Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
201503481/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:1921, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om kennisname van gegevens die ten grondslag liggen aan een bibob-advies (hierna: brongegevens) gedeeltelijk afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet politiegegevens
Wet politiegegevens 1
Wet politiegegevens 25
Wet justitiële gegevens
Wet justitiële gegevens 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/116 met annotatie van B. van der Vorm
Gst. 2016/67 met annotatie van F.A. Pommer
Module Privacy en persoonsgegevens 2017/1169
JBP 2016/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503481/1/A3.

Datum uitspraak: 10 februari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats] onderscheidenlijk [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 april 2015 in zaak nr. 15/206 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om kennisname van gegevens die ten grondslag liggen aan een bibob-advies (hierna: brongegevens) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 23 december 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2015 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2015, waar [appellant A], mede namens [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T.J. Sterkenburg, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verantwoordelijke:

bij:

1°. de politie: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

2°. de rijksrecherche: het College van procureurs-generaal;

3°. de Koninklijke marechaussee: de minister van Defensie;

4°. een gemeenschappelijke verwerking van politiegegevens met het oog op een gemeenschappelijk doel door twee of meer organisaties als bedoeld in dit onderdeel: de verantwoordelijke die door de betrokken verantwoordelijken is belast met de feitelijke zorg voor de verwerking en het treffen van de maatregelen, bedoeld in artikel 4.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, deelt de verantwoordelijke een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens verwerking ondergaan.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) deelt de minister van Justitie een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende justitiële gegevens verwerking ondergaan.

2. Bij drie brieven van 28 oktober 2013 hebben [appellant A] en [appellant B] de burgemeesters van Veldhoven, Eindhoven en Eersel verzocht om kennisname van de brongegevens. De burgemeesters van Veldhoven en Eindhoven hebben de brief doorgestuurd naar de onder het Ministerie van Veiligheid en Justitie vallende Dienst Justis.

Bij het besluit van 2 oktober 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant A] en [appellant B] op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wbp gedeeltelijk ingewilligd. Kennisneming van de brongegevens die zijn neergelegd in de hierna genoemde documenten heeft hij geweigerd, voor zover hierop de Wpg en de Wjsg van toepassing zijn. Artikel 25, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 18, eerste lid, van deze wetten voorzien in een eigen regeling inzake kennisneming, die derogeert aan de Wbp.

Bij [appellant A] gaat het om:

- informatie over geldtransacties, afkomstig van de FIU-NL;

- Uittreksel Justitiële Documentatie;

- ongedateerd proces-verbaal, afkomstig van de FIOD;

- proces-verbaal van 1 maart 2011, afkomstig van de Regiopolitie Brabant Zuidoost Criminele Inlichtingen Eenheid;

en bij [appellant B] om:

- informatie over geldtransacties, afkomstig van de FIU-NL;

- Uittreksel Justitiële Documentatie;

- proces-verbaal van 4 september 2008, afkomstig van de FIOD.

3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de brongegevens alsnog naar de rechtbank te zenden. De brongegevens zijn op de zaak betrekking hebbende stukken en ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient de staatssecretaris dergelijke stukken aan de bestuursrechter te zenden. De omstandigheid dat zij van de brongegevens geen kennis mogen nemen nu op deze stukken een geheimhoudingsplicht rust, maakt niet dat de staatssecretaris niet gehouden was deze stukken naar de rechtbank te zenden. De staatssecretaris had de bestuursrechter immers met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen mededelen dat alleen hij kennis zal mogen nemen van de brongegevens, aldus [appellant A] en [appellant B].

3.1. Niet in geschil is dat de brongegevens op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en dat de staatssecretaris deze stukken niet naar de rechtbank heeft verstuurd. De rechtbank heeft aan haar oordeel dat geen aanleiding bestaat de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen de brongegevens alsnog naar haar te zenden, ten grondslag gelegd dat volgens de staatssecretaris de Wpg onderscheidenlijk de Wjsg op de brongegevens van toepassing is en de staatssecretaris gebonden is aan de in die wetten neergelegde geheimhoudingsplicht. Kennisneming van de brongegevens laat die geheimhoudingsplicht onverlet, aldus de rechtbank.

Nu de rechtbank echter geen kennis heeft genomen van de brongegevens, heeft zij niet kunnen vaststellen of op deze gegevens daadwerkelijk de Wpg onderscheidenlijk de Wjsg van toepassing is. Voor zover de rechtbank voorts aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de brongegevens een omvang van vijftien multomappen hebben, zij opgemerkt dat de hoeveelheid stukken, nog daargelaten dat volgens de staatssecretaris slechts enkele documenten in de multomappen op [appellant A] en [appellant B] betrekking hebben, geen grond is om de toepassing van artikel 8:29, eerste en derde lid, van de Awb achterwege te laten.

Het betoog slaagt.

4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er voor de staatssecretaris geen aanleiding was om hen kennis te laten nemen van de brongegevens.

4.1. De burgemeesters van Veldhoven en Eindhoven hebben het verzoek van [appellant A] en [appellant B], zoals hiervoor overwogen, doorgestuurd naar de Dienst Justis. Bij deze dienst is er kennelijk voor gekozen om het verzoek aan te merken als een Wbp-verzoek, welk verzoek door de staatssecretaris gedeeltelijk is ingewilligd. De Afdeling heeft na kennis te hebben genomen van de brongegevens vastgesteld dat op de twee Uittreksels Justitiële Documentatie (hierna: Uittreksels) de Wjsg van toepassing is en op de overige in geding zijnde brongegevens de Wpg.

4.2. De staatssecretaris heeft in het besluit van 23 december 2014 weliswaar terecht vastgesteld dat deze wetten een eigen regeling inzake kennisneming kennen, maar dat laat onverlet dat geen van die wetten voorziet in een absoluut verbod op verstrekking. Nu bovendien het verzoek niet specifiek was gebaseerd op de Wbp, heeft de staatssecretaris niet met deze vaststelling mogen volstaan. Hij, dan wel de minister, had, al naar gelang hun bevoegdheden, moeten beoordelen in hoeverre het mogelijk was [appellant A] en [appellant B] met toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Wpg onderscheidenlijk artikel 18, eerste lid, van de Wjsg kennis te laten nemen van de brongegevens. Voor zover het verzoek betrekking heeft op stukken waarvoor de staatssecretaris noch de minister verantwoordelijkheid draagt, had het verzoek moeten worden doorgezonden naar het verantwoordelijke bestuursorgaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Hetgeen [appellant A] en [appellant B] overigens hebben aangevoerd, onder meer over vaststellingsovereenkomsten, artikel 17 van het EVRM, de artikelen 13 en 15 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, een verplichting om in bibob-adviezen te vermelden op welke wijze kennis kan worden genomen van niet in het advies opgenomen gegevens die desondanks daaraan wel ten grondslag hebben gelegen, heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het besluit van 23 december 2014 en faalt reeds daarom.

6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Dit betoog faalt reeds omdat [appellant A] en [appellant B] niet met objectieve stukken aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden. Het in hoger beroep herhaalde verzoek om schadevergoeding dient om dezelfde reden te worden afgewezen.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 december 2014 alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

8. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op het door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 april 2015 in zaak nr. 15/206;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 december 2014, kenmerk 600934;

V. bepaalt dat tegen het nieuwe besluit op het door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan [appellant A] en [appellant B] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016

176-816.