Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201507822/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 7 augustus 2015 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het mogen gebruiken van het pand [locatie] te Drachten (hierna: het perceel) als bedrijfsverzamelgebouw. Tevens heeft [appellant] de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201507822/1/A1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam PiRoRi, wonend te Drachten, gemeente Smallingerland,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 3 september 2015 in zaak nrs. 15/2994 en 15/3001 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland.

Procesverloop

Bij brief van 7 augustus 2015 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het mogen gebruiken van het pand [locatie] te Drachten (hierna: het perceel) als bedrijfsverzamelgebouw. Tevens heeft [appellant] de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij mondelinge uitspraak van 3 september 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2016, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Wiersma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft het college en de gemeenteraad bij brief van 18 maart 2013 verzocht om toestemming voor het openen van een bedrijfsverzamelgebouw voor startende ondernemers op het perceel.

In een emailbericht van 4 april 2013 van bedrijfscontactfunctionaris R. Beekhuizen-Dais van de gemeente, gericht aan [appellant], dat met dit verzoek verband houdt, staat het volgende: "Dag […], zou je via een mailtje aan Wiebe Jan Dijk (of via mij) willen aangeven dat je brief bedoeld is als principeverzoek. Ik begreep vanochtend dat het niet als vergunningaanvraag is bedoeld." De bedrijfscontactfunctionaris verwijst in dit emailbericht verder naar een door haar meegezonden emailbericht over het verzoek, afkomstig van de afdeling Ruimtelijke Ordening van de gemeente, waarin wordt vermeld dat het initiatief in strijd is met het bestemmingsplan wanneer het gaat om zelfstandige kantoren en dat voor dergelijke initiatieven een principeverzoek kan worden gedaan, waarna dat zal worden voorgelegd aan het college.

Namens [appellant] is daarop op 9 april 2013 een emailbericht aan W.J. Dijk van de gemeente toegezonden, waarin onder meer het volgende wordt vermeld: "Geachte heer Dijk, volgens afspraak met mevrouw R. Beekhuizen komen wij nog even terug op ons schrijven van 18 maart jongstleden betreffende het verzoek tot het opstarten van een bedrijvenverzamelgebouw t.b.v. startende ondernemers." Nadat [appellant] daarop kort de (verhuur)geschiedenis van het pand op het perceel beschrijft, waaruit volgt dat hij een nieuwe exploitatiemogelijkheid voor het pand zoekt, besluit hij zijn bericht met het volgende: "Wij willen daarom een principeverzoek doen voor het opstarten van een bedrijvenverzamelgebouw. (…). Graag vernemen wij uw reactie".

De ontvangst van de email van [appellant] van 9 april 2013 is namens het college bij brief van 10 april 2013 bevestigd. Daarin wordt vermeld: "Op 9 april 2013 hebt u verzoek om vooroverleg omgevingsvergunning bij ons ingediend voor het realiseren van kantoorruimte in strijd met het bestemmingsplan op de locatie [locatie] in Drachten. U ontvangt van ons zo spoedig mogelijk een brief waarin u wordt geïnformeerd over uw plan."

Bij brief van 27 juni 2013 is [appellant] vervolgens namens het college het volgende bericht:

"In april heeft u het college verzocht planologische medewerking te verlenen aan een bedrijvenverzamelgebouw voor startende ondernemers aan de [locatie] te Drachten. Uw verzoek is opgevat als een verzoek om informatie.

(…).

Om bovenstaande redenen heeft het college op 24 juni 2013 het besluit genomen geen medewerking te verlenen aan uw verzoek om de [locatie] te gebruiken als kantoorgebouw.

Tegen deze brief staat geen bezwaar of beroep open. Mocht u hier toch gebruik van willen maken, dan dient u hiertoe eerst een formeel verzoek tot omgevingsvergunning of herziening van het bestemmingsplan in te dienen. In dat geval zijn wij op basis van genoemde motieven voornemens geen planologische medewerking te verlenen. (…)."

