Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201603184/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2014 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het fonds) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201603184/1/A2.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 maart 2016 in zaak nr. 15/2227 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2014 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het fonds) afgewezen.

Bij besluit van 5 juni 2015 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 3 oktober 2016.

Overwegingen

1. De CSG kent uit het fonds onder meer uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.

2. [appellante] stelt op 1 april 2014 slachtoffer te zijn geweest van een mishandeling. Volgens haar is zij door een buurvrouw met forse kracht tegen een winkelruit geduwd en daarna geslagen, met lichamelijk en geestelijk letsel tot gevolg. Zij heeft de CSG verzocht om vergoeding van haar eigen risico voor medische hulp en de reiskosten voor bezoeken aan een psycholoog en fysiotherapeut.

3. De CSG heeft de aanvraag getoetst aan de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 2 juni 2015. In paragraaf 1.1.4 is bepaald dat een geweldsmisdrijf niet bewezen hoeft te worden, zoals bij de strafrechter, maar aannemelijk moet worden gemaakt. Hiervoor is in principe een aangifte bij de politie door het slachtoffer nodig, bij voorkeur zo spoedig mogelijk na het geweldsmisdrijf gedaan. Op basis van de aangifte bepaalt de CSG of het geweldsmisdrijf aannemelijk is en of de verklaring van het slachtoffer voldoende duidelijkheid geeft over de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsmisdrijf. Als geen aangifte is gedaan, en dus geen strafrechtelijk onderzoek kan worden gedaan naar het geweldsmisdrijf, kan een geweldsmisdrijf alleen in uitzonderlijke gevallen op basis van andere informatie aannemelijk worden gemaakt. Een enkele verklaring van het slachtoffer over wat er is gebeurd is echter onvoldoende. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van de aanvrager ondersteunen, aldus die paragraaf.

4. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft de CSG ten grondslag gelegd dat zij onvoldoende objectieve aanwijzingen heeft om aannemelijk te achten dat [appellante] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf met een duidelijke aanleiding, toedracht en omstandigheden. De aangifte die [appellante] bij de politie heeft gedaan, vindt de CSG in dit geval niet voldoende om de aannemelijkheid op te baseren, omdat in dit geval sprake is van een langlopende burenruzie waarbij over en weer beschuldigingen zijn geuit. De politie heeft de aangifte niet verder onderzocht, zodat er geen gegevens uit een strafrechtelijk onderzoek aanwezig zijn die de verklaring van [appellante] over het voorval op 1 april 2014 ondersteunen. De getuigenverklaringen van de zus en een vriendin van de zus van [appellante], die zij in bezwaar heeft overgelegd, acht de CSG van zeer beperkte waarde.

Beoordeling van het hoger beroep

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen objectieve informatie heeft overgelegd om het gestelde geweldsmisdrijf aannemelijk te achten. Zij heeft immers getuigenverklaringen overgelegd waaruit de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het misdrijf blijken. Deze verklaringen komen met elkaar en met haar eigen verklaring overeen. De getuigen hebben er geen belang bij een onjuiste verklaring af te leggen. Als de getuigen door de politie zouden zijn of worden gehoord, zouden zij dezelfde verklaringen afleggen. De CSG heeft derhalve ten onrechte geen rekening gehouden met de inhoud van die verklaringen, aldus [appellante].

5.1. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft de CSG gemotiveerd uiteengezet waarom aan de getuigenverklaringen niet de waarde kan worden toegekend die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien. Zo zijn de verklaringen niet afgelegd in het kader van een politieonderzoek en zodoende op geen enkele wijze getoetst. Ook als de verklaringen wel ten overstaan van de politie zouden zijn afgelegd, zou de CSG echter niet zonder meer van de inhoud ervan zijn uitgegaan. De verklaringen zouden dan zijn bezien in het licht van alle overige verklaringen - ook van de kant van de verdachte - en het onderzoek van de politie. Verder zijn de verklaringen ongedateerd. Het is volgens de CSG goed mogelijk dat deze eerst in de bezwaarprocedure zijn opgesteld, derhalve elf maanden na het voorval. Tijdsverloop heeft in zijn algemeenheid een nadelige invloed op de herinnering aan een voorval en daarmee op de waarheidsgetrouwheid van de verklaring daarover. Bovendien is de kans op (on)bewuste beïnvloeding door omgevingsfactoren groot. Daar komt bij dat de getuigen vanwege hun relatie met [appellante] niet onafhankelijk zijn en hun verklaringen ook daarom van zeer beperkte waarde, aldus de CSG.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de CSG hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom de getuigenverklaringen niet toereikend zijn om de gestelde aanleiding, toedracht en omstandigheden van het voorval op 1 april 2014 aannemelijk te achten.

Het betoog faalt.

Het verzoek om schadevergoeding

6. [appellante] heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht om vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het volgens haar onrechtmatige besluit van 5 juni 2015. Deze bepaling is sinds 1 juli 2013 vervallen. De Afdeling zal het verzoek daarom aanmerken als een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit, als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

7. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 5.1. is overwogen, is het besluit van 5 juni 2015 om [appellante] geen uitkering uit het fonds toe te kennen niet onrechtmatig. Het verzoek om schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen.

Eindoordeel

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

611.