Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2817

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201506958/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2015, kenmerk 1428024, heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwende-Zuid - Kerkgebouw" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1089

Uitspraak

201506958/1/R4.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Hendrik-Ido-Ambacht,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Hendrik-Ido-Ambacht,

en

de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2015, kenmerk 1428024, heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwende-Zuid - Kerkgebouw" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 4 april 2016, kenmerk 1575683, heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwende-Zuid - Kerkgebouw" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zienswijzen naar voren gebracht over het besluit van 4 april 2016.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2016, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. D.N.J. van Horssen, [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. J.A.P. Luijendijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, werkzaam bij het Juridisch Kenniscentrum Drechtsteden, W. Kamp, werkzaam bij de gemeente, ing. R. Wegener, werkzaam bij Bureau Kuiper Compagnons, en ir. A.G.M. Born, werkzaam als architect, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Gereformeerde Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht (hierna: Gereformeerde Gemeente), vertegenwoordigd door T.A. Stoop, J. Hovestadt en G. de Bot, allen lid van de stuurgroep huisvesting nieuwe kerk, gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het geschil

2. Het bestemmingsplan "Zuidwende-Zuid - Kerkgebouw" maakt de realisatie van een nieuw kerkgebouw met maximaal 2000 zitplaatsen voor de Gereformeerde Gemeente mogelijk op de hoek van de Ambachtsezoom en de Krommeweg te Hendrik-Ido-Ambacht. Daartoe is aan een groot deel van het plangebied de bestemming "Maatschappelijk" toegekend.

2.1. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] te Hendrik-Ido-Ambacht. Dit perceel grenst aan het noordwestelijke deel van het plangebied. [appellant sub 1] heeft plannen om op zijn perceel drie nieuwe woningen te bouwen. Het kerkgebouw is voorzien op een afstand van 15 meter van het perceel van [appellant sub 1]. [appellant sub 1] vreest dat door de komst van het kerkgebouw de waarde van zijn grond en de ontwikkelwaarde van de op zijn perceel te realiseren woningen zullen dalen en dat het woon- en leefklimaat te zeer wordt aangetast.

[appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 2], dat aan het noordoostelijk deel van het plangebied grenst. Het kerkgebouw is voorzien op een afstand van ongeveer 38 meter van het perceel van [appellant sub 2]. Tussen het kerkgebouw en het perceel van [appellant sub 2] zijn parkeerplaatsen voorzien. Ook [appellant sub 2] vreest dat zijn woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast door de realisatie van het kerkgebouw met het daarbij behorende parkeerterrein.

2.2. De raad heeft naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3714, op 4 april 2016 besloten om het plan opnieuw, gewijzigd, vast te stellen. De wijzigingen houden onder meer in dat in de planregels bepalingen voor een geluidwerende afscherming ten behoeve van het perceel [locatie 2] en voor het aanleggen van 300 parkeerplaatsen zijn opgenomen, dat de aanduidingen "parkeerterrein" en "fietsenstalling" van de verbeelding zijn verwijderd en de aanduiding "geluidscherm" is toegevoegd. Verder zijn enkele paragrafen van de plantoelichting aangepast en is een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting op de woning op het perceel [locatie 2] aan het Bijlagenboek toegevoegd.

2.3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2.4. Met het besluit van 4 april 2016 heeft de raad het besluit van 6 juli 2015 vervangen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Omdat het plan bij besluit van 4 april 2016 geheel opnieuw is vastgesteld, worden de beroepen in het kader van dit besluit besproken.

Het besluit van 4 april 2016

Begripsbepaling

3. [appellant sub 2] voert aan dat in de planregels ten onrechte geen omschrijving van het begrip "levensbeschouwelijke en/of religieuze voorzieningen" is opgenomen. Daardoor is volgens hem onduidelijk wat met deze voorzieningen wordt bedoeld.

3.1. De raad acht een nadere omschrijving van het begrip "levensbeschouwelijke en/of religieuze voorzieningen" in artikel 1 van de planregels niet noodzakelijk, omdat hij niet verwacht dat de omschrijving in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels leidt tot onacceptabele gebruiksactiviteiten in het kerkgebouw.

