Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
201508784/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2015 heeft de staatssecretaris aan de Stichting stichting Uiteraard Uitermeer (hierna: Uiteraard Uitermeer) een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) verleend voor het verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, heikikker, bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en rivierdonderpad alsmede voor het beschadigen, vernielen of verstoren van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de waterspitsmuis, bij het verrichten van werkzaamheden aan het Fort Uitermeer te Weesp. De staatssecretaris heeft voorts te kennen gegeven dat geen ontheffing nodig is ten aanzien van de ringslang.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Flora- en faunawet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1092
JM 2016/159 met annotatie van G.A.J.M. Hoevenaars
JNA 2016/52 met annotatie van Boerema
OGR-Updates.nl 2017-0008 met annotatie van Marieke Kaajan
Milieurecht Totaal 2016/6515
Module Ruimtelijke ordening 2016/7652
M en R 2017/34

Uitspraak

201508784/1/A3

Datum uitspraak: 26 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Flora & Faunabescherming Weesp, gevestigd te Weesp,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2015 in zaak nr. 15/3998 in het geding tussen:

de stichting

en

de staatssecretaris van Economische Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2015 heeft de staatssecretaris aan de Stichting stichting Uiteraard Uitermeer (hierna: Uiteraard Uitermeer) een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) verleend voor het verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, heikikker, bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en rivierdonderpad alsmede voor het beschadigen, vernielen of verstoren van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de waterspitsmuis, bij het verrichten van werkzaamheden aan het Fort Uitermeer te Weesp. De staatssecretaris heeft voorts te kennen gegeven dat geen ontheffing nodig is ten aanzien van de ringslang.

Bij besluit van 3 augustus 2015 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2015 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

Uiteraard Uitermeer heeft schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2016, waar de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [secretaris] van de stichting, bijgestaan door mr. M. van Duijn, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tielemans, werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zijn verschenen. Voorts is daar Uiteraard Uitermeer, vertegenwoordigd door A.J.R. Roosken, werkzaam bij Uiteraard Uitermeer, bijgestaan door B.J.H. Koolstra en J.N. Ohm, beiden werkzaam bij Arcadis, en door E. de Vries en D.J. Sietses, beiden werkzaam bij EcoGroen, gehoord.

Overwegingen

Relevante wet- en regelgeving

1. Ingevolge artikel 75, vijfde lid, van de Ffw worden ontheffingen slechts verleend wanneer geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Ontheffing voor soorten genoemd in bijlage IV van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L206, hierna: de Habitatrichtlijn) en bijlage 1 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: het Vrijstellingsbesluit), worden ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, slechts verleend indien naast de voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen. Deze belangen zijn opgenomen in artikel 2, derde lid, van het Vrijstellingsbesluit.

De relevante bepalingen van de Ffw, de Habitatrichtlijn en het Vrijstellingsbesluit zijn opgenomen in de bij deze uitspraak gevoegde bijlage.

Inleiding

2. Fort Uitermeer is gelegen in de gemeente Weesp nabij het Naardermeer en de rivier de Vecht. Het fortterrein grenst aan Natura 2000-gebied, de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS), de Gooilandseweg (provinciale weg N236) en de spoorlijn Weesp-Hilversum. Fort Uitermeer is een rijksmonument en maakt deel uit van de (Oude) Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam is opgenomen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.

Op het terrein bevinden zich een torenfort, een kanonremise, zeven munitiegebouwen ("plofhuisjes"), een manschappenverblijf, een beheerderswoning en een "wegensteunpunt". Fort Uitermeer wordt omringd door een gracht.

De provincie Noord-Holland is eigenaar van Fort Uitermeer en wil het terrein toegankelijk maken voor een breder publiek met behoud van de aanwezige natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en het militaire karakter. Daartoe heeft de provincie in 2006 een openbare prijsvraag uitgeschreven. Naar aanleiding hiervan heeft Uiteraard Uitermeer het "Inrichtingsvoorstel Fort Uitermeer, Initiatiefgroep Uiteraard Uitermeer" (hierna: het Inrichtingsplan) opgesteld. Dit plan voorziet onder meer in realisatie van een restaurant, een congresruimte, een informatiecentrum, een beheerderswoning, een bed & breakfast, een groepsaccommodatie, een aanlegsteiger en een sloepenhaven. Tevens voorziet het plan in een parkeerplaats op het naastgelegen weiland tussen de ’s-Gravelandsevaart en de Gooilandseweg. Op grond van dit inrichtingsplan is aan Uiteraard Uitermeer de ontwikkeling, de exploitatie, het beheer en het onderhoud van Fort Uitermeer gegund. Met ingang van 1 maart 2011 heeft Uiteraard Uitermeer het fortterrein in gebruik gekregen. Het gedeelte van het terrein waar het wegensteunpunt is gevestigd, is in beheer bij de provincie Noord-Holland.

3. Uiteraard Uitermeer beoogt Fort Uitermeer als waardevol cultuurhistorisch object te behouden. Voorts beoogt Uiteraard Uitermeer het fort voor het publiek toegankelijk te maken en de geschiedenis van het fort beter zichtbaar te maken. Bij dit alles staan het behoud en vergroten van natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden centraal, aldus Uiteraard Uitermeer.

Besluitvorming

4. Bij het besluit van 3 augustus 2015 heeft de staatssecretaris zijn besluit van 24 april 2015 gehandhaafd. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de vaste rust- en verblijfsplaatsen van de baardvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis, de heikikker, de bittervoorn, de grote modderkruiper, de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad tijdelijk worden verstoord. Wat betreft de waterspitsmuis kunnen door de werkzaamheden voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen worden beschadigd, vernield en verstoord. De gunstige staat van instandhouding van voormelde soorten komt evenwel niet in gevaar, mits wordt gewerkt volgens de in het in opdracht van Uiteraard Uitermeer door EcoGroen Advies opgestelde "Activiteitenplan Herinrichting Fort Uitermeer" (hierna: het Activiteitenplan) van november 2014 opgenomen maatregelen en de aan de ontheffing verbonden voorschriften. Wat betreft de ringslang wordt door het uitvoeren van de in het Activiteitenplan opgenomen maatregelen wordt voorkomen dat artikel 11 van de Ffw wordt overtreden, zodat daarvoor geen ontheffing is vereist. Getoetst aan artikel 75, derde lid, van de Ffw gelezen in samenhang met artikel 2, derde lid, onder e, van het Vrijstellingsbesluit bestaat geen bevredigend alternatief voor het project en is er een dwingende reden van groot openbaar belang om het project te realiseren, aldus de staatssecretaris.

Aangevallen uitspraak

5. De rechtbank heeft overwogen dat uit het bij de aanvraag om ontheffing behorende Activiteitenplan blijkt dat de aanvraag om ontheffing ziet op een beperkt aantal werkzaamheden op en rondom Fort Uitermeer. Het betreft de volgende activiteiten:

- Aanleggen van een parkeerplaats buiten het terrein.

- Inrichting van natuurvriendelijke oevers.

- Aanleg van een dwarssloot.

- Aantakking van de dwarssloot op omringende sloten.

