Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201508561/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2015 heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Gemeentewet
Wetboek van Strafrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1079
ABkort 2016/386

Uitspraak

201508561/1/A1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 oktober 2015 in zaak nr. 15/2592 in het geding tussen:

[appellante]

en

de algemeen directeur (lees: de directie) van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2015 heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.N. Huisman, advocaat te Groningen, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 april 2015 genomen naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) van de korpschef van politie van 2 april 2015. Hierin is vermeld dat het vermoeden bestaat dat [appellante] niet langer beschikt over de rijvaardigheid, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen van categorie B, omdat uit de bij [appellante] op 27 maart 2015 afgenomen blaastest volgt dat het ademalcoholgehalte van [appellante] 1.000 µg/l was. Het proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2015, het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 27 maart 2015, het proces-verbaal van verhoor van getuige van 27 maart 2015 en het mutatierapport van 1 april 2015 maken deel uit van de mededeling.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs heeft gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs, te weten het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 27 maart 2015 en de bij haar afgenomen alcoholtest. In dat verband stelt [appellante] zich op het standpunt dat de dienstdoende politieambtenaren haar huisrecht hebben geschonden, welk fundamenteel recht wordt beschermd door artikel 12 van de Grondwet en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), omdat deze politieambtenaren de woning op het recreatiepark waar zij verbleef hebben betreden zonder haar toestemming en zonder een daartoe strekkende machtiging. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vraag of het bewijs strafrechtelijk gezien onrechtmatig is verkregen in een bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde is. Juist wanneer grondrechten in het geding zijn, in dit geval de schending van het huisrecht, dient naar het gehele rechtssysteem te worden gekeken en niet naar een verdeling in rechtsgebieden, aldus [appellante].

2.1. De relevante bepalingen van het EVRM, de Grondwet, de WVW 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4132), bestaat er geen rechtsregel die ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs en is in het administratiefrechtelijk geding zodanig bewijs slechts dan niet toegestaan indien het is verkregen op een wijze, die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daargelaten het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, is, gelet op het hiernavolgende, er geen grond voor het oordeel dat het gebruik van het door [appellante] bedoelde bewijs in dit geval ontoelaatbaar moet worden geacht.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643, heeft overwogen, zijn er drie mogelijke redenen voor bewijsuitsluiting door de strafrechter. Volgens dit arrest kan het tot de taak van de strafrechter behoren bewijsuitsluiting op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toe te passen (i) indien dat noodzakelijk is ter verzekering van het recht van de verdachte op een behoorlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM, (ii) in gevallen waarin artikel 6 van het EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, en waarin een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, en uitsluiting van het als gevolg daarvan verkregen bewijs noodzakelijk is als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overstemming met de voorgeschreven norm. Een dergelijke toepassing van bewijsuitsluiting als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden, kan in beeld komen als sprake is van een vormverzuim dat resulteert in een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte, en (iii) in andere gevallen indien sprake is van de - zeer uitzonderlijke - situatie dat het desbetreffende vormverzuim een structureel karakter heeft en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen.

De Afdeling acht deze jurisprudentie van de Hoge Raad ook van toepassing op het voorliggende geval. De Afdeling constateert op de eerste plaats dat het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM op zichzelf niet is geschonden. Evenmin doet zich de tweede in het arrest genoemde situatie voor. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de verbalisanten de woning zijn binnengetreden, omdat [appellante] zich tegen haar aanhouding verzette. Het binnentreden van de woning hield geen verband met het onderzoek naar het ademalcoholgehalte van [appellante]. Dat onderzoek heeft niet in de woning plaatsgevonden, maar op het politiebureau. Uit de feiten en omstandigheden blijkt voorts niet dat het betreffende onderzoek op zichzelf onzorgvuldig of anderszins onrechtmatig is verricht, wat ook niet wordt betwist. De in voormeld arrest genoemde derde - zeer uitzonderlijke - situatie doet zich evenmin voor.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het bewijs, waarop het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs is gebaseerd, niet vergaard met of bij het binnentreden van de woning, hetgeen betekent dat het beroep van [appellante] op de artikelen 8 van het EVRM en 12 van de Grondwet in verband met het binnentreden van de woning, wat daar ook van zij, de rechtmatigheid van het besluit van 18 juni 2015 niet kan raken.

