Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201603204/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 20 april 2016 in zaak nr. 201506716/1/A3 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juli 2015 in zaak nr. 14/7248 ongegrond verklaard. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201603204/1/A3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te Ochten, gemeente Neder-Betuwe,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016 in zaak nr. 201506716/1/A3.

Procesverloop

Bij uitspraak van 20 april 2016 in zaak nr. 201506716/1/A3 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juli 2015 in zaak nr. 14/7248 ongegrond verklaard. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Het college van burgemeester en wethouders van Neder-Betuwe heeft een reactie op het verzoek ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 september 2016, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door E. van Amerongen, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat zijn garagebox niet op dezelfde wijze bij de heffing van onder meer inkomstenbelasting en onroerendezaakbelasting wordt betrokken als garageboxen in de directe omgeving van de zijne. Bij het heffen van die belastingen wordt de door het college aan zijn garagebox toegekende nummeraanduiding volgens hem niet gebruikt. Dit wordt veroorzaakt door foutieve informatie vanuit het college, aldus [verzoeker].

Voorts heeft hij aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de garagebox is aangesloten op een centrale riolering die onder het plein achter de garagebox ligt.

3. De uitspraak, waarvan [verzoeker] herziening heeft verzocht, betreft het besluit van het college om met toepassing van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen een nummeraanduiding toe te kennen aan een garagebox van [verzoeker]. De wijze waarop de garagebox bij de heffing van belastingen wordt betrokken alsmede de vraag of de nummeraanduiding van die garagebox daarbij moet worden gebruikt, zijn niet van betekenis voor de beoordeling of de nummeraanduiding terecht is toegekend. Indien deze feiten en omstandigheden bij de Afdeling vóór de uitspraak bekend waren geweest, hadden zij derhalve niet tot een andere uitspraak kunnen leiden. Derhalve is in zoverre niet voldaan aan de in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb neergelegde voorwaarde voor herziening.

Over de aansluiting van de garagebox op de centrale riolering heeft [verzoeker] desgevraagd te kennen gegeven dat de feitelijke situatie niet is gewijzigd sinds de uitspraak van de Afdeling, maar dat hij er destijds niet aan heeft gedacht om dit naar voren te brengen. Derhalve was dit feit reeds vóór de uitspraak van de Afdeling bekend bij [verzoeker] dan wel had dit feit reeds toen redelijkerwijs bij hem bekend kunnen zijn. Derhalve is in zoverre niet voldaan aan de in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, neergelegde voorwaarde voor herziening.

4. Uit het voorgaande volgt dat beide grondslagen van het verzoek om herziening niet aan alle in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb neergelegde voorwaarden voor herziening voldoen. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Pans w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

640.