3.2. Vast staat dat het begrip "levensbeschouwelijke en/of religieuze voorzieningen" niet is omschreven in artikel 1 van de planregels. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor levensbeschouwelijke en/of religieuze voorzieningen en daarmee verband houdende voorzieningen. Volgens de nota van zienswijzen betekent dit dat niet alleen kerkdiensten worden gehouden, maar dat de andere ruimten dan de grote kerkzaal gebruikt zullen worden voor onder meer catechisatie-avonden, bijbelcursussen of zangavonden. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bij de uitleg van het begrip "levensbeschouwelijke en/of religieuze voorzieningen" uit artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels niet van de gangbare betekenis van dit begrip kan worden uitgegaan en dat dit tot onduidelijkheid zal leiden. Het betoog faalt.

Situering, omvang en hoogte van het kerkgebouw

4. [appellant sub 1] voert aan dat de voorziene situering van het kerkgebouw, in combinatie met de toegelaten bouwmassa en de bouwhoogte, onaanvaardbare gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat heeft. In dit kader wijst [appellant sub 1] op nieuwbouwplannen voor zijn perceel.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 1]. De raad ontkent niet dat het gebouw een massagrootte krijgt die invloed heeft op de directe omgeving. Volgens de raad past een kerk met deze afmetingen echter binnen de kaders die in de gemeentelijke structuurvisie uit 2009 zijn gesteld. Verder stelt de raad in de nota van zienswijzen dat de locatie door de ligging aan een hoofdontsluitingsweg en een buurtontsluitingsweg geschikt is voor het beoogde kerkgebouw. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat er geen alternatieve locatie beschikbaar is voor de realisatie van de kerk. De hoogte van het kerkgebouw varieert volgens de raad en loopt geleidelijk op. Volgens de raad is de hoogte van ongeveer 8,30 meter aan de zijde van het perceel van [appellant sub 1] vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet onaanvaardbaar, omdat die hoogte niet ongebruikelijk is in woonwijken. Het bouwvlak kan voorts niet verder van het perceel van [appellant sub 1] worden voorzien, omdat het kerkgebouw zo ver mogelijk van de nabijgelegen aardgasleiding moet worden gerealiseerd, aldus de raad.

4.2. Het binnen de bestemming "Maatschappelijk" opgenomen bouwvlak is voorzien op een afstand van ongeveer 15 meter van het perceel aan de [locatie 1]. De afstand tussen de bestaande woning van [appellant sub 1] en het bouwvlak is ongeveer 75 meter. De maximale hoogte van de te realiseren bebouwing is op het deel van het bouwvlak dat het dichtst bij het perceel [locatie 1] ligt beperkt tot 8,5 meter en loopt trapsgewijs op tot 22,5 meter met hoogteaccenten tot 26 meter. Op een klein deel van het bouwvlak, daar waar de kerktoren is beoogd, is een maximale bouwhoogte van 36,5 meter toegestaan. De oppervlakte van het bouwvlak is ongeveer 2.500 m². [appellant sub 1] heeft niet nader onderbouwd waarom de realisatie van een kerkgebouw met deze afmetingen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat. In zijn betoog ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van de realisatie van een kerkgebouw met deze afmetingen niet onaanvaardbaar zijn in deze stedelijke omgeving.

Uit paragraaf 5.13 van de plantoelichting blijkt dat de raad bij de vaststelling van het plan rekening heeft gehouden met het initiatief van [appellant sub 1] voor de bouw van nieuwe woningen op zijn perceel. Volgens de plantoelichting heeft de realisatie van het kerkgebouw niet tot gevolg dat de door [appellant sub 1] gewenste woningbouw niet langer mogelijk is. Hierbij is ingegaan op de gevolgen voor het groepsrisico vanwege de nabijgelegen aardgastransportleiding, de relatie tot de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de gevolgen van het kerkgebouw voor de bezonning van het perceel [locatie 1] en op de hoogte van het kerkgebouw aan de zijde van dat perceel. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het kerkgebouw belemmeringen oplevert voor het realiseren van nieuwe woningen op zijn perceel. Overigens heeft de raad op 4 juli 2016 het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld, dat de realisatie van drie nieuwe woningen op het perceel [locatie 1] mogelijk maakt.