2. Bij brief gedateerd op 16 juli 2014, bij het college ingekomen op 17 juli 2015, heeft [appellant] het college in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 18 maart 2013. Bij deze brief heeft hij het college tevens verzocht om binnen twee weken over te gaan tot het bekend maken van de volgens hem in verband daarmee van rechtswege verleende vergunning.

Het college heeft zich daarop in een brief van 28 juli 2015 op het standpunt gesteld dat geen vergunning van rechtswege is ontstaan, omdat er geen aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dit standpunt van het college bevestigd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat op zijn aanvraag van 18 maart 2013 van rechtswege een vergunning is verleend. Deze aanvraag betrof een formeel en concreet verzoek aan het college om planologische medewerking om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik mogelijk te maken. [appellant] stelt dat hij deze formele aanvraag niet heeft ingetrokken en er dus een besluit op had moeten volgen. Nu dit niet is gebeurd, is van rechtswege een vergunning ontstaan. Dat de aanvraag ondanks de email van [appellant] van 9 april 2013 nog voorlag, blijkt volgens hem ook reeds uit de omstandigheid dat de rechtbank heeft overwogen dat hij het college er, na de brief van 27 juni 2013, nog op had kunnen wijzen dat dit het geval was. Het emailbericht van 9 april 2013 moet volgens [appellant] worden beschouwd als aanvullend op de aanvraag van 18 maart 2013, en niet als een wijziging of een intrekking daarvan.

3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college uit het namens [appellant] aan W.J. Dijk van de gemeente verstuurde emailbericht van 9 april 2013 heeft mogen afleiden dat het op 18 maart 2013 ingediende verzoek als een zogenoemd principeverzoek en niet als een daadwerkelijke aanvraag om omgevingsvergunning was te beschouwen. Indien de brief van [appellant] van 18 maart 2013 al als een aanvraag was bedoeld, kan de wijziging daarvan in een principeverzoek worden afgeleid uit de email van 9 april 2013. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] in de email van 9 april 2013 zoals hij stelt, "terugkomt op zijn verzoek van 18 maart jongstleden (…)", en hij dat doet onder uitdrukkelijke verwijzing naar de afspraak die hij voorafgaand aan de email van 9 april 2013 over het verzoek met mevrouw Beekhuizen heeft gemaakt. Mevrouw Beekhuizen heeft volgens haar eerdergenoemde email van 4 april 2013 uit voorafgaand mondeling overleg met [appellant] geconcludeerd dat zijn verzoek van 18 maart 2013 niet als een vergunningaanvraag is bedoeld maar als een principeverzoek, waarop zij [appellant] heeft gevraagd dit per mail via haarzelf of de heer Dijk aan het college te bevestigen. De strekking van het emailbericht van [appellant] van 9 april 2013 is hiermee geheel in overeenstemming. Het college heeft er daarom vanuit mogen gaan dat, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, er in ieder geval na de email van [appellant] van 9 april 2013 geen formele aanvraag (meer) voorlag.

Dat, zoals [appellant] betoogt, de rechtbank heeft overwogen dat hij het college er na de brief van 27 juni 2013 nog op had kunnen wijzen dat er naar zijn mening nog wel een formele aanvraag voorlag waarop besloten moest worden, maakt dit niet anders. Daarmee heeft de rechtbank niet geoordeeld dat dit het geval was, maar dat, indien dit naar de mening van [appellant] het geval was, het op zijn weg had gelegen dit destijds bij het college kenbaar te maken. Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken, waarbij ook de email van Beekhuizen van 4 april 2013 en de ontvangstbevestiging van het college van 10 april 2013 [appellant] daartoe kennelijk geen aanleiding hebben gegeven, heeft de rechtbank dit, anders dan [appellant] betoogt, terecht van belang geacht.

4. De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat geen van rechtswege verleende vergunning is ontstaan.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

641.