- Aanleg sloepensteiger.

- Aanleg (kano)steiger, boothelling en versterken beschoeiing, en aantakken sloepensteiger op de oever.

- Afgraven grond tussen sloepenhaven en restaurant.

- Slopen/renoveren plofhuisjes.

- Optimaliseren kanonremise als winterverblijf voor vleermuizen.

- Aanleggen grondwal met beplanting tussen kanonremise en provinciaal wegensteunpunt.

- Verbreden aanlegsteiger Vecht.

- Opruimen van puin.

Uit het Inrichtingsplan blijkt weliswaar dat Uiteraard Uitermeer op termijn een congrescentrum, een restaurant en een informatiecentrum wil realiseren, plofhuisjes wil gebruiken als bed & breakfast en de aanwezige verlichting wil aanpassen en gebruiken, maar niet het Inrichtingsplan maar het Activiteitenplan ligt aan de aanvraag om ontheffing ten grondslag. Voor deze activiteiten moeten eerst financiële middelen worden gevonden en de verwachting is dat realisatie van die activiteiten na 2020 zal plaatsvinden.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen aan Uiteraard Uitermeer. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met de in het Activiteitenplan voorgestelde maatregelen de ecologische functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen van de ringslang niet, ook niet tijdelijk, in het geding komt en dat artikel 11 van de Ffw derhalve niet zal worden overtreden. Een ontheffing is in zoverre niet nodig. Wat de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis, de baardvleermuis, de heikikker, de bittervoorn, de grote modderkruiper, de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad betreft heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de gunstige staat van instandhouding van deze soorten niet in gevaar komt, zodat geen reden bestond ontheffing voor deze soorten te weigeren.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de in de eerste alinea genoemde werkzaamheden die Uiteraard Uitermeer in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer voornemens is te verrichten. De staatssecretaris heeft in aanmerking mogen nemen dat het wegensteunpunt in beheer is bij de provincie Noord-Holland, Uiteraard Uitermeer geen zeggenschap heeft over dat deel van het terrein en dat het bestemmingsplan de aanleg van een parkeervoorziening op het fortterrein zelf niet mogelijk maakt. Voorts heeft de staatssecretaris van belang mogen achten dat door de realisatie van een parkeervoorziening op het weiland buiten het fortterrein het fortterrein zelf autovrij blijft, hetgeen minder belastend voor de natuur zal zijn.

Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat een dwingende reden van groot openbaar belang bestaat voor verlening van de ontheffing. Het door Uiteraard Uitermeer genoemde werkgelegenheidsbelang is, gelet op het beperkte aantal arbeidsplaatsen in verband met de activiteiten op Fort Uitermeer, onvoldoende substantieel om de verlening van de ontheffing te rechtvaardigen, maar het eveneens genoemde belang van behoud van het cultuurhistorisch erfgoed is wel een dwingende reden van groot openbaar belang. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Fort Uitermeer deel uitmaakt van de (Oude) Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, en dat de Stelling van Amsterdam is opgenomen op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Daarbij komt dat slechts een tijdelijke verstoring plaatsvindt van de betreffende soorten en dat de gunstige staat van instandhouding van die soorten niet in gevaar komt, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Activiteiten

6. De stichting betoogt dat de rechtbank een onvolledige lijst van de activiteiten waarop de aanvraag om ontheffing ziet, heeft beoordeeld. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de in het Activiteitenplan genoemde werkzaamheden. Het Activiteitenplan is een uitwerking van het Inrichtingsplan. Het Inrichtingsplan is daarom onlosmakelijk verbonden met de aanvraag om ontheffing. Hierbij is van belang dat in het Activiteitenplan meermalen wordt verwezen naar het Inrichtingsplan. De aanvraag om ontheffing ziet derhalve ook op alle activiteiten die in het Inrichtingsplan worden genoemd. Voorts komt de door de rechtbank in haar uitspraak opgenomen lijst niet overeen met de lijst die is opgenomen in het toekenningsbesluit van 24 april 2015. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat, voor zover de staatssecretaris in de ontheffing heeft omschreven dat de aanvraag om ontheffing betrekking heeft op de realisatie van het project "Inrichtingsplan Fort Uitermeer" en de werkzaamheden ook bestaan uit "herstel van de oorspronkelijke fortificatie met integratie van restaurant en realisatie congresruimte" en "aanpassing van de verlichting op het terrein", dit op een verschrijving berust. Hierbij is van belang dat deze activiteiten zijn opgenomen in hoofdstuk 1 tot en met 6 van het Activiteitenplan. Daarnaast zijn deze activiteiten vermeld in het toekenningsbesluit. Dat Uiteraard Uitermeer te kennen heeft gegeven dat zij verwacht dat deze activiteiten pas na 2020 zullen worden gerealiseerd en dat daarvoor eerst financiële middelen moeten worden gevonden, maakt dit niet anders. Bovendien is dit een onjuiste weergave van hetgeen ter zitting bij de rechtbank is gezegd, nu Uiteraard Uitermeer daar te kennen heeft gegeven dat het waarschijnlijk is dat de die activiteiten pas na 2020 kunnen worden gerealiseerd, maar dat, indien de financiële middelen eerder beschikbaar zijn, zal worden begonnen met het uitvoeren van die activiteiten. Ten slotte zijn voor de beoordeling of ontheffing kan worden verleend ten onrechte alleen de activiteiten vermeld op de eerste pagina van het toekenningsbesluit betrokken. De rechtbank heeft derhalve miskend dat het besluit van 3 augustus 2015 onzorgvuldig is genomen en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb, aldus de stichting.

6.1.

Op 18 november 2014 heeft Uiteraard Uitermeer een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Ffw ingediend. Zij heeft bij deze aanvraag het Activiteitenplan gevoegd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het Activiteitenplan volgt dat de aanvraag om ontheffing ziet op een beperkt aantal werkzaamheden op en rondom het Fort Uitermeer. Op pagina 2 van het Activiteitenplan is vermeld dat de ontheffingsaanvraag is ingediend voor een deel van het herinrichtingsplan (lees: Inrichtingsplan), omdat een ontheffing slechts voor vijf jaren kan worden verleend en de werkzaamheden ten behoeve van de herinrichting ook na die vijf jaren nog zullen worden uitgevoerd. Dit wordt tevens vermeld op pagina 31, waar tabel 4.2 "Activiteiten waarop de ontheffingsaanvraag betrekking heeft" is opgenomen. Ter zitting heeft Uiteraard Uitermeer nogmaals te kennen gegeven dat alleen voor de activiteiten die op dit moment kunnen en zullen worden uitgevoerd ontheffing is gevraagd. De overige in het Inrichtingsplan genoemde activiteiten zijn toekomstplannen waarvan niet zeker is of en wanneer die zullen worden uitgevoerd.