Het betoog faalt.

Parkeren

5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor motorvoertuigen op eigen terrein voor de bezoekers van de kerk, zodat gevreesd moet worden voor parkeeroverlast in de omgeving van het plangebied.

[appellant sub 1] voert in dit verband aan dat de gehanteerde parkeernorm van 0,15 per zitplaats te laag is en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens [appellant sub 1] had de raad moeten aansluiten bij de maximale parkeernorm van 0,2, zoals is opgenomen in CROW-publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (hierna: CROW-publicatie 317). Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat het kerkgebouw uitzonderlijk groot is en een streekfunctie heeft waardoor veel kerkbezoekers met de auto zullen komen. In die zin is de kerk volgens [appellant sub 1] niet vergelijkbaar met de kerken die in de plantoelichting zijn genoemd, omdat die kerken kleiner zijn en in bestaande kernen zijn gerealiseerd, terwijl deze kerk aan de rand van Hendrik-Ido-Ambacht is voorzien.

Voor zover in het plan rekening is gehouden met de mogelijkheid van het zogenoemde "volparkeren" in pieksituaties, waarbij wordt geparkeerd op de rijbaan tussen de bezette parkeerplaatsen in, brengt dit volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] veiligheidsrisico’s met zich. Kerkbezoekers kunnen bij calamiteiten het terrein niet tijdig met de auto verlaten, terwijl het kerkgebouw is voorzien binnen de veiligheidszone van een hogedruk aardgastransportleiding ten zuiden van het plangebied. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verwachten dan ook dat bezoekers van de kerk hun auto in de omgeving van het plangebied zullen parkeren, in plaats van gebruik te maken van de methode van volparkeren als de reguliere parkeerplaatsen bezet zijn.

Verder betoogt [appellant sub 1] dat het plan niet in voldoende fietsparkeerplaatsen voorziet. Volgens [appellant sub 1] hanteert het CROW bij een kerk als fietsparkeerkencijfer 40 fietsparkeerplaatsen per 100 zitplaatsen. Voor dit kerkgebouw betekent dit dat 800 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden, aldus [appellant sub 1]. [appellant sub 1] voert aan dat onduidelijk is of hiervoor voldoende ruimte is gereserveerd.

5.1. In paragraaf 5.2.2 van de plantoelichting staat over parkeren dat het uitgangspunt is dat de komst van het kerkgebouw niet mag leiden tot parkeeroverlast in de omgeving en dat parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein. Volgens de plantoelichting is parkeren op de omliggende wegen vanuit verkeersveiligheidsoogpunt niet gewenst. In de plantoelichting staat verder dat de raad het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft bepaald aan de hand van de kengetallen die zijn opgenomen in de CROW-publicatie 317. Voor een religiegebouw geldt een minimale parkeernorm van 0,1 parkeerplaatsen per zitplaats en een maximale parkeernorm van 0,2 parkeerplaatsen per zitplaats. Het werkelijke aantal benodigde parkeerplaatsen is volgens de plantoelichting onder meer afhankelijk van de ligging van de kerk ten opzichte van de herkomst van de kerkgangers, de bereikbaarheid van de kerk en de gemiddelde bezetting per auto. De raad heeft volgens de plantoelichting een parkeernorm van 0,15 parkeerplaatsen per zitplaats tot uitgangspunt genomen. Dit is gebaseerd op de genoemde aspecten en op een vergelijking met de parkeerbehoefte bij recent gerealiseerde kerkgebouwen in Terschuur, Kesteren en Ouderkerk aan den IJssel. Uitgaande van maximaal 2000 zitplaatsen in de voorziene kerk bedraagt de totale parkeerbehoefte 300 parkeerplaatsen. De raad stelt dat op het eigen terrein van de voorziene kerk in de benodigde 300 parkeerplaatsen kan worden voorzien en verwijst daarbij naar een situatieschets waarop die parkeerplaatsen zijn ingetekend. Volgens de plantoelichting biedt het plan daarnaast de mogelijkheid om extra parkeerplaatsen te creëren door middel van volparkeren, waarbij met behulp van verkeersregelaars het terrein systematisch wordt gevuld en auto’s worden geparkeerd op de rijbanen tussen de bezette parkeerplaatsen in. Hiermee kunnen in noodsituaties 79 extra parkeerplaatsen worden benut, aldus de plantoelichting. Volgens de plantoelichting is volparkeren uitsluitend toegestaan op de rijbanen aan de zuidkant van het terrein waar geen kruismarkering is opgenomen.

