Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2826

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201509270/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2015 heeft het CBR [appellant] een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: LEMA) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/384

Uitspraak

201509270/1/A1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2015 in zaak nr. 15/4449 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2015 heeft het CBR [appellant] een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: LEMA) opgelegd.

Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te Den Haag, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. drs. M.M. Kleijbeuker, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is op 15 februari 2015 door de politie aangehouden. Bij het vervolgens bij hem afgenomen ademalcoholonderzoek is een hoger ademalcoholgehalte geconstateerd dan een beginnende bestuurder van een motorrijtuig is toegestaan. De politie heeft hiervan mededeling gedaan aan het CBR. Het CBR heeft [appellant] een LEMA opgelegd. [appellant] is het niet eens met deze maatregel, omdat hij vindt dat de LEMA niet in verhouding staat tot de nadelige gevolgen die hij daarvan ondervindt.

2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wvw is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het een ieder verboden een voertuig te besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem hoger is dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder b, besluit het CBR tot oplegging van een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, maar lager is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰.

In bijlage 1, onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, wordt onder b genoemd dat bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰.

3. Niet in geschil is dat bij [appellant] op 15 februari 2015 een ademalcoholgehalte van 270 µg/l is geconstateerd en dat hij met dit geconstateerde ademalcoholgehalte, dat hoger is dan vermeld in artikel 7, aanhef en onder b, van de Regeling, een auto heeft bestuurd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR verplicht was om de LEMA op te leggen en geen beleidsvrijheid of beoordelingsruimte heeft om belangen af te wegen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank miskend dat de LEMA als een "criminal charge" in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) moet worden aangemerkt. Zij heeft voorts miskend dat artikel 7, aanhef en onder b, van de Regeling wegens strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel onverbindend is en heeft ten onrechte overwogen dat de door hem ter zake gemaakte vergelijking met de jurisprudentie van de Afdeling over het alcoholslotprogramma (hierna: asp) niet opgaat. Volgens [appellant] zijn de kosten van de LEMA voor hem onevenredig hoog en wordt de financiële draagkracht ten onrechte niet meegewogen.

4.1. Vast staat dat bij [appellant] in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een bloedalcoholgehalte van 270 µg/l is geconstateerd. Gelet daarop was het CBR ingevolge artikel 7, aanhef en onder b, van de Regeling gehouden om [appellant] een LEMA op te leggen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarbij voor het CBR geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. De rechtbank heeft aansluiting kunnen zoeken bij de jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot het opleggen van een educatieve maatregel (hierna: EMA) en heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3747 en ECLI:NL:RVS:2012:BY3732, overwogen dat het opleggen van een LEMA, evenals het opleggen van een EMA, anders dan [appellant] betoogt, geen "criminal charge" in de zin van artikel 6 van het EVRM is. Voor het oordeel dat artikel 7, aanhef en onder b, van de Regeling wegens strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel onverbindend is bestaat evenmin grond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de in dat kader door [appellant] gemaakte vergelijking met het asp en de uitspraak van de Afdeling ter zake van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622, niet opgaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, uitspraak van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1792, is de EMA een aanzienlijk lichtere maatregel dan het asp. Dat geldt temeer voor de lichte variant van de EMA waar het in deze zaak om gaat. Verder wordt in aanmerking genomen dat de jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot het opleggen van een EMA zoals neergelegd in voornoemde uitspraken van 21 november 2012 na de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 niet is gewijzigd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2687, en 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2016.

De conclusie is dat de rechtbank met juistheid tot het oordeel is gekomen dat het CBR, gelet op artikel 7, aanhef en onder a, van de Regeling, gelezen in samenhang met de artikelen 130 en 131 van de Wvw 1994, [appellant] terecht de verplichting heeft opgelegd mee te werken aan een LEMA.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

580.