Voor zover de stichting stelt dat de in de uitspraak opgenomen lijst niet overeenkomt met de lijst die in het besluit van 24 april 2015 is opgenomen, overweegt de Afdeling dat de lijst die is opgenomen in het besluit niet de lijst activiteiten betreft waarvoor ontheffing is gevraagd. In het besluit staat dat de aanvraag om ontheffing betrekking heeft op de realisatie van het project "Inrichtingsplan Fort Uitermeer", dat dit project het herinrichten en renoveren van het terrein Fort Uitermeer betreft en dat de werkzaamheden van dit gehele project bestaan uit een achttal genoemde activiteiten. Hoewel dit wellicht tot verwarring heeft geleid, blijkt uit het bij de aanvraag overgelegde Activiteitenplan en de verwijzing daarnaar in de specifieke voorschriften, onder 7, van de ontheffing voldoende op welke activiteiten de aanvraag om ontheffing betrekking heeft. Gelet hierop kan niet worden volgehouden dat het Inrichtingsplan integraal onderdeel uitmaakt van het verzoek om ontheffing.

De rechtbank heeft een juiste weergave gegeven van de activiteiten waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft en terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het besluit van 3 augustus 2015 in dit opzicht onzorgvuldig is genomen en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog faalt.

Diersoorten

Ringslang

7. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat met de voorgestelde maatregelen de ecologische functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen van de ringslang niet, ook niet tijdelijk, in het geding komt. Er is geen onderzoek verricht naar de ringslang binnen het plangebied. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat in het door de stichting overgelegde rapport "Afdoend onderzoek" van ecologisch bureau Els & Linde van 14 december 2014 (hierna: Afdoend onderzoek) niet is gemotiveerd waarom als gevolg van de herinrichting de vaste rust- en verblijfplaats van de ringslang wordt aangetast. Haar stelling wordt gestaafd in de "Inventarisatie Fort Uitermeer" van bureau RAVON van juli 2014, de effectenanalyse van Els & Linde en deskundige Jansen van RAVON van 5 juni 2015 (hierna: effectenanalyse), alsmede in de bezwaar- en beroepsgronden. De rechtbank is voorts ten onrechte uitgegaan van de stelling van de staatssecretaris, dat de plofhuisjes zouden zijn geïnspecteerd op geschiktheid als winterverblijf, nu die stelling niet is gestaafd met een onderzoeksverslag. Ter zitting bij de rechtbank heeft Jansen (herpetoloog & ringslangspecialist bij RAVON) te kennen gegeven dat de plofhuisjes wel degelijk potentieel winterverblijf voor de ringslang zijn. Daarbij komt dat de ringslang op vele plaatsen binnen het plangebied zijn winterverblijf kan hebben, hetgeen niet is onderzocht. De rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte het standpunt van Uiteraard Uitermeer, dat dergelijk onderzoek niet mogelijk zou zijn, heeft gevolgd. De rechtbank heeft aldus miskend dat ook ten aanzien van de ringslang ontheffing had moeten worden verleend en dat Uiteraard Uitermeer in strijd handelt met artikel 2 van de Ffw en de gedragscode die door de gemeente Weesp wordt toegepast, aldus de stichting.

7.1.

Niet in geschil is dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de ringslang. De aanwezigheid van de ringslang wordt besproken in hoofdstuk 4.2, op pagina 23 en 24, van het Activiteitenplan. Het Activiteitenplan is onder meer gebaseerd op de in opdracht van Uiteraard Uitermeer door Zoon Ecologie opgestelde rapporten "Ontwikkeling van Fort Uitermeer voor natuur en recreatie" van 2006, "Natuur op Fort Uitermeer" van 10 augustus 2012, "Vleermuizen op Fort Uitermeer" van 10 februari 2014, "Natuurtoets Fort Uitermeer" van 6 mei 2014 en "Vleermuisonderzoek september 2014 Fort Uitermeer Weesp" van 13 oktober 2014. Uit deze onderzoeken volgt volgens het Activiteitenplan dat de oevers van de buitengracht en delen van het fortterrein leefgebied vormen voor de ringslang. In 2014 is een adult exemplaar waargenomen aan de zuidwestzijde van het plangebied alsmede een vervellingshuid. Ten noorden van het fort is een aangelegde broedhoop aanwezig, waarvan echter onbekend is of die wordt gebruikt als voortplantingslocatie. Ter hoogte van het meest noordelijke plofhuis is een grote afvalhoop aanwezig die voornamelijk bestaat uit maaisel, waarvan niet kan worden uitgesloten dat die als voortplantings- of overwinteringsplek wordt gebruikt. Bomen op de oevers waarin holten aanwezig zijn en plekken op het fortterrein waar puin en bosopstand met dood hout aanwezig zijn, vormen eveneens geschikte overwinteringsplekken. De oevers en het water van de buitengrachten vormen optimaal foerageergebied en zomerbiotoop voor de ringslang. In hoofdstuk 4.5, "Mitigerende maatregelen", van het Activiteitenplan wordt voor de ringslang weergegeven welke mitigerende maatregelen worden genomen. De maatregelen bestaan onder meer uit het aanleggen van broeihopen en neerleggen van takkengrillen ter versterking van de ringslangpopulatie, het voor de ringslang ongeschikt maken van het leefgebied door de vegetatie op de oever kort af te maaien, en het verrichten van de maatregelen in de minst gevoelige perioden. Daarnaast worden de maatregelen uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van de ringslang.

7.2.

Uit pagina 20 van het Afdoend onderzoek volgt dat de aanleg van een parkeerplaats zal leiden tot een significante aantasting van het leefgebied van onder meer waarschijnlijk de ringslang, bestaande uit het vernielen van landbiotoop en sterke aantasting van het limnologisch systeem. Voor de aanleg van de parkeerplaats is een ontheffing noodzakelijk en zal een adequaat compensatieplan moeten worden opgesteld. Daarnaast zal nut en noodzaak moeten worden aangetoond. Voorts vermeldt het rapport dat door baggerwerkzaamheden in de fortgrachten en aanpassingen van de oevers het leefgebied van onder andere de ringslang wordt aangetast. De effecten zijn significant en grotendeels onomkeerbaar.

In de effectenanalyse is de vraag opgeworpen waarom de aanwezige broeihoop niet is onderzocht op voortplanting. Daarbij komt dat in de beoordeling is vermeld dat er geen winterverblijven zijn wegens het ontbreken van broeihopen, terwijl bij de inventarisatie de aanwezigheid van een broeihoop is vermeld.

Uit de "Inventarisatie Fort Uitermeer" van RAVON van juli 2014 volgt dat de ringslang in het gebied voorkomt en dat op het terrein een voor de ringslang aangelegde broeihoop ligt. Het fort en de directe omgeving vormen een uitstekend leefgebied voor de ringslang. Er zijn potentiële overwinteringsplekken in de vorm van oude gebouwen en hogere terreindelen. Wat betreft de aanleg van het parkeerterrein vermeldt dit rapport dat door de werkzaamheden de habitat van de prooidieren van de ringslang wordt vergroot, maar dat deze verbeterde voedselsituatie in combinatie met een parkeerterrein juist weer kan leiden tot verkeersslachtoffers. Met betrekking tot de werkzaamheden op het fortterrein vermeldt het rapport dat het van belang is dat voldoende dekking blijft bestaat in de vorm van ruigtes en dat de oevers toegankelijk blijven voor de ringslangen. Het werken met beschoeiing dient derhalve tot een minimum beperkt te blijven.

