Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201603675/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2015 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het college besloten het (brom)fietspad van de Wichard van Pontlaan te Zaltbommel op te heffen ten behoeve van de realisatie van een nieuwe wijkontsluitingsweg en een 30 km/u-zoneportaal te plaatsen bij het ingaan van deze nieuwe ontsluitingsweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201603675/2/A1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker] en anderen, wonend te Zaltbommel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 april 2016 in zaak nr. 15/6056 in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2015 (hierna: het verkeersbesluit) heeft het college besloten het (brom)fietspad van de Wichard van Pontlaan te Zaltbommel op te heffen ten behoeve van de realisatie van een nieuwe wijkontsluitingsweg en een 30 km/u-zoneportaal te plaatsen bij het ingaan van deze nieuwe ontsluitingsweg.

Bij besluit van 1 september 2015 heeft het college het door een aantal omwonenden daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 16 maart 2015 herroepen en opnieuw besloten tot het opheffen van het (brom)fietspad van de Wichard van Pontlaan te Zaltbommel ten behoeve van de realisatie van een nieuwe wijkontsluitingsweg en tot het plaatsen van een 30 km/u-zoneportaal bij het ingaan van deze nieuwe ontsluitingsweg.

Bij uitspraak van 7 april 2016 heeft de rechtbank het door [verzoeker] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 september 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker] en anderen hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2016, waar [verzoeker] en het college, vertegenwoordigd door M.A. Renders en mr. A.C. van Dam-van Genderen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De Wichard van Pontlaan is een erftoegangsweg in de wijk Waluwe. Aan de oostkant van de wijk vinden ruimtelijke ontwikkelingen plaats, als gevolg waarvan de verkeersdruk op bestaande ontsluitingswegen van de wijk zal toenemen. Het is volgens het college daarom noodzakelijk een extra wijkontsluiting te creëren om het verkeer beter te verdelen over de verschillende wegen. Het verkeersbesluit moet dit mogelijk maken door de Wichard van Pontlaan aan te sluiten op de rotonde Steenweg, gelegen ten noordwesten van de wijk, en daarvan een erftoegangsweg met verzamelfunctie te maken. Het bestaande (brom)fietspad dat tussen de rotonde en de Wichard van Pontlaan ligt, zal daartoe worden aangepast en opengesteld voor gemotoriseerd verkeer. Tevens wordt ter hoogte van de rotonde een 30 km/u-zoneportaal geplaatst. Het in 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Zaltbommel" maakt een weg ter plaatse van het (brom)fietspad planologisch mogelijk.

[verzoeker] en anderen wonen aan dan wel nabij de Wichard van Pontlaan. Zij zijn beducht voor onder meer (geluid)overlast als gevolg van de toename van gemotoriseerd verkeer op deze weg.

3. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat in afwachting van de uitspraak op het door [verzoeker] en anderen ingestelde hoger beroep het college niet zal overgaan tot uitvoering van het in bezwaar gehandhaafde verkeersbesluit.

4. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, voor zover hier van belang, moet de plaatsing of verwijdering van de borden die zijn opgenomen in hoofdstuk E van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

5. [verzoeker] en anderen betogen dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 1 september 2015 ten onrechte in stand heeft gelaten. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich bij het nemen van het verkeersbesluit niet heeft kunnen baseren op de resultaten van het verkeersmodel van Goudappel Coffeng uit 2013. Daartoe voeren zij aan dat niet alle verkeersstromen in beeld zijn gebracht en dat de verwachte verkeersintensiteit slechts is berekend en dat de uitkomsten niet door middel van verkeerstellingen zijn geverifieerd. Voorts voeren zij aan dat zich na 2013 ontwikkelingen hebben voorgedaan waarmee in het verkeersmodel geen rekening is gehouden, als gevolg waarvan de verkeersintensiteit hoger zal liggen dan waarvan het college is uitgegaan. Zij wijzen erop dat recent een sportcomplex ten westen van de wijk is gerealiseerd en dat op korte termijn een grote Lidl-supermarkt zal worden gevestigd bij de Nieuwe Watertoren aan de Steenweg.

[verzoeker] en anderen betogen verder dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor bewoners van woningen aan de Wichard van Pontlaan en omwonenden te groot zijn. Zij wijzen daarbij allereerst op het grote aantal motorvoertuigen dat naar verwachting gebruik zal maken van de Wichard van Pontlaan. Daartoe voeren zij aan dat thans onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor het nabijgelegen sportcomplex, waardoor bezoekers mogelijk zullen parkeren in de Wichard van Pontlaan en parkeeroverlast kan ontstaan. Voorts voeren zij aan dat is miskend dat de Wichard van Pontlaan ook gebruikt zal worden door vrachtverkeer, terwijl deze voorheen gesloten was voor vrachtverkeer. Volgens hen kan openstelling voor vrachtverkeer daarom niet zonder meer plaatsvinden. Tot slot voeren [verzoeker] en anderen aan dat het verkeersbesluit leidt tot waardedaling van hun woningen en dat deze moeilijker verkoopbaar zullen zijn.

5.1. Het college heeft zich bij het nemen van het verkeersbesluit gebaseerd op het rapport "Ontsluiting van de wijk de Waluwe, onderzoek naar de ontwikkeling van denkwijzen over de ontsluiting van de wijk de Waluwe en het aandragen van verbeterpunten" van MaS Mobiliteitsadvies Sligter van juni 2012 (hierna: het rapport) en het verkeersmodel "Rivierenland 2013" van adviesbureau Goudappel Coffeng (hierna: het verkeersmodel). In het rapport staat dat uit een modelberekening van april 2012 blijkt dat de verkeersintensiteit op de Wichard van Pontlaan na aansluiting op de rotonde Steenweg ongeveer 1.800 motorvoertuigen per etmaal als werkdaggemiddelde zal bedragen. In het besluit van 1 september 2015 staat dat de in het verkeersmodel hoogst berekende verkeersintensiteit zich zal voordoen ter hoogte van de rotonde Steenweg en dat deze in 