5.2. Aan de gronden waarop het beoogde kerkgebouw is voorzien en de omliggende gronden is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder b, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden onder meer bestemd voor parkeervoorzieningen en fietsenstallingen.

Ingevolge lid 4.4.2 dienen binnen de bestemming "Maatschappelijk" minimaal 300 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd.

5.3. In de eerste plaats is in geschil of de raad in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een parkeernorm van 0,15 parkeerplaatsen per zitplaats. Hierover overweegt de Afdeling het volgende. In CROW-publicatie 317 is voor een religiegebouw een parkeerkencijfer opgenomen van minimaal 0,1 en maximaal 0,2 parkeerplaatsen per zitplaats. Hierbij is geen onderscheid gemaakt tussen stedelijke en niet-stedelijke gebieden en tussen centrumlocaties en locaties in de rest van de bebouwde kom. Als opmerking is hierbij in CROW-publicatie 317 vermeld dat van deze functie alleen globale parkeerkencijfers te geven zijn en dat bij het toepassen van deze cijfers een forse marge in acht moet worden genomen. Zoals onder 5.1 is overwogen heeft de raad daarom een vergelijking gemaakt met de parkeernormen die bij andere kerkgebouwen zijn gehanteerd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze kerken wat betreft de ligging vergelijkbaar zijn met de te realiseren kerk. Daarnaast heeft de Gereformeerde Gemeente ter zitting toegelicht dat vrijwel alle kerkgangers uit Hendrik-Ido-Ambacht afkomstig zijn en dat de kerk daardoor geen streekfunctie zal hebben. Zowel de nabijgelegen plaatsen Zwijndrecht als Alblasserdam hebben een eigen gereformeerde kerk, zodat het niet in de rede ligt dat mensen uit die plaatsen de nieuwe kerk zullen bezoeken. Verder betekent de herkomst van kerkbezoekers uit Hendrik-Ido-Ambacht zelf, dat zij veelal met de fiets of lopend zullen komen, hetgeen vanuit de Gereformeerde Gemeente ook gestimuleerd zal worden. Verder heeft de Gereformeerde Gemeente er ter zitting op gewezen dat de bezettingsgraad per auto relatief hoog zal zijn, omdat de kerk veelal door grote gezinnen wordt bezocht. Tellingen bij de huidige Petrakerk in de dorpskern hebben volgens de Gereformeerde Gemeente uitgewezen dat bij slecht weer tijdens de zondagse diensten ongeveer 175 auto’s geparkeerd zijn die aan het kerkbezoek te relateren zijn. Hoewel de Gereformeerde Gemeente het niet uitgesloten acht dat in de nieuwe situatie meer mensen gebruik zullen maken van de auto vanwege de verplaatsing van de kerk van het dorpscentrum naar de rand van het dorp, zullen 300 parkeerplaatsen volgens hem zeker voldoende zijn. Gelet op de herkomst van de kerkbezoekers en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid om lopend of per fiets de kerk te bezoeken en de verwachte bezettingsgraad per auto, kan de keuze van de raad om van een parkeernorm van 0,15 parkeerplaatsen per zitplaats uit te gaan, niet onredelijk worden genoemd. Het betoog faalt.

