Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201602846/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:7391, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:1918, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen alsmede een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/299

Uitspraak

201602846/1/V1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 18 september 2015 en haar uitspraak van 25 maart 2016, beide in zaak nr. 15/1666 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen alsmede een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 18 september 2015 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan het besluit klevend gebrek te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 11 november 2015 heeft de staatssecretaris het besluit nader gemotiveerd.

Bij uitspraak van 25 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Boelens, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen als grieven 1 en 2 in het hogerberoepschrift tegen de tussenuitspraak is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van die uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2. De vreemdeling klaagt in grief 3 dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 26 augustus 2014, in samenhang bezien met de BMA-nota's van 2 februari 2015 en 10 november 2015, zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, zodat de staatssecretaris deze advisering terecht aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe voert de vreemdeling aan dat de BMA-nota van 10 november 2015 niet inzichtelijk is, omdat daarin wordt verwezen naar een geraadpleegde bron BMA-5562 die niet bij die BMA-nota is gevoegd. De rechtbank heeft miskend dat voor hem aldus niet valt te achterhalen op welke kliniek(en) het BMA het oog heeft, waardoor hij niet kan nagaan of de voor hem noodzakelijke behandeling aldaar aanwezig is, aldus de vreemdeling. De verwijzing naar de mogelijkheid tot behandeling door een gastro-enteroloog in het Ciwec Hospital Pvt Ltd te Kathmandu (hierna: het Ciwec Hospital) in het BMA-advies van 11 september 2015 volstaat in dit verband volgens hem niet, nu in dit BMA-advies tevens is geconcludeerd dat voor hem in Nepal geen of onvoldoende behandelmogelijkheden zijn.

2.1. De vreemdeling is afkomstig uit Nepal. In geschil is de vraag of de ziekte waaraan hij lijdt na zijn uitzetting naar Nepal aldaar direct of nagenoeg direct een levensbedreigend stadium zal bereiken.

2.2. In het BMA-advies van 26 augustus 2014 is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. De vreemdeling heeft de ziekte van Crohn (een darmziekte) en staat onder behandeling en controle van een maag-, darm- en leverarts (hierna: de mdl-arts). Als medicatie gebruikt hij onder meer Infliximab. Er is geen sprake van een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte; de lichamelijke ziekte is redelijk onder controle met de huidige medicatie. Indien behandeling na terugkeer ontbreekt, uitblijft dan wel onvoldoende is, is het mogelijk dat dit binnen drie maanden een onomkeerbaar proces naar de dood tot gevolg zal hebben. Uit bron BMA-5562 van 25 augustus 2014 blijkt dat behandeling aanwezig is en dat Infliximab niet aanwezig is in Nepal. Voor dit medicijn zijn geen directe alternatieven aanwezig, maar er zijn wel andere middelen aanwezig die bij de ziekte van Crohn gebruikt worden, zoals Methotrexaat, Mesalazine en Prednison. In bron BMA-5562 is over de behandeling vermeld dat klinische en poliklinische behandeling door een gastro-enteroloog aanwezig is in Nepal. Als medische instellingen worden genoemd het Ciwec Hospital en de Patan private clinic te Kathmandu.

In de BMA-nota van 2 februari 2015 is naar aanleiding van informatie van de mdl-arts over de in het BMA-advies genoemde alternatieve medicatie geconcludeerd dat de behandelmogelijkheden in Nepal als onvoldoende moeten worden beschouwd en reizen naar Nepal uit medisch oogpunt moet worden afgeraden totdat Infliximab aldaar aanwezig dan wel leverbaar is.

In het BMA-advies van 11 september 2015 is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. Gezien de voorgeschiedenis is er een gerede kans dat de ziekteactiviteit op korte termijn in hevige mate zal opvlammen, in eerste instantie resulterend in buikpijn en diarree. Niet kan worden uitgesloten dat er een levensbedreigende complicatie optreedt waarvoor opname en chirurgische interventie noodzakelijk zijn. Er zijn geen of onvoldoende behandelmogelijkheden voor de vreemdeling in Nepal. Uit bron BMA-7212 van 8 september 2015 blijkt dat behandeling door een gastro-enteroloog aanwezig is in het Ciwec Hospital en dat Infliximab niet aanwezig is in Nepal.

