Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201605967/1/A1 en 201605967/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de woning en de garage (hierna: het bouwplan) op het perceel aan de [locatie] te Roosendaal (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201605967/1/A1 en 201605967/2/A1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante A], [appellant B] en [appellante C] (hierna: [appellant] en anderen), wonend te Roosendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 juni 2016 in zaak nr. 15/7185 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de woning en de garage (hierna: het bouwplan) op het perceel aan de [locatie] te Roosendaal (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 september 2015 heeft het college opnieuw op het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar besloten, dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 24 april 2013, onder wijziging van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 23 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2016, waar [appellant B] en [appellante C], en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Bons en I. Kraus, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Het bouwplan voorziet in de vergroting van de woning en de garage op het perceel. Het geding is beperkt tot de vergroting van de garage tegen de zijgevel van de woning op het perceel.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kroeven" heeft het perceel de bestemming "Wonen - 2".

Ingevolge artikel 14.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen - 2" aangewezen gronden bestemd voor twee-aanéén gebouwde, geschakelde en vrijstaande woningen.

Ingevolge artikel 14.2, lid 14.2.3, aanhef en onder a, zijn bijgebouwen ter plaatse van het als zodanig aangegeven bouwvlak en buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak toegestaan, tenzij anders is aangegeven.

Ingevolge het bepaalde onder b mag het op de gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak gezamenlijk te bebouwen oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 50% van deze gronden bedragen, met bij bouwpercelen van 200 m² tot 500 m² een maximum van 45 m².

Ingevolge het bepaalde onder c dienen bijgebouwen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), zoals dit gold ten tijde van belang is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m,

b. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

c. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag, en

d. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1, voor zover thans van belang, komen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan.

4. De Afdeling heeft in de tussen partijen gedane uitspraak van 1 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1013) reeds over het bouwplan, voor zover het betreft de uitbreiding van de garage, geoordeeld. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de besluiten op bezwaar van 25 februari 2014 voor vernietiging in aanmerking kwamen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De aanleiding daarvoor was dat aan deze besluiten een bouwtekening van 22 december 2012 was gehecht, terwijl volgens de tekst van de besluiten omgevingsvergunning werd verleend voor het bouwplan zoals dit was weergegeven op een gewijzigde bouwtekening van 19 september 2013. Laatstgenoemde tekening maakte echter geen onderdeel uit van de besluiten.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 1 april 2015 voorts, voor zover thans relevant, gelet op het tussen [vergunninghouder] en [appellant] en anderen bestaande verschil van mening over de vraag of een deel van het bouwplan over de erfgrens is voorzien, ter voorlichting van partijen overwogen dat indien het college bij het nemen van een nieuw besluit wenst uit te gaan van de bouwtekening van 19 september 2013, er geen evidente privaatrechtelijke belemmering voor verlening van de omgevingsvergunning bestaat. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak verder geoordeeld dat nu het bouwplan ook voorziet in een wijziging van de bestaande garage, ook dat onderdeel van het bouwplan aan het bestemmingsplan moet worden getoetst. Nu de bestaande garage deels buiten het bouwvlak ligt en verder is gebleken dat op het perceel buiten het bouwvlak bijgebouwen en overkappingen aanwezig zijn met een oppervlakte van in totaal meer dan 45 m², heeft de Afdeling in het bouwplan zoals dit was weergegeven op de bouwtekening van 19 september 2013, meer strijdigheden met het bestemmingsplan vastgesteld dan het college had onderkend en geoordeeld dat het college daarmee bij het nemen van een nieuw besluit rekening diende te houden.

5. Aan het besluit op bezwaar van 29 september 2015 heeft het college een opnieuw gewijzigde bouwtekening van 5 april 2015 ten grondslag gelegd. Dit betreft derhalve de tekening conform welke [vergunninghouder] de bouw dient uit te voeren. Volgens deze tekening wijzigt niets aan de bestaande garage zodat het college zich op het standpunt stelt dat de bestaande garage niet in de toets aan het bestemmingsplan behoeft te worden meegenomen. De enige strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan is volgens het college dan nog, dat de uitbreiding van de garage zich 1 m achter de voorgevel van de woning bevindt terwijl dit volgens artikel 14.2, lid 14.2.3, aanhef en onder c, van de planregels, 3 m moet zijn.

Het college heeft voor deze strijdigheid met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, van Bijlage II bij het Bor, een omgevingsvergunning verleend. Het heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het bouwplan kan worden uitgevoerd ingevolge artikel 3, aanhef en onder 1, van Bijlage II bij het Bor, en dus een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet is vereist.

6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat met het besluit van 29 september 2015, in het bijzonder de gewijzigde bouwtekening van 5 april 2015, niet wordt tegemoetgekomen aan hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 1 april 2015. Volgens hen maakt de bestaande garage nog altijd deel uit van het bouwplan omdat deze ook volgens de tekening van 5 april 2015 wordt verhoogd. Het college heeft daarom ten onrechte niet het bouwplan als geheel getoetst aan de bestemmingsplanregels, het Bor en de redelijke eisen van welstand. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] en anderen miskend dat in het besluit van 29 september 2015 wordt uitgegaan van onjuiste maatvoeringen.