7.3.

Gelet op hetgeen onder 7.1 en 7.2 is overwogen heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat geen onderzoek is gedaan naar de ringslang, en met name de potentiële overwinteringsplekken, binnen het plangebied. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat Jansen heeft verklaard dat ten onrechte niet is onderzocht of de plofhuisjes overwinteringsplekken voor de ringslang vormen. Uiteraard Uitermeer heeft, onder meer in haar reactie van 25 september 2015, te kennen gegeven dat de plofhuisjes zijn geïnspecteerd en dat deze ongeschikt zijn als winterverblijf. De winterverblijven zijn lastig te onderzoeken, maar op de potentiële overwinteringsplekken vinden geen activiteiten plaats. De enkele stelling van Jansen, dat eenvoudig is te onderzoeken of de plofhuisjes geschikt zijn als overwinteringsplek nu ringslangen kleine beestjes zijn die in kieren kunnen verblijven, is onvoldoende voor het oordeel dat Uiteraard Uitermeer de plofhuisjes als zodanig onvoldoende heeft laten onderzoeken. Ter zitting bij de rechtbank is te kennen gegeven dat de plofhuisjes geen kelder of kruipruimte hebben, beschikken over een gladde betonnen vloer, geen spouwen hebben en het binnen net zo koud is als buiten. Gelet hierop is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat de plofhuisjes zijn geïnspecteerd en is vastgesteld dat deze ongeschikt zijn als winterverblijf.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat met de voorgestelde maatregelen de ecologische functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen van de ringslang niet, ook niet tijdelijk, in het geding komt. Hoewel uit het Afdoend onderzoek volgt dat de effecten van de herinrichting voor de ringslang significant zijn en grotendeels onomkeerbaar, zijn bij die conclusie de voorgestelde mitigerende maatregelen niet meegenomen. Gelet hierop kan dat onderzoek in zoverre geen afbreuk doen aan hetgeen is vermeld in het Activiteitenplan en de rapporten van Zoon Ecologie. Ook hetgeen is vermeld in de effectenanalyse kan niet leiden tot een ander oordeel. Met de rechtbank neemt de Afdeling daarbij in aanmerking dat daarin niet is toegelicht waarom als gevolg van de herinrichting de vaste rust- en verblijfplaats van de ringslang wordt aangetast. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de staatssecretaris ten aanzien van de ringslang terecht heeft geconcludeerd dat artikel 11 van de Ffw niet zal worden overtreden.

Voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft onderkend dat Uiteraard Uitermeer in strijd met artikel 2 van de Ffw handelt, bestaat geen grond. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat Uiteraard Uitermeer zich juist richt op het behoud van dier- en plantsoorten die op het fortterrein voorkomen en het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving van deze soorten. Zij streeft ernaar alle werkzaamheden op zodanige wijze uit te voeren, dat geen overtredingen van verbodsbepaling uit de Ffw voorkomen en dat negatieve effecten op soorten waar mogelijk worden beperkt. De stelling dat Uiteraard Uitermeer in strijd met de gedragscode van de gemeente Weesp heeft gehandeld, kan evenmin leiden tot een ander oordeel. De gedragscode is immers niet aan de orde in het geval ontheffing wordt verleend. Wat betreft het regulier beheer en onderhoud, heeft Uiteraard Uitermeer te kennen gegeven dat op het terrein afstemming plaatsvindt met een ecoloog die toetst of de desbetreffende werkzaamheden kunnen leiden tot een overtreding van de Ffw en of deze passen binnen de Gedragscode Natuurbeheer.

Het betoog faalt.

Gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en baardvleermuis

8. De stichting betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de gunstige staat van instandhouding van voormelde vleermuizen niet in gevaar komt. De activiteiten leiden niet slechts tot een tijdelijke verstoring, maar ook tot beschadiging en vernieling van de vaste rust- en verblijfplaatsen van die vleermuizen. De stichting verwijst hiertoe naar de door haar overgelegde aanvullende gronden in bezwaar van 10 juni 2015, bijlage 9 bij het bezwaarschrift, de effectenanalyse, de aanvullende gronden bij het bezwaar van 20 juli 2015, het beroepschrift onder 6 tot en met 6.3, punt 4 van de "reactie op stukken" van 8 september 2015 alsmede het Afdoend onderzoek. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat onvoldoende onderzoek is gedaan en dat de staatssecretaris ten onrechte geen nader onderzoek heeft verlangd, nu een onbekende vleermuissoort in het gebied is gesignaleerd, aldus de stichting.

8.1.

Uit het Activiteitenplan volgt dat de kanonremise en het torenfort overwinteringsplekken zijn voor de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de baardvleermuis. Uit het Activiteitenplan volgt voorts dat, naast de kanonremise en het torenfort, de overige bebouwing op het terrein geen verblijfplaats is van de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de baardvleermuis. De ontheffing is aangevraagd wegens de werkzaamheden die zullen plaatsvinden in het kader van het optimaliseren van de kanonremise als winterverblijf voor vleermuizen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit hetgeen de stichting heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat de gunstige staat van instandhouding van de gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en baardvleermuis door deze werkzaamheden in gevaar komt. Hierbij neemt de Afdeling met de rechtbank in aanmerking dat uit het Activiteitenplan volgt dat Uiteraard Uitermeer voornemens is de kanonremise te verbeteren als winterverblijf voor de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de baardvleermuis. Hiertoe zal een gronddek worden aangebracht en zullen in de binnenruimte extra hang- en wegkruipmogelijkheden worden gerealiseerd. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat door deze werkzaamheden voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van genoemde vleermuizen kunnen worden verstoord, maar dat dit slechts tijdelijk is. Mits wordt gewerkt volgens de in de ontheffing genoemde maatregelen en voorwaarden komt de gunstige staat van instandhouding van deze soorten niet in gevaar.

Voor zover de stichting verwijst naar de effectenanalyse wordt overwogen dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de gunstige staat van instandhouding van voormelde vleermuizen in gevaar komt nu daarin slechts, zonder dat dit met gegevens of bescheiden is gestaafd, is gesteld dat onvoldoende onderzoek is gedaan en dat de functionele leefomgeving van verschillende soorten vleermuizen wordt aangetast.

Ten slotte heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten verlangen nu een onbekende soort in het plangebied is gesignaleerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals Uiteraard Uitermeer ook te kennen heeft gegeven, uit de bron waar de stichting naar verwijst (wintertellingen van Ouwehand) volgt dat voor het laatst in 2002 een onbekende soort overwinterend op het fortterrein is aangetroffen. Na 2002 zijn slechts de drie eerder genoemde soorten overwinterend aangetroffen.

Het betoog faalt.

Heikikker

9. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris ten onrechte slechts heeft beoordeeld of ontheffing kon worden verleend voor het verstoren van de vaste rust- of verblijfplaatsen van de heikikker. Beoordeeld had moeten worden of ontheffing kon worden verleend voor het vernielen en beschadigen van die rust- of verblijfplaatsen. De stichting verwijst hiertoe naar hetgeen ter zitting bij de rechtbank is gezegd door Jansen.

