Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201600228/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft het college aan [appellante] verleende marktvergunningen ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600228/1/A3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2015 in zaak nr. 15/4294 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft het college aan [appellante] verleende marktvergunningen ingetrokken.

Bij besluit van 20 februari 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. Y. Bouyazdouzen, rechtsbijstandsverlener te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door W. Dharmlal, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het besluit van 20 februari 2015 is niet aangetekend, maar per gewone post, aan de gemachtigde van [appellante] verzonden. Op het besluit staat een stempel met 20 februari 2015 als verzenddatum. Gelet op de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kon, uitgaande van deze verzenddatum, tot en met 3 april 2015 beroep tegen het besluit worden ingesteld. Het beroep van [appellante] is op 11 juni 2015, dus buiten deze termijn, bij de rechtbank ingekomen. [appellante] heeft gesteld dat zij, dan wel haar gemachtigde, het besluit van 20 februari 2015 eerst op 9 juni 2015 heeft ontvangen.

2. De rechtbank heeft overwogen dat het college met het overleggen van een uitdraai van het door haar gebruikte administratiesysteem Octopus niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 20 februari 2015 daadwerkelijk op die dag is verzonden. De rechtbank heeft het door [appellante] ingestelde beroep daarom ontvankelijk geacht.

3. In het in hoger beroep ingediende verweerschrift heeft het college zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3883, op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep van [appellante] ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1178), is het, indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

4.1. Het college heeft bij de rechtbank een verzendprotocol beslissingen op bezwaar van de Afdeling Juridische Zaken van de gemeente Den Haag overgelegd. Volgens dit verzendprotocol wordt een besluit op bezwaar in het systeem Octopus aangemaakt en door een administratief medewerker uitgeprint, waarna het besluit met het dossier ter ondertekening aan de gemandateerde wordt aangeboden. Na ondertekening worden het besluit en dossier geretourneerd aan de administratief medewerker, die achtereenvolgens en zonder onderbreking een verzenddatumstempel op het besluit aanbrengt, het besluit scant en in het systeem Octopus plaatst, een kopie van het besluit in het dossier voegt, het besluit in een envelop doet en deze envelop aanbiedt aan de post ter verzending op diezelfde dag. Indien de post die dag niet meer wordt verzonden, wordt het getekende en gestempelde besluit op bezwaar vernietigd en worden de stappen opnieuw doorlopen. Het college heeft voorts een schermafdruk van het systeem Octopus overgelegd, waarop 20 februari 2015 als verzenddatum van het besluit op bezwaar is vermeld. Deze datum komt overeen met de op het besluit vermelde verzenddatum.

De Afdeling is van oordeel dat het college aldus aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 20 februari 2015 op diezelfde dag aan de gemachtigde van [appellante] is verzonden (vgl. de voormelde uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015).

4.2. In beroep heeft [appellante] aangevoerd dat in de omgeving van Den Haag in het verleden post is zoekgeraakt. Dat blijkt volgens haar uit een krantenartikel van 11 april 2012 en uit een schermafdruk van een website waarop een klacht van 27 juni 2012 over de postbezorging staat.

Nu het krantenartikel en de klacht niet zien op de hier van belang zijnde periode, namelijk februari tot juni 2015, is dat onvoldoende voor het oordeel dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat [appellante] het besluit van 20 februari 2015 binnen enkele dagen na verzending heeft ontvangen.

4.3. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte ontvankelijk geacht.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 februari 2015 van het college alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2015 in zaak nr. 15/4294;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

V. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Noordhoek, griffier.

w.g. Borman w.g. Noordhoek

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

819.