De conclusie is dat zich niet de situatie voordoet dat het CBR het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs heeft gebaseerd op bewijs dat ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR, gelet op het aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 april 2015 ten grondslag gelegde bewijs, niet mocht overgaan tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en het schorsen van haar rijbewijs. Daartoe voert zij aan dat het proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2015 daarvoor onvoldoende is, omdat dat is opgetekend door verbalisanten die haar niet zelf hebben zien rijden. Het proces-verbaal van verhoor van getuige van 27 maart 2015 is eveneens onvoldoende om dat besluit te dragen, aldus [appellante].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1788), mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:843), dient voor het opleggen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig, voor het CBR op basis van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid vast komen te staan dat betrokkene onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.

3.2. Uit de processen-verbaal van 27 en 28 maart 2015 volgt dat een getuige op 27 maart 2015 omstreeks 17:13 uur een melding heeft gedaan van een slingerende auto, te weten een grijze Citroën met het kenteken [..-..-..], die meerdere malen in de berm terechtkwam, alsmede dat deze getuige een signalement heeft gegeven van de bestuurster van de betreffende auto. Dit signalement kwam overeen met het signalement van de persoon die de verbalisanten aantroffen bij de woning op het recreatieterrein, [appellante]. [appellante] is op het politiebureau door de getuige aangewezen als bestuurster van de betreffende auto. De door de verbalisanten bij de woning aangetroffen auto kwam overeen met de door de getuige gegeven omschrijving van de door hem gevolgde auto. Verder hebben de verbalisanten op 27 maart 2015 omstreeks 17:45 uur geconstateerd dat uit de roosters van deze auto warme lucht kwam, hetgeen kan duiden op recent gebruik van de auto. Voorts volgt uit de processen-verbaal dat [appellante] naar alcohol riekte en onvast ter been was en wazig uit haar ogen keek.

Het standpunt van [appellante] dat de warme lucht uit de roosters van de auto kan worden verklaard doordat de auto enkele meters zou zijn verplaatst, kan niet worden gevolgd, nu het onwaarschijnlijk is dat het enkele meters verplaatsen van de auto met zich brengt dat minuten later nog warme lucht wordt weergenomen. Het CBR heeft zich, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellante] opgegeven alcoholinname van 3 tot 4 glazen wijn, niet overeenkomt met het geconstateerde ademalcoholgehalte van 1.000 µg/l, zodat aan de door haar aan de politie gegeven verklaring over de alcoholinname kan worden getwijfeld. Dat niet door de verbalisanten zelf is geconstateerd dat [appellante] onder invloed van alcohol haar auto heeft bestuurd, is, anders dan [appellante] stelt, niet van belang, omdat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3027), uit de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften niet voortvloeit dat het desbetreffende genoemde ademalcoholgehalte moet zijn geconstateerd tijdens het besturen van een motorvoertuig.

Gelet op de processen-verbaal van 27 en 28 maart 2015, het mutatierapport van 1 april 2015, alsmede de uitslag van de bij [appellante] afgenomen ademalcoholtest, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het CBR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat [appellante] niet langer beschikte over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een motorrijtuig, en is het CBR terecht overgegaan tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en het schorsen van het rijbewijs van [appellante].

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Slump w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

531-776.

BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1 Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2 Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Grondwet

Artikel 12

1 Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1 Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Artikel 131

1 Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,

b. oplegging van een alcoholslotprogramma, of

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 5

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

a. t/m i. (…);

j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

k. t/m p. (…).

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd, het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.

Artikel 23

Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

b. t/m e. (…).