De stichting betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat de gunstige staat van instandhouding van de heikikker niet in gevaar komt. Dit oordeel is slechts gebaseerd op een niet toegelichte stelling van de staatssecretaris. Dat het weiland volgens EcoGroen ongeschikt zou zijn als overwinteringsverblijf is niet gemotiveerd en is ten onrechte door de staatssecretaris en de rechtbank overgenomen. De stichting verwijst naar de door haar overgelegde rapporten waarin is toegelicht dat het weiland een vaste rust- en verblijfplaats van de heikikker is. Jansen heeft dit ter zitting bij de rechtbank bevestigd. Zowel de stichting als RAVON heeft in 2014 en 2015 heikikkers aangetroffen in het weiland. Het betrof juveniele, sub-adulte en adulte exemplaren. De door Uiteraard Uitermeer voorgestelde maatregelen zijn bovendien niet afdoende om de gunstige staat van instandhouding van de heikikker te waarborgen, aldus de stichting.

9.1.

Uit het Activiteitenplan volgt dat op het weiland, tussen de ’s-Gravelandsevaart en de Gooilandseweg, in de maanden juli en augustus 2014 verscheidene waarnemingen zijn gedaan van zowel adulte als sub-adulte heikikkers. Populaties zijn bekend in de Nieuwe Keverdijksepolder. Verwezen wordt naar het rapport van RAVON uit 2014 waarin staat dat de ’s-Gravelandsevaart een barrière vormt voor de soort om vanuit de Keverdijksepolder het plangebied te bereiken. Het vermoeden bestaat dat in de polder ten zuiden van de Gooilandseweg een heikikkerpopulatie kan voorkomen, die door middel van een duiker onder de Gooilandseweg in verbinding staat met de sloten langs het weiland waar de parkeervoorziening is beoogd. Hoewel geen voortplanting is aangetoond, kan niet worden uitgesloten dat de sloten rondom het weiland voortplantingsgebied voor de heikikker vormen. De oevers van de sloten en de aanwezige bosjes langs de sloten vormen een geschikte overwinteringsbiotoop voor de heikikker. Het weiland vormt foerageergebied als de vegetatie hoog staat. Het weiland wordt echter agrarisch beheerd en begraasd door schapen. Van hoge vegetatie is derhalve geen sprake met uitzondering van de periode mei tot en met augustus, waarin het weiland niet is gemaaid en begraasd is geweest in verband met de aanleg van de parkeerplaats. De verstoring van de vaste rust- of verblijfplaatsen van de heikikker wordt volgens het Activiteitenplan met name veroorzaakt door de werkzaamheden die verband houden met de aanleg van een parkeerplaats op het weiland buiten Fort Uitermeer, tussen de ’s-Gravelandsevaart en de Gooilandseweg, ter hoogte van de hoofdentree voor bezoekers van het fort. Uit het Activiteitenplan volgt voorts dat Uiteraard Uitermeer voornemens is op een beperkt gedeelte van dat weiland een parkeervoorziening met 63 vakken te realiseren, op enige afstand van de aanwezige sloten. De bestaande sloten krijgen natuurvriendelijke oevers. Aan de oostzijde van de parkeerplaats wordt een dwarssloot aangelegd met eveneens natuurvriendelijke oevers. Deze dwarssloot wordt aangetakt aan bestaande sloten langs het weiland. De grond die hierbij vrijkomt wordt gebruikt om een grondwalletje van circa een meter hoog aan te leggen tussen de parkeerplaats en de sloten om lichtverstoring te voorkomen, aldus het Activiteitenplan.

9.2.

Niet in geschil is dat door de uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg van een parkeerplaats de vaste rust- of verblijfplaatsen van de heikikker worden verstoord en dat derhalve een ontheffing nodig is van de verbodsbepaling als bedoeld in artikel 11 van de Ffw. Wat betreft het betoog van de stichting, dat de staatssecretaris eveneens had moeten beoordelen of ontheffing diende te worden verleend voor het beschadigen en vernielen van die verblijfplaatsen, overweegt de Afdeling dat uit de besluiten van 24 april 2015 en 3 augustus 2015 volgt dat de staatssecretaris heeft onderkend dat de werkzaamheden eveneens zouden kunnen leiden tot beschadiging en vernieling van de vaste rust- of verblijfplaatsen van de heikikker, maar dat hij op basis van de door Uiteraard Uitermeer voorgestelde maatregelen heeft geconcludeerd dat beschadiging en vernieling in dit geval niet aan de orde is. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris dit ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken.

Voor zover de stichting bedoelt te betogen dat de staatssecretaris de gestelde beschadiging en vernieling van de vaste rust- of verblijfplaatsen had moeten meewegen bij de vraag of de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt, overweegt de Afdeling dat de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vaste rust- of verblijfplaatsen van de heikikker worden beschadigd en vernield. Hetgeen Jansen ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard is daarvoor onvoldoende. Bovendien is de verklaring van Jansen ter zitting gemotiveerd weerlegd, waarbij te kennen is gegeven dat geen leefgebied van de heikikker verloren gaat omdat maatregelen zijn genomen om de functionaliteit van het leefgebied te behouden. Wat betreft de aanleg van de parkeerplaats op het weiland is van belang dat, hoewel heikikkers zijn aangetroffen in het weiland, door Uiteraard Uitermeer aannemelijk is gemaakt dat het weiland niet als vaste rust- en verblijfplaats kan worden aangemerkt. Hierbij is van belang dat uit het Activiteitenplan volgt en ter zitting bij de rechtbank door en namens Uiteraard Uitermeer is verklaard, dat het weiland niet geschikt is als overwinteringsverblijf, foerageergebied of voor voortplanting. Hierbij neemt de Afdeling met de rechtbank in aanmerking dat uit het door Uiteraard Uitermeer overgelegde rapport van EcoGroen van 15 juni 2015 volgt dat niet aannemelijk is dat het terrein een overwinteringsgebied vormt voor de heikikker, wegens de lage kwaliteit van het gebied, smalle en onbemeste sloten met intensief door schapen begraasd grasland, en barrières, bestaande uit wegen en brede watergangen. Daarbij komt dat het grondwaterpeil van het weiland erg hoog is, waardoor het weiland evenzeer niet geschikt is als winterverblijfplaats. Dit is door de stichting niet weersproken. De staatssecretaris heeft voorts ter zitting bij de voorzieningenrechter op 17 december 2015 gewezen op de in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland opgestelde Soortenstandaard Heikikker, versie 2.0, waarin is vermeld: "De heikikker overwintert van oktober tot eind februari op vorstvrije plekken op het land buiten het bereik van het grondwater. De heikikker overwintert (nagenoeg) niet in het water. In laag Nederland overwintert de heikikker vooral langs sloten met afgetrapte slootkanten (niet ín het weiland) en in bosjes". Verder volgt uit het Activiteitenplan dat het weiland door de intensieve begrazing ongeschikt is als foerageergebied voor de heikikker en bovendien de plek van de toekomstige parkeerplaats geen leefgebied van de heikikker vormt.