5.4. Niet in geschil is dat de maximale bezetting van de kerk gelet op de in het plan toegestane afmetingen 2000 zitplaatsen is. Het plan voorziet uitgaande van die maximale bezetting en een parkeernorm van 0,15 parkeerplaatsen per zitplaats in voldoende reguliere parkeerplaatsen. Op grond van artikel 4, lid 4.4.2, van de planregels moeten immers 300 parkeerplaatsen gerealiseerd worden op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk". Ter zitting heeft de raad toegelicht dat daarnaast rekening is gehouden met de methode van volparkeren. Omdat met die methode 79 extra parkeerplaatsen gecreëerd kunnen worden, kan een parkeernorm van 0,19 parkeerplaatsen per zitplaats bij pieksituaties worden behaald. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat wanneer deze methode wordt toegepast, toch buiten het parkeerterrein in hun straat geparkeerd zal worden omdat men direct na de dienst wil kunnen vertrekken. Dit geldt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te meer omdat het parkeerterrein binnen de veiligheidszone van een aardgastransportleiding ligt. Ter zitting hebben de raad en de Gereformeerde Gemeente toegelicht dat de methode van volparkeren een beproefde methode is bij nieuwe kerkgebouwen, bijvoorbeeld in Gouda. Deze methode is bij kerken in de praktijk goed toepasbaar gebleken volgens de raad, omdat bezoekers van een kerkdienst vrijwel gelijktijdig arriveren en weer weggaan. De Gereformeerde Gemeente heeft ter zitting gesteld verkeersregelaars in te zullen zetten om het volparkeren in goede banen te leiden. Verder wordt deze methode bij kerken volgens de raad vaker gebruikt, omdat een kerk met name op zondag wordt bezocht en het onwenselijk is om een groot, maar veelal leeg, parkeerterrein te realiseren. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat volparkeren in dit geval geen bruikbare methode in pieksituaties kan zijn. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat kerkbezoekers geen gebruik zullen maken van het parkeerterrein als de methode van volparkeren wordt toegepast, maar in dat geval in hun straat zullen parkeren. Hetgeen zij hebben aangevoerd over de aardgastransportleiding, doet niet ter zake omdat vaststaat dat in dit verband aan de veiligheidsnormen is voldaan. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeerhinder nabij de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Het betoog faalt.

5.5. Over het betoog dat niet in voldoende fietsparkeerplaatsen is voorzien, overweegt de Afdeling het volgende. In CROW-publicatie 317 zijn fietsparkeerkencijfers opgenomen. Voor een kerk is, zoals [appellant sub 1] heeft aangevoerd, als kencijfer 40 fietsparkeerplaatsen per 100 zitplaatsen opgenomen. Op basis daarvan zouden bij deze kerk 800 fietsen gestald moeten kunnen worden. Op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden onder meer bestemd voor fietsenstallingen. De raad heeft gesteld dat op de gronden met deze bestemming ruimschoots plek is voor 800 fietsparkeerplaatsen, inclusief een systeem van fietsparkeren in twee lagen. De raad heeft een schets overgelegd waarop die fietsopstelplaatsen zijn ingetekend. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervoor onvoldoende ruimte aanwezig is. Het betoog faalt.

Geluid

6. [appellant sub 2] voert aan dat het akoestisch onderzoek gebrekkig is, omdat daarin geen rekening is gehouden met het geluid van stationair draaiende motoren van auto’s, het geluid van optrekkende auto’s en met de weerkaatsing van geluid vanwege de watergang nabij zijn perceel. Ter zitting heeft [appellant sub 2] aangevoerd dat het geluid van optrekkende auto’s en het geluid van het dichtslaan van autoportieren gecumuleerd had moeten worden.

Verder wijst [appellant sub 2] er op dat de geluidbelasting op de gevel van zijn woning toeneemt nu auto’s dichterbij de erfgrens geparkeerd kunnen worden dan in het op 6 juli 2015 vastgestelde plan. Volgens [appellant sub 2] zal een afschermende voorziening met een hoogte van 80 cm geen geluidwerend effect hebben. De toezegging van de raad om geluidmetingen te zullen laten verrichten als het parkeerterrein in gebruik is, is volgens [appellant sub 2] ten onrechte niet vastgelegd in het plan.

