gastouderbureau niet meer heeft kunnen achterhalen, heeft de rechtbank terecht voor haar rekening gelaten. Daarbij is van belang dat, zoals uit het bovenstaande volgt, op degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag de verplichting rust een deugdelijke administratie bij te houden.

4.3. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht de aanvraag heeft toegerekend aan [appellante]. Ook volgt uit het voorgaande dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang volledig heeft betaald.

Het betoog faalt.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

5. Tenslotte betoogt [appellante] dat door de rechtbank ten onrechte is beslist dat de Belastingdienst/Toeslagen het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet heeft geschonden. Zij voert hiertoe aan dat de motivering in het bestreden besluit onjuist is, nu daarin ten onrechte wordt gesteld dat zij de maandelijkse facturen via het gastouderbureau zou hebben ontvangen, en dat zij bankafschriften waaruit blijkt dat zij de eigen bijdragen betaald heeft, in eigen bezit zou hebben.

Ook had het volgens [appellante] op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen gelegen haar op de hoogte te stellen van de wettelijke vereisten voor het verkrijgen van kinderopvangtoeslag, zoals het betalen van een eigen bijdrage.

5.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen door het onjuist weergeven van de bewoordingen van [appellante] in haar bezwaarschrift, in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft gehandeld. Daarbij is van belang dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat uit het bestreden besluit duidelijk blijkt op welke gronden de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van [appellante] ongegrond heeft verklaard, namelijk dat zij geen bewijzen van de betaalde kinderopvang over het jaar 2010 heeft overgelegd.

5.2. Wat betreft het betoog van [appellante] over de informatieverstrekking, volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.2 dat op de degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag de verplichting rust een deugdelijke administratie bij te houden. Dit leidt er voorts toe dat het betoog van [appellante] dat de Belastingdienst/Toeslagen wat betreft de informatieverstrekking over het betalen van een eigen bijdrage tekort is geschoten, faalt. Ook zonder voorlichting van de Belastingdienst/Toeslagen had [appellante] moeten begrijpen dat zij als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, aan de wettelijke vereisten daartoe had moeten voldoen.

5.3. De betogen falen.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Jager, griffier.

w.g. Steendijk w.g. De Jager

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

704.