6.1. De Afdeling stelt vast dat volgens de bouwtekening van 5 april 2015 de toegestane bouwhoogte van de vergunde uitbreiding van de garage 2,53 m is.

De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat bij de vergunde bouwhoogte, die blijkt uit de tekening, wordt voorkomen dat het bestaande deel van de garage wordt verhoogd. Nu aldus volgens de tekening door het onderhavige bouwplan de bestaande garage niet wordt verhoogd en ook volgens de tekening anderszins niets wijzigt aan de bestaande garage, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de bestaande garage niet tot het bouwplan behoort en deze bij de beoordeling van het bouwplan derhalve buiten beschouwing kan blijven. Dat de rechtbank spreekt over een bouwhoogte van 2,54 m waar dit volgens de tekening 2,53 m is, beschouwt de Afdeling als een kennelijke verschrijving, die niet afdoet aan de juistheid van de overweging van de rechtbank.

Anders dan [appellant] en anderen betogen, is met het nieuwe bouwplan zoals weergegeven op de tekening van 5 april 2015, wel tegemoetgekomen aan hetgeen de Afdeling heeft overwogen in rechtsoverweging 5.2 van de eerdergenoemde uitspraak van 1 april 2015. De Afdeling heeft in die procedure een ander bouwplan beoordeeld, namelijk het bouwplan zoals weergegeven op de tekening van 19 september 2013. Daarbij werd een hoogte van 2,95 m vergund voor de uitbreiding van de garage, waarbij tevens werd vergund dat de bestaande garage werd verhoogd tot die hoogte. Deze wijziging aan de bestaande garage leidde de Afdeling in die procedure tot de conclusie dat het bestaande deel van de garage ook tot het bouwplan behoorde en aan het bestemmingsplan diende te worden getoetst. Nu dit bij het nieuwe besluit zoals vermeld niet meer aan de orde is, bestaat in deze procedure geen aanleiding meer voor dat oordeel. Dat het bouwplan voorziet in een wijziging van de bestaande garagemuur, zoals [appellant] en anderen eveneens betogen, kan niet worden afgeleid uit de bouwtekening en volgt ook anderszins niet uit het bestreden besluit.

Dat, zoals [appellant] en anderen verder stellen, feitelijk de bestaande garage wel wordt verhoogd, leidt niet tot een ander oordeel. Indien [appellant] en anderen menen dat in afwijking van de verleende vergunning hoger dan 2,53 m wordt gebouwd, kunnen zij het college om handhavend optreden verzoeken.

Voor het oordeel dat met het nieuwe besluit niet is tegemoetgekomen aan hetgeen de Afdeling in rechtsoverweging 5.3 van de uitspraak van 1 april 2015 heeft overwogen, bestaat evenmin grond. De Afdeling heeft daarin zoals vermeld, gelet op het tussen [vergunninghouder] en [appellant] en anderen bestaande verschil van mening over de vraag of een deel van het bouwplan over de erfgrens is voorzien, ter voorlichting van partijen overwogen dat indien het college bij het nemen van een nieuw besluit wenst uit te gaan van de bouwtekening van 19 september 2013, er geen evidente privaatrechtelijke belemmering voor verlening van de omgevingsvergunning bestaat. Nu met de bouwtekening van 5 april 2015 evenals met de bouwtekening van 19 september 2013 een breedte van het bouwwerk van 2,53 m is vergund, bestaat geen aanleiding om in deze procedure tot het oordeel te komen dat wel een evidente privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in het standpunt dat voor de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, geen omgevingsvergunning is vereist. Artikel 3, aanhef en eerste lid, onder d, van bijlage II bij het Bor vereist daartoe dat het bouwwerk niet is voorzien van een dakterras, een balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte. Dat is het bouwwerk volgens [appellant] en anderen wel, nu het bouwplan voorziet in een toegankelijk plat dak dat aansluit bij het bestaande balkon/dakterras achter de woning van [vergunninghouder].

7.1. Zoals hiervoor is overwogen, is het bouwplan, voor zover het betreft de uitbreiding van de garage, beperkt tot die uitbreiding aan de voorzijde van de bestaande garage. Deze uitbreiding van de garage wordt volgens de bouwtekening voorzien van een plat dak met een tweetal lichtkoepels. Dit platte dak met lichtkoepels is niet bedoeld voor verblijf en kan niet worden aangemerkt als een dakterras of een balkon, en evenmin als een andere niet op de grond gelegen buitenruimte, zoals bedoeld in artikel 3, aanhef en eerste lid, onder d, van bijlage II bij het Bor. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat gelet op deze bepaling, het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de activiteit bouwen geen omgevingsvergunning is vereist.

Hieruit volgt voorts dat de rechtbank, anders dan [appellant] en anderen betogen, eveneens terecht heeft geoordeeld dat voor het college geen wettelijke plicht bestond om het bouwplan ter toetsing aan de redelijke eisen van welstand aan de Commissie voor de ruimtelijke kwaliteit voor te leggen.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Bolleboom

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2016

641.