De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat de door Uiteraard Uitermeer voorgestelde maatregelen onvoldoende zijn om de gunstige staat van instandhouding van de soort te kunnen waarborgen. Zo blijkt uit het Activiteitenplan dat buiten de kwetsbare perioden wordt gewerkt. Bij de aanleg van de parkeerplaats wordt rekening gehouden met de hoogte van de vegetatie op het weiland. Bij hoge vegetatie zal het werkgebied, alvorens wordt gestart met werkzaamheden, worden geïnspecteerd door een deskundige. Ter zitting heeft Uiteraard Uitermeer voorts toegelicht dat de werkplaats voorafgaand aan de werkzaamheden is afgezet, zodat de kikkers die uit hun winterslaap kwamen niet op het werkveld konden komen. Bij het aanleggen van de dwarssloot wordt voorts gewaarborgd dat de overwinteringsbiotoop ongemoeid blijft. Bij het realiseren van de natuurvriendelijke oevers zal bovendien worden voorkomen dat al direct tijdens de werkzaamheden water vanuit de watergang het nieuwe ondiepe gedeelte instroomt. De stichting heeft niet gemotiveerd waarom deze maatregelen onvoldoende zouden zijn.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat met de voorgestelde maatregelen en voorschriften de gunstige staat van instandhouding van de heikikker niet in gevaar komt.

De betogen falen.

Waterspitsmuis

10. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de gunstige staat van instandhouding van de waterspitsmuis niet in gevaar komt, omdat de werkzaamheden tijdelijk van aard zijn en er nieuw leefgebied wordt gecreëerd. De stichting verwijst hiertoe naar de door haar overgelegde rapporten waarin dit standpunt wordt toegelicht. De in die rapporten genoemde argumenten zijn door de staatssecretaris niet weersproken. Uit de effectenanalyse volgt dat de te graven sloot langs het te realiseren parkeerterrein geen geschikte habitat voor de waterspitsmuis zal vormen, wegens vervuiling en trillingen door verkeer, zodat geen nieuw leefgebied wordt gecreëerd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat deze stelling niet is toegelicht en dat dit onvoldoende is om het tegenovergestelde standpunt van de staatssecretaris te weerleggen. Deze stelling wordt bovendien gestaafd door in de overige door de stichting overgelegde rapporten zoals het Afdoend onderzoek. De rechtbank is daar ten onrechte aan voorbijgegaan. Wat betreft de mitigerende maatregelen, stelt de stichting dat die niet afdoende zijn, met name nu deze worden getroffen op plekken waar de waterspitsmuis niet voorkomt. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het standpunt dat tevens ontheffing van de verboden als bedoeld in artikel 9 en 10 van de Ffw had moeten worden aangevraagd in deze procedure niet aan de orde kan komen. De te verwachten overtredingen van deze artikelen zullen worden veroorzaakt doordat in de huidige ontheffing een onjuiste kalender met kwetsbare periodes is opgenomen. De rechtbank heeft dit miskend, aldus de stichting.

10.1.

De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1111 (lees: ECLI:NL:RVS:2012:BV5108) overwogen dat de staatssecretaris dient te beslissen op grondslag van de aanvraag zoals door de aanvrager ingediend en eventueel aangepast op zijn verzoek. Nu de aanvraag en de ontheffing niet zien op de in artikel 9 en 10 van de Ffw neergelegde verboden, kan de beroepsgrond dat eveneens diende te worden beoordeeld of ontheffing kon worden verleend van voormelde verboden niet in het kader van deze procedure tegen de ontheffing aan de orde komen. Dat overtredingen dreigen van de verbodsbepalingen van artikel 9 en 10 van de Ffw ten aanzien van de waterspitsmuis doordat in de ontheffing een onjuiste kalender zou zijn opgenomen, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft terecht verwezen naar de uitspraak van de rechtbank in de met deze zaak samenhangende handhavingszaak, waarin dit betoog in rechtsoverweging 15.1 en 15.2 aan de orde komt. Overigens heeft Uiteraard Uitermeer ter zitting te kennen gegeven dat de oevers waar werkzaamheden worden uitgevoerd voorafgaand ongeschikt zijn gemaakt voor waterspitsmuizen, dat die vervolgens naar naastgelegen delen zijn verhuisd en dat derhalve geen dieren worden gedood.

10.2.

Uit het Activiteitenplan volgt dat het laagveengebied rond Fort Uitermeer jaarrond leefgebied vormt van de waterspitsmuis. Volgens de website waarneming.nl zijn resten van de waterspitsmuis aangetroffen in braakballen die in 2013 zijn verzameld op Fort Uitermeer. Ook in de onderzoeken van Zoon Ecologie uit 2006, 2012 en 2014 volgt dat de oevers van de ’s-Gravelandsevaart, de buitengracht en de sloten rond het weiland waar de nieuwe parkeerplaats is gepland, leefgebied van de waterspitsmuis kunnen vormen. Met behulp van environmental DNA (hierna: eDNA) is de aanwezigheid van de waterspitsmuis vastgesteld in alle wateren binnen het plangebied. Aan de hand van een biotoopbeoordeling van 8 september 2014 is bevestigd dat voor de waterspitsmuis op meer plekken langs de oevers van de buitengracht geschikt leefgebied aanwezig is.

10.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de gunstige staat van instandhouding van de waterspitsmuis niet in gevaar komt en dat hij hierbij in aanmerking heeft mogen nemen dat de werkzaamheden tijdelijk van aard zijn en dat door het realiseren van natuurlijke oevers en het graven van nieuwe watergangen nieuw geschikt leefgebied wordt gecreëerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de stelling uit het rapport en de effectenanalyse, dat geen nieuw leefgebied ontstaat voor de waterspitsmuis omdat de te graven sloot langs het parkeerterrein ongeschikt zal zijn wegens trillingen en vervuilingen, niet met gegevens of bescheiden is gestaafd en derhalve niet kan leiden tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

Bittervoorn, rivierdonderpad, kleine modderkruiper, grote modderkruiper

11. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat met de voorgestelde maatregelen de gunstige staat van instandhouding van voormelde soorten niet in gevaar komt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat uit het Activiteitenplan en de notities van EcoGroen volgt dat Uiteraard Uitermeer onderzoek heeft laten uitvoeren naar de aanwezigheid van de grote modderkruiper in het plangebied en dat er geen aanknopingspunten zijn dat deze onderzoeken onzorgvuldig of anderszins ondeugdelijk zijn. Uit de rapporten van Els & Linde en van RAVON volgt dat de gunstige staat van instandhouding van genoemde soorten verloren gaat door de werkzaamheden. De rechtbank heeft miskend dat de watergangen die het veenweidegebied omsluiten niet in open verbinding staan met de Vecht of de ’s-Gravelandsevaart, waardoor het realiseren van een nieuwe sloot geen enkel soelaas zal bieden voor deze soorten, aldus de stichting.

11.1.