6.1. De raad heeft op 4 april 2016 onder meer besloten om het parkeerterrein anders in te delen dan in het op 6 juli 2015 vastgestelde plan, hetgeen inhoudt dat extra parkeerplaatsen worden aangelegd langs de noordoostelijke rand van het parkeerterrein, dat volparkeren op dat deel van het parkeerterrein niet is toegestaan en dat een deel van de fietsparkeerplaatsen hier komt te vervallen. Volgens de plantoelichting leidt deze wijziging van het plan tot een toename van de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 2] op het perceel [locatie 2]. In de notitie "Aanvullend akoestisch onderzoek wijziging parkeerterrein kerk" van Kuiper Compagnons van 1 februari 2016 (hierna: de notitie) is de geluidbelasting vanwege de activiteiten op het parkeerterrein beoordeeld en getoetst aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hieruit is naar voren gekomen dat het maximale geluidniveau afgerond 66 dB(A) bedraagt voor het dichtslaan van portieren en 62 dB(A) voor het optrekken van personenauto’s. Hiermee wordt niet voldaan aan het geluidvoorschrift van 65 dB(A) voor de avondperiode uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Vanwege deze overschrijding is volgens de notitie onderzoek gedaan naar de doelmatigheid van een afschermende voorziening. Daarbij is zowel onderzoek gedaan naar een voorziening op het perceel van de kerk als naar een voorziening op het perceel van [appellant sub 2]. Uit de resultaten blijkt dat met een afschermende voorziening met een hoogte van 0,8 meter en een lengte van 26,6 meter op de rand van het perceel van de kerk kan worden voldaan aan de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 65 dB(A) in de avondperiode. Dit geluidniveau wordt bereikt op de verdieping van de woning van [appellant sub 2], terwijl op de begane grond de geluidbelasting met de afschermende voorziening maximaal 63 dB(A) zal zijn. Als ervoor wordt gekozen een afschermende voorziening op het perceel van [appellant sub 2] te realiseren, dan zou deze volgens de notitie een hoogte moeten hebben van 1,70 meter en een lengte van 20,5 meter om aan de grenswaarde te voldoen. Door de grotere afstand tot de geluidsbronnen wordt het afschermende effect beperkt, aldus de notitie.

6.2. Aan een deel van de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" is tevens de aanduiding "geluidscherm" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder h, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de bouwaanduiding "geluidscherm" bestemd voor een geluidscherm met een minimale hoogte van 0,8 meter ten opzichte van het maaiveld en een lengte van minimaal 26,6 meter.

Ingevolge lid 4.4.1, onder a, wordt als strijdig gebruik aangemerkt: het gebruik van gronden als parkeerterrein, ingeval geen geluidscherm wordt gerealiseerd en gehandhaafd ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm", met dien verstande dat het geluidscherm een minimale hoogte heeft van 0,8 meter ten opzichte van het maaiveld en een lengte van 26,6 meter.

6.3. Uit de notitie blijkt dat met het geluid van stationair draaiende en optrekkende auto’s bij het akoestisch onderzoek rekening is gehouden. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

Voorts is bij het akoestisch onderzoek voor de watergang bodemfactor 0 gehanteerd. Dit is in overeenstemming met de bodemfactor die in paragraaf 2.8 van bijlage III bij het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 is vermeld voor zogenoemde akoestisch "harde" gebieden zoals water. [appellant sub 2] heeft gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat bij het akoestisch onderzoek een onjuist uitgangspunt is gehanteerd in verband met de aanwezigheid van een watergang.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het geluid van optrekkende auto’s en het geluid van het dichtslaan van portieren piekgeluiden zijn, waarbij cumulatie niet aan de orde is. Bij het berekenen van het maximale geluidniveau wordt uitgegaan van de activiteit die het hardste geluid veroorzaakt.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de notitie wat betreft de activiteit op het parkeerterrein gebreken of leemten in kennis bevat. De raad heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit dan ook op deze notitie mogen baseren. Het betoog faalt.

6.4. De notitie bevat voorts bijlagen waarin is weergegeven wat het effect op het maximale geluidniveau van een scherm op de perceelsgrens van de kerk (bijlage 3) en van een scherm op de perceelsgrens van [locatie 2] (bijlage 4) is. Uit bijlage 3 blijkt dat een scherm op het perceel van de kerk met een hoogte van 0,8 meter en een lengte van 26,6 meter leidt tot een verlaging van het maximale geluidniveau vanwege het dichtslaan van portieren tot 64,87 dB(A). Vanwege optrekkende personenauto’s zal volgens bijlage 3 bij de notitie met zo’n scherm een maximaal geluidniveau worden bereikt van 61,36 dB(A). Aldus kan aan de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 65 dB(A) in de avondperiode uit het Activiteitenbesluit milieubeheer worden voldaan. [appellant sub 2] heeft zijn stelling dat de genoemde afschermende voorziening op het perceel van de kerk geen geluidreducerend effect zal hebben vanwege de beperkte hoogte ervan niet nader onderbouwd. Deze enkele stelling is gelet op de resultaten van het verrichte akoestisch onderzoek onvoldoende voor het oordeel dat niet aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan. Het betoog faalt.