In de BMA-nota van 10 november 2015 is vermeld dat de BMA-nota van 2 februari 2015 niet juist is wat betreft de daarin genoemde behandelmogelijkheden en als volgt moet worden gewijzigd. De behandeling kan in Nepal als voldoende worden beschouwd om een direct levensbedreigend stadium dan wel terminaal stadium op korte termijn te voorkomen. Hierbij is de volgende toelichting gegeven. Uit bron BMA-5562 van 25 augustus 2015 (lees: 2014) blijkt dat er in Nepal een mogelijkheid tot opname is. Door de bewaking en symptoombestrijding die dan kunnen plaatsvinden, wordt voorkomen dat - indien de vreemdeling in een gecompliceerd verloop van zijn ziekte zal geraken doordat de medicatie die er wel is niet of onvoldoende aanslaat - hij op korte termijn in een direct levensbedreigend stadium van een ziekte zal geraken. Het is gelet op het BMA-advies van 26 augustus 2014 en de BMA-nota van 2 februari 2015 niet aannemelijk dat de vreemdeling zich ten tijde van het uitbrengen van die BMA-nota in een terminaal en direct levensbedreigend stadium van een ziekte bevond, nu hij medicatie heeft waarmee de darmproblemen onder controle gehouden kunnen worden.

2.3. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarvan het in de paragrafen 32 tot en met 41 van het arrest van 27 mei 2008, N. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505, een overzicht geeft, kan uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling, onder uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die een dusdanig stadium heeft bereikt, of door uitzetting direct of nagenoeg direct zal bereiken, dat hij door de uitzetting, bij gebrek aan het bestaan van medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden, die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt (zie de paragrafen 42 tot en met 45 van voormeld arrest).

2.4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794), strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

2.5. Vast staat dat Infliximab ten tijde van de voormelde BMA-adviezen en -nota's niet aanwezig was in Nepal.

Anders dan de vreemdeling aanvoert, is op zich voldoende duidelijk dat met de in de BMA-nota van 10 november 2015 genoemde bron BMA-5562 wordt gedoeld op de in het BMA-advies van 26 augustus 2014 genoemde bron BMA-5562 van 25 augustus 2014. In die bron worden twee medische instellingen genoemd. Van die twee instellingen wordt vervolgens in het BMA-advies van 11 september 2015 en de daarbij gevoegde - recentere - bron BMA-7212 van 8 september 2015 alleen het Ciwec Hospital genoemd. De vreemdeling voert terecht aan dat de BMA-nota van 10 november 2015 niet inzichtelijk is wat betreft de medische instelling(en) waarop wordt gedoeld, aangezien daarin niet wordt verwezen naar bron BMA-7212 maar alleen naar bron BMA-5562. Daaraan doet niet af dat het BMA-advies van 11 september 2015 is uitgebracht in het kader van artikel 64 van de Vw 2000, nu het om de aanwezigheid van behandelmogelijkheden voor de vreemdeling in Nepal gaat, welke vraag in het kader van artikel 3 van het EVRM en artikel 64 van de Vw 2000 op dezelfde wijze aan de orde is. De rechtbank heeft dit, door aan dit BMA-advies voorbij te gaan, niet onderkend.

Verder voert de vreemdeling terecht aan dat de beschikbaarheid van de mogelijkheid van ziekenhuisopname onvoldoende is om een levensbedreigende situatie te voorkomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in zowel het BMA-advies van 26 augustus 2014 als de BMA-nota van 10 november 2015 de conclusie dat de ziekte van de vreemdeling zich ten tijde van dat BMA-advies en die -nota niet bevond in een direct levensbedreigend stadium, is gerelateerd aan de door hem gebruikte medicatie, waaronder het in Nepal niet beschikbare medicijn Infliximab. De in de BMA-nota van 10 november 2015 vermelde bewaking en symptoombestrijding bij opname is voorts alleen gerelateerd aan het niet aanslaan van de medicatie die wel aanwezig is in Nepal. Het ontbreken van Infliximab is bij de beantwoording van deze vraag ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

Gelet op het vorenstaande heeft de staatssecretaris het BMA-advies van 26 augustus 2014, in samenhang bezien met de BMA-nota's van 2 februari 2015 en 10 november 2015, ten onrechte aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De einduitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 maart 2016 in zaak nr. 15/1666, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 26 januari 2015 in stand blijven;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2016

154.