Uit het Activiteitenplan volgt dat de bittervoorn en de rivierdonderpad zijn waargenomen in de slotgracht. Hoewel de kleine modderkruiper niet is waargenomen wordt aangenomen dat de soort jaarrond gebruik maakt van de aanwezige wateren. De aanwezigheid van de grote modderkruiper is in alle wateren binnen het plangebied aangetoond met behulp van eDNA. Deze wateren kunnen het jaar rond leefgebied van de grote modderkruiper vormen.

11.2.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat door het realiseren van natuurvriendelijke oevers genoemde soorten op zoek moeten naar alternatief leefgebied, dat de omgeving daar voldoende over beschikt en dat de gunstige staat van instandhouding door het treffen van maatregelen zoals beschreven in het Activiteitenplan niet in gevaar komt. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de werkzaamheden de gunstige staat van instandhouding van genoemde soorten in gevaar komt. De stelling dat een geïsoleerde populatie van de grote modderkruiper geheel zal verdwijnen door de herinrichting van Fort Uitermeer is in het rapport van Els & Linde en Jansen niet nader toegelicht. De stelling van de stichting richt zich verder met name op de grote modderkruiper en het oordeel van de rechtbank dat Uiteraard Uitermeer voldoende onderzoek heeft laten verrichten naar deze soort. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat een watergang wordt gegraven en aangetakt aan bestaande sloten. Het leefgebied van de grote modderkruiper wordt daardoor tijdelijk verstoord door vertroebeling van het water. Als de vertroebeling verdwenen is, is het leefgebied weer zoals voorheen. De rechtbank heeft onder verwijzing naar het Activiteitenplan en de notities van EcoGroen terecht overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat met de voorgestelde maatregelen de gunstige staat van instandhouding van voormelde soorten niet in gevaar komt.

Het betoog faalt.

Andere bevredigende oplossing

12. De stichting betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de werkzaamheden die Uiteraard Uitermeer voornemens is te verrichten in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer. Niet is onderzocht of op een andere plek activiteiten kunnen worden gerealiseerd die zullen leiden tot inkomsten ten behoeve van het, volgens Uiteraard Uitermeer, noodzakelijke onderhoud. De rechtbank heeft dit miskend. Daarbij komt dat het fortterrein al wordt beheerd door een groep vrijwilligers, zodat het genereren van geldstromen niet noodzakelijk is, aldus de stichting.

12.1.

De gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis, de baardvleermuis (alle drie behorend tot de orde "Microchiroptera") en de heikikker ("Rana arvalis") behoren tot de strikt beschermde soorten, als genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt derhalve dat ontheffing slechts kan worden verleend indien naast de voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van deze soorten, geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op de in artikel 2, derde lid, van het Vrijstellingsbesluit genoemde belangen.

De waterspitsmuis, de bittervoorn en de grote modderkruiper zijn opgenomen in bijlage 1 van het Vrijstellingsbesluit. Voor deze soorten geldt derhalve dat ontheffing slechts kan worden verleend indien naast de voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van deze soorten, geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op de in artikel 2, derde lid, van het Vrijstellingsbesluit genoemde belangen.

12.2.

Uit het Activiteitenplan volgt dat Uiteraard Uitermeer, anders dan de stichting stelt, onderzoek heeft gedaan naar alternatieven voor de werkzaamheden waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft. Geconcludeerd is dat de werkzaamheden worden uitgevoerd in het kader van het Inrichtingsplan en dat dit plan bijdraagt aan de ontwikkeling van zowel natuur-, als landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Negatieve effecten op beschermde natuurwaarden zijn tijdelijk van aard en worden verzacht door het nemen van mitigerende maatregelen. Voor een aantal kritische soorten, met name vleermuizen, de waterspitsmuis, de ringslang en de heikikker, wordt het leefgebied zelfs duidelijk versterkt.

12.3.

Anders dan de stichting lijkt te stellen is het doel van de herinrichting van Fort Uitermeer niet het genereren van inkomsten, maar, zoals reeds onder 3 is overwogen, het fort voor het publiek toegankelijk te maken en de geschiedenis van het fort beter zichtbaar te maken. Bij dit alles staat het behoud en vergroten van natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden centraal. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de werkzaamheden die Uiteraard Uitermeer thans voornemens is te verrichten in het kader van de herinrichting van Fort Uitermeer. Hiertoe heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat niet valt in te zien hoe die werkzaamheden, zoals de stichting betoogt, plaats zouden kunnen vinden op het industrieterrein Noord te Weesp. De werkzaamheden zijn, zoals vermeld onder 5, locatiegebonden. Voor zover de stichting heeft bedoeld te betogen dat een congrescentrum en het restaurant, die volgens Uiteraard Uitermeer onder meer inkomsten kunnen genereren voor het onderhoud van het plangebied, ergens anders kunnen worden gerealiseerd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor die werkzaamheden geen ontheffing is verleend, zodat die vraag in deze procedure niet ter beoordeling voorligt.

Het betoog faalt.

Dwingende reden van groot openbaar belang

13. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het cultuurhistorisch belang een dwingende reden van openbaar belang is. Het cultuurhistorisch belang is geen ontheffingsgrond als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder e, van het Vrijstellingsbesluit en artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Nu uit het Activiteitenplan blijkt dat de gehele exploitatie van het fortterrein bovendien is afgestemd op een verdienmodel, ontbreekt een rapport waarin is toegelicht welke, en in welke omvang, inkomsten worden verwacht en waartoe deze opbrengsten zullen worden aangewend. Daarbij komt dat de rechtbank zelf heeft overwogen dat bepaalde activiteiten waaronder de realisatie van het ondergrondse restaurant, het congrescentrum en een bed & breakfast, pas na 2020 zullen worden gerealiseerd, zodat voor die tijd geen inkomsten te verwachten zijn. Nu de ontheffing is verleend tot en met 2019, kon het cultuurhistorisch belang dan ook niet als dwingende reden van groot openbaar belang aan deze ontheffing ten grondslag worden gelegd. Hierbij is volgens de stichting tevens van belang dat het gehele project niet als hoofddoel heeft "het behoud van cultuurhistorisch erfgoed" maar het realiseren van een recreatief steunpunt "recreatieve voorzieningen". Voorts blijkt uit het Inrichtingsplan dat de geldstromen, die zouden voortvloeien uit de verhuur van de geplande recreatieve voorzieningen, voornamelijk zullen worden aangewend om de gebouwen te onderhouden. Die gebouwen zijn evenwel nieuw en hebben derhalve geen enkel raakvlak met cultuurhistorisch erfgoed. Door het slopen van de oude gebouwen en het bouwen van nieuwe wordt het cultuurhistorisch erfgoed juist aangetast. De rechtbank beroept zich ten slotte ten onrechte op het arrest van Hof van Justitie van 20 september 2007 (Commissie tegen Italië), aldus de stichting.

13.1.