6.5. Nu kan worden voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en een afschermende voorziening op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder h, en lid 4.4.1, onder a, van de planregels is gewaarborgd, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding hoeven zien voor het opnemen van een verplichting die inhoudt dat geluidmetingen moeten worden verricht als het parkeerterrein in gebruik is. In zoverre faalt het betoog. Overigens heeft de raad ter zitting toegezegd dat na de ingebruikname van het kerkgebouw geluidmetingen verricht zullen worden om de geluidbelasting vanwege het autoverkeer op het parkeerterrein op de woning van [appellant sub 2] te meten. Als uit die metingen, anders dan uit de gemaakte berekeningen, blijkt dat zich een overschrijding van de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voordoet, dan kunnen volgens de raad passende maatregelen worden getroffen.

Luchtkwaliteit

7. [appellant sub 2] voert aan dat de overlast van stank, roet, stof en fijnstof in zijn tuin op onaanvaardbare wijze zal toenemen, nu de auto’s nog dichterbij de tuin geparkeerd kunnen worden dan in het op 6 juli 2015 vastgestelde plan. Naar de gevolgen van het besluit van 4 april 2016 voor de luchtkwaliteit is volgens [appellant sub 2] ten onrechte geen onderzoek gedaan.

7.1. In paragraaf 5.4 van de plantoelichting is uiteengezet welke gevolgen het plan heeft voor de luchtkwaliteit. In de plantoelichting is verwezen naar de notitie "Luchtkwaliteit bestemmingsplan "Zuidwende-Zuid - Kerkgebouw" van Kuiper Compagnons van 18 mei 2015. [appellant sub 2] voert gelet op de datum van deze notitie terecht aan dat het onderzoek waarvan de resultaten in deze notitie zijn neergelegd geen betrekking kan hebben op het plan zoals dat op 4 april 2016 is vastgesteld. Met de parkeermogelijkheden op een afstand van ongeveer 5 meter van de tuin van [appellant sub 2] is aldus bij het luchtkwaliteitonderzoek geen rekening gehouden. In zoverre is het plan in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

7.2. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende. In opdracht van de raad heeft Kuiper Compagnons een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek verricht dat heeft geresulteerd in een notitie van 7 juli 2016. In de notitie staat dat bij de berekening van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit is uitgegaan van een worstcasesituatie. Dat houdt in dat op het noordelijke deel van het parkeerterrein, waar slechts een deel van de parkeerplaatsen is voorzien, is uitgegaan van een gemiddelde weekdagintensiteit van 204 verkeersbewegingen. Verder is volgens de notitie uitgegaan van 100% stagnerend verkeer, omdat de auto’s het parkeerterrein gelijktijdig zullen verlaten. De jaargemiddelde concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn op de grens van het perceel [locatie 2] en ter plaatse van de woning [locatie 2] berekend. Hieruit komt naar voren dat de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 onder de in de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden blijven. [appellant sub 2] heeft ter zitting aangevoerd ondanks deze onderzoeksresultaten toch te vrezen voor een negatief effect van het autoverkeer op de ademhalingsproblemen door astma die hij nu reeds ondervindt. Vast staat dat aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan, hetgeen op zichzelf door [appellant sub 2] niet is betwist. Gezien de situatie ter plaatse, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij een afweging van de betrokken belangen vanwege luchtkwaliteit niet in redelijkheid voor de vaststelling van het plan heeft kunnen kiezen. Het betoog faalt in zoverre.

Privacy

8. [appellant sub 2] betoogt dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van zijn privacy, omdat het parkeerterrein enkel van zijn perceel wordt gescheiden door een watergang. Ter zitting heeft [appellant sub 2] toegelicht te vrezen voor inkijk van de bezoekers van de kerk in zijn tuin. Volgens [appellant sub 2] moet niet de gemeente de kosten van een muur tussen zijn perceel en het parkeerterrein dragen, maar de initiatiefnemer.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een muur ter waarborging van de privacy van [appellant sub 2] niet noodzakelijk is, omdat de kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en het parkeerterrein ongeveer 20 meter bedraagt. Ter zitting heeft de raad er op gewezen dat het parkeerterrein slechts twee keer per week, op zondag, intensief zal worden gebruikt. De Gereformeerde Gemeente heeft ter zitting gesteld dat niet aannemelijk is dat bezoekers van de kerk het parkeerterrein zullen gebruiken om daar na de dienst langdurig te blijven napraten, zoals [appellant sub 2] vreest.

8.2. Op het perceel [locatie 2] bevinden zich de woning van [appellant sub 2] en een loods. De woning staat op een afstand van ongeveer 20 meter van de gronden in het plangebied met de bestemming "Maatschappelijk". Op die gronden zijn parkeerplaatsen en een fietsenstalling voorzien. De tuin van [appellant sub 2] grenst aan het plangebied. De tuin wordt van de te realiseren parkeerplaatsen en fietsenstalling gescheiden door een strook grond met de bestemming "Water" van ongeveer 5 meter breed. Hieruit volgt dat op een afstand van ongeveer 5 meter van de tuin van [appellant sub 2] fietsen gestald en auto’s geparkeerd kunnen worden. Niet in geschil is dat de reguliere kerkdiensten twee maal op zondag plaatsvinden en dat naar verwachting alleen dan van het gehele parkeerterrein gebruik zal worden gemaakt. Dat bezoekers het parkeerterrein niet zullen gebruiken om daar na de dienst lang te blijven napraten, acht de Afdeling aannemelijk. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant sub 2]. Het betoog faalt.

Waardedaling

9. [appellant sub 1] voert aan dat het plan leidt tot een aanzienlijke waardedaling van zijn perceel en een daling van de ontwikkelwaarde van de te realiseren woningen.

9.1. De raad wijst op de mogelijkheid een planschadeverzoek in te dienen.

9.2. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het woonperceel van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog faalt.

In de procedure over het bestemmingsplan kan de vraag of als gevolg van het plan planschade is geleden waarvoor de raad een tegemoetkoming moet toekennen, niet aan de orde komen.

Conclusie over het besluit van 4 april 2016

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 4 april 2016 ongegrond.

11. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 4 april 2016 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 4 april 2016 dient te worden vernietigd. Gelet op hetgeen onder 7.2 is overwogen, blijven de rechtsgevolgen van het besluit van 4 april 2016 echter geheel in stand.

Het besluit van 6 juli 2015

12. Voor het perceel waar de kerk is voorzien is op 4 april 2016 een nieuw plan vastgesteld. Nu het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 4 april 2016 ongegrond wordt verklaard en het beroep van [appellant sub 2] weliswaar gegrond wordt verklaard, maar de rechtsgevolgen van dat te vernietigen besluit in stand blijven, wordt het plan zoals dat op 4 april 2016 is vastgesteld onherroepelijk. Hieruit volgt dat het bestemmingsplan zoals dat op 6 juli 2015 was vastgesteld geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen het besluit van 6 juli 2015. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het addendum bij het besluit van 6 juli 2015, waar de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] mede betrekking op hebben, geen deel uitmaakt van dat besluit.

13. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 6 juli 2015 zijn gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk.

Proceskosten en griffierecht

14. Nu de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 6 juli 2015 hebben geleid tot de vervanging van dat besluit, ziet de Afdeling in de omstandigheden van het geval aanleiding de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te veroordelen.

Onder de genoemde omstandigheden ziet de Afdeling tevens aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan zowel [appellant sub 1] als [appellant sub 2] te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht van 6 juli 2015, kenmerk 1428024, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht van 4 april 2016, kenmerk 1575683, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht van 4 april 2016;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 1], voor zover gericht tegen het besluit van 4 april 2016, ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

-€ 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 1];

-€ 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

-€ 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 1];

-€ 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Poppelaars, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Poppelaars

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

780.