Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201508607/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2015 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol (hierna: EMA) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508607/1/A1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 oktober 2015 in zaak nr. 15/2504 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2015 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Alcohol (hierna: EMA) opgelegd.

Bij besluit van 19 juni 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. I.S.B. Metaal, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het CBR heeft [appellant] een EMA opgelegd naar aanleiding van een mededeling namens de Korpschef van de regiopolitie Drenthe van 14 oktober 2014, inhoudende dat [appellant] op 11 oktober 2014 is aangehouden nadat bij hem als bestuurder van een bromfiets een ademalcoholgehalte van 600 µg/l is geconstateerd (hierna: de mededeling).

[appellant] kan zich niet met de EMA verenigen omdat deze volgens hem onredelijk lang na ontvangst door het CBR van de mededeling is opgelegd.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR na het verstrijken van een periode van meer dan zes maanden na ontvangst van de mededeling niet langer gebruik kon maken van zijn bevoegdheid om een EMA op te leggen en dat het andersluidende oordeel van de rechtbank op een ondeugdelijke motivering berust. Hiertoe voert hij aan dat de in artikel 131 van de Wegenverkeerswet (hierna: de Wvw) bepaalde termijn van vier weken in jurisprudentie van de Afdeling weliswaar als een termijn van orde is aangemerkt, maar dat dit onverlet laat dat het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg staat dat het CBR na afloop van een redelijke termijn alsnog tot oplegging van een EMA besluit. Volgens [appellant] was een redelijke termijn in dit geval reeds verstreken, nu zich geen omstandigheden voordoen die een beslistermijn van meer dan zes maanden kunnen rechtvaardigen.

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wvw, doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, en slot, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

2.2. Vaststaat dat het besluit van 21 april 2015 niet is genomen binnen de in artikel 131, eerste lid, van de Wvw vermelde termijn van vier weken na ontvangst van de mededeling van de Korpschef.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1134, kan uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 43 en volgende) worden afgeleid dat de in artikel 131, eerste lid, van de Wvw genoemde beslistermijn daarin is opgenomen met het oog op de wens te komen tot een in het belang van de verkeersveiligheid slagvaardiger optreden tegen verkeersgevaarlijke overtredingen in het algemeen en een verscherpte aanpak van alcoholovertredingen in het bijzonder. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat overschrijdingen van de termijn, vermeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw, met zich brengt dat het CBR niet meer bevoegd is een besluit als bedoeld in die bepaling te nemen.

2.3. De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat het college in dit geval in redelijkheid niet meer van deze bevoegdheid gebruik kon maken. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Tussen de aanhouding van [appellant] op 11 oktober 2014 en het besluit tot het opleggen van een EMA heeft een periode van zes maanden en tien dagen gelegen. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Regeling maatregelen en rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) kan de periode tussen - in dit geval - de constatering van een hoger dan toegestaan ademalcoholgehalte en het doen van een mededeling als bedoeld in artikel 3 van de Regeling, zes maanden bedragen. De in artikel 131, eerste lid, van de Wvw bedoelde termijn van vier weken vangt aan na ontvangst van die mededeling. De termijnen uit de Wvw en de Regeling maken dus mogelijk dat een persoon pas na bijna zeven maanden na het ontstaan van het vermoeden als bedoeld in artikel 130 van de Wvw een EMA krijgt opgelegd. Nu een betrokkene niet afzonderlijk op de hoogte wordt gesteld van het doen van de mededeling als bedoeld in artikel 3 van de Regeling, kon [appellant] er in elk geval na ommekomst van een periode van zes maanden en tien dagen na zijn aanhouding redelijkerwijs nog niet van uitgaan dat hem geen EMA meer zou worden opgelegd. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel in de weg stond aan het opleggen van een EMA.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

457-727.