Voor zover de stichting eveneens heeft betoogd dat het door de staatssecretaris genoemde werkgeversbelang geen dwingende reden van openbaar belang vormt, heeft de rechtbank geoordeeld dat het werkgelegenheidsbelang, gelet op het beperkte aantal arbeidsplaatsen in verband met de activiteiten op Fort Uitermeer, onvoldoende substantieel is om de verlening van de ontheffing te rechtvaardigen. Hetgeen de stichting in dat kader heeft aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

13.2.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het cultuurhistorisch belang een dwingende reden van groot openbaar belang is. Zij heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat Fort Uitermeer deel uitmaakt van de (Oude) Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Met initiatieven ter instandhouding van het fort op de lange termijn en daarmee het behoud van cultuurhistorisch erfgoed, kan een dwingende reden van groot openbaar belang zijn gediend. Dit belang heeft de staatssecretaris in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van het voorkomen van aantasting van de vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde soorten, omdat die aantasting in dit geval gering en veelal tijdelijk is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de afweging van de staatssecretaris aansluit bij de lijn in het arrest van het Hof van Justitie van 20 september 2007, ECLI:EU:C:2007:532 (Commissie tegen Italië), waarin is geoordeeld dat het belang dat met de uitvoering van een project is gediend, dient te worden afgewogen tegen de aantasting van de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de in het gebied voorkomende soorten.

Voor zover de stichting voorts heeft gesteld dat de voor het milieu wezenlijk gunstige effecten ten onrechte en in strijd met de toetsing aan het wettelijk belang niet zijn aangetoond, duidt dit op een verkeerde lezing van artikel 2, derde lid, onder e, van het Vrijstellingsbesluit. In deze bepaling is de dwingende reden van groot openbaar belang opgenomen als belang als bedoeld in artikel 75, zesde lid, onder c, van de Ffw, waarvoor geldt dat ook voor het milieu gunstige effecten als zodanig kunnen worden aangemerkt. Dit betekent derhalve niet dat die effecten dienen te worden aangetoond als bewijs voor het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang, nu ook andere redenen onder dit begrip kunnen vallen.

Het betoog faalt.

Overige gronden

14. De stichting betoogt dat de rechtbank selectief gebruik heeft gemaakt van de stukken in het dossier. De rechtbank heeft vele bewijsstukken alsmede hetgeen ter zitting door de soortgespecialiseerde deskundige namens de stichting is toegelicht niet in haar oordeel betrokken of anders verwoord.

Voorts betoogt de stichting dat de rechtbank ten onrechte op een aantal gronden niet is ingegaan. Zo heeft de stichting gesteld dat de door de staatssecretaris genoemde mitigerende maatregelen niet als zodanig zijn aan te merken. Tevens is niet ingegaan op de stelling dat het project niet voldoet aan het wettelijk belang "met inbegrip van redenen van sociaal economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten" en dat de staatssecretaris ten tijde van de totstandkoming van de ontheffing niet de beschikking had over recente en volledige ecologische inventarisatiegegevens.

De stichting betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het betoog dat Uiteraard Uitermeer een milieueffectrapportage had moeten laten opstellen in verband met het naast Fort Uitermeer gelegen Natura 2000-gebied en dat diende te worden getoetst aan het beleid in het kader van de EHS waarin het plangebied deels ligt. Het besluit van 3 augustus 2015 is in strijd met het bestemmingsplan landelijk gebied van 27 juni 2013, nu daarin expliciet is vermeld dat de natuurwaarden op het fortterrein niet mogen worden aangetast. De oevers, fortgrachten, laanbeplanting, bos et cetera moeten geheel intact blijven, aldus de stichting.

14.1.

Blijkens hetgeen ter zitting bij de rechtbank is besproken en in de uitspraak is opgenomen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank selectief gebruik heeft gemaakt van de stukken of mededelingen. Dat niet alles wat is aangevoerd en naar voren is gebracht ter zitting in de uitspraak is verwerkt, is voor dat oordeel onvoldoende.

14.2.

De stichting betoogt evenwel terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar stelling over het ontbreken van een MER in verband met het naast het fortterrein gelegen Natura 2000-gebied alsmede de EHS. Dit leidt gelet op het navolgende echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Uit het Activiteitenplan volgt dat het herinrichtingsplan met zekerheid geen negatieve effecten tot gevolg heeft op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval is. Daarbij komt dat een plan als hier aan de orde niet is opgenomen in bijlage C of D van het Besluit milieueffectrapportage, zodat, anders dan de stichting stelt, geen verplichting bestaat een MER te laten opmaken.

Wat betreft de ligging in de EHS volgt uit het Activiteitenplan dat bij initiatieven voor ruimtelijke ingrepen in de EHS het bestemmingsplan bindend is. Dit betekent dat wanneer bij een ontwikkeling geen wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk is, in de regel niet getoetst hoeft te worden aan EHS-beleid, omdat ervan uit wordt gegaan dat de bescherming van de aanwezige waarden is vastgelegd in het bestemmingsplan. Nu, zoals de staatssecretaris ook te kennen heeft gegeven, de herinrichting is opgenomen en mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan, is een toetsing aan het EHS-beleid niet aan de orde. In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan heeft volgens het Activiteitenplan een algehele belangenafweging plaatsgevonden, waarbij ook rekening is gehouden met de waarden van de EHS. Zoals voorts volgt uit het Activiteitenplan heeft de gemeente Weesp geparticipeerd in het proces dat heeft geleid tot het vaststellen van het bestemmingsplan voor Fort Uitermeer. Medio 2013 heeft de gemeenteraad van Weesp het bestemmingsplan voor het fortterrein vastgesteld. Inmiddels is het bestemmingsplan onherroepelijk. In het bestemmingsplan is Fort Uitermeer opgenomen in de bestemming "Cultuur en ontspanning" en is de realisering van het Inrichtingsplan mogelijk gemaakt. Voor zover de stichting heeft betoogd dat het besluit van 3 augustus 2015 in strijd is met het bestemmingsplan faalt dit.

14.3.

De betogen falen.

Slotsom

15. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Veenboer

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016

730.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Flora- en faunawet

Artikel 2

1.Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voorzover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Artikel 9

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel 10

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel 11

Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Artikel 75

[…]

3. Onze Minister kan, voorzover niet overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 50, 51, 52, 53, 58, 59, tweede lid, 64, tweede lid, en 72, vijfde lid.

[…]

5. Vrijstellingen en ontheffingen worden tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

6. Onverminderd het vijfde lid, worden voor soorten genoemd in bijlage IV van richtlijn 92/43/EEG, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat:

[…],

c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

[…].

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna

Artikel 6

[…]

3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt

met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.

Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/ of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.

Bijlage IV

DIER- EN PLANTENSOORTEN VAN COMMUNAUTAIR BELANG DIE STRIKT MOETEN WORDEN BESCHERMD

De in deze bijlage opgenomen soorten moeten worden aangeduid:

— met de naam van de soort of de ondersoort, of

— met de verzamelnaam van de soorten die behoren tot een hoger taxon of tot een aangegeven deel van dit taxon.

De afkorting „spp." achter de naam van een familie of een genus dient ter aanduiding van alle soorten van deze familie of dit genus.

Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten

Artikel 2

1. Als beschermde inheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in

artikel 75, vijfde (thans: zesde) lid, van de wet zijn aangewezen de dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage 1 bij dit besluit.

[…]

3. Als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde (thans: zesde) lid, onderdeel c, van de wet zijn aangewezen:

[…]

e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

[…].

Bijlage 1 als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten