Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201506135/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:6346, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/298
JB 2016/224 met annotatie van J.H. Keinemans
NJB 2016/1963

Uitspraak

201506135/1/V2.

Datum uitspraak: 13 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2015 in zaak nr. 15/2934 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 11 februari 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In grief 1 voert de vreemdeling aan dat de rechtbank het beroep op betalingsonmacht ten onrechte niet heeft gehonoreerd, omdat het verschuldigde bedrag al automatisch via de rekening-courantverhouding met haar gemachtigde was voldaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte nagelaten te bepalen dat de griffier het door haar gemachtigde voorgeschoten bedrag terugbetaalt.

1.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3650) is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (grote kamer) van 13 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:282, voor haar leidend bij de beoordeling van beroepen op betalingsonmacht. Uit deze rechtspraak volgt verder dat een rechtzoekende in zaken waarop de Vw 2000 van toepassing is en waarin geen verzet mogelijk is, een beroep op betalingsonmacht kan doen totdat op het (hoger) beroep uitspraak is gedaan.

1.2. Zoals is overwogen in de uitspraak van de grote kamer heeft de wetgever met de heffing van griffierecht in bestuursrechtelijke zaken onder meer beoogd, dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (Kamerstukken II 1984/85, 18 835, nr. 3, blz. 6). Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat heffing van griffierecht niet tot gevolg mag hebben dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden in feite de toegang tot de bestuursrechter wordt ontnomen (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Ook bij het vaststellen van de hoogte van het bedrag aan griffierecht, is de wetgever uitgegaan van gevallen waarin de betrokken rechtzoekenden over de financiële middelen beschikken om het verschuldigde griffierecht te betalen, en dus in staat zijn de daaruit voortvloeiende last af te wegen tegen het nut van het voeren van een gerechtelijke procedure.

1.3. De enkele omstandigheid dat de griffier van de rechtbank het griffierecht automatisch ten laste van de rekening-courant van de gemachtigde van een rechtzoekende heeft gebracht, dan wel de gemachtigde het griffierecht voor een rechtzoekende heeft voorgeschoten ter voorkoming van niet-ontvankelijkverklaring, is niet voldoende om het beroep op betalingsonmacht niet te honoreren. Daarvoor is vereist dat aan de hand van de in de uitspraak van de grote kamer genoemde criteria wordt beoordeeld of een rechtzoekende, gelet op zijn inkomens- en vermogenspositie, een geslaagd beroep op betalingsonmacht toekomt.

1.4. Ook bij de rechtbank was niet in geschil dat het de vreemdeling door het ontbreken van een geldige verblijfsstatus niet was toegestaan in Nederland te werken en dat zij om die reden evenmin recht had op een socialezekerheidsuitkering. Daarmee behoort zij tot de categorie rechtzoekenden waarvoor volgens de uitspraak van de grote kamer het inkomen niet van belang is, maar slechts of zij over vermogen beschikt. Tenzij de vreemdeling uit eigen beweging een verklaring had overgelegd waaruit blijkt dat zij niet over vermogen beschikt, diende de griffier van de rechtbank haar in de gelegenheid te stellen om binnen een door hem te stellen termijn een dergelijke verklaring over te leggen. Zoals volgt uit hetgeen onder 1.3. is overwogen, heeft de griffier dat in dit geval achterwege gelaten.

1.5. Desgevraagd heeft de vreemdeling door overlegging van het door de griffier van de Afdeling toegezonden formulier verklaard in Nederland en/of in het buitenland niet over vermogen te beschikken. Gezien het beperkte tijdsverloop tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en het instellen van hoger beroep bij de Afdeling moet het ervoor worden gehouden dat dit ten tijde van belang ook gold voor de rechtbank. Dit betekent dat de rechtbank het beroep op betalingsonmacht ten onrechte niet heeft ingewilligd en in het verlengde hiervan ten onrechte heeft nagelaten te bepalen, dat de griffier het ten laste van de rekening-courant gebrachte bedrag aan de gemachtigde van de vreemdeling terugbetaalt.

2. Hetgeen als grief 2 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten om te bepalen dat de griffier van de rechtbank het betaalde griffierecht aan de gemachtigde van de vreemdeling terugbetaalt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt de griffier van de rechtbank gelast dit alsnog te doen.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Omdat de griffier van de Afdeling de vreemdeling heeft bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht, bestaat geen grond te bepalen dat de staatssecretaris aan de vreemdeling het voor de behandeling van het hoger beroep verschuldigde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2015 in zaak nr. 15/2934, voor zover de rechtbank heeft nagelaten om te bepalen dat de griffier van de rechtbank het betaalde griffierecht terugbetaalt;

III. gelast dat de griffier van de rechtbank aan de gemachtigde van de vreemdeling het betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep terugbetaalt;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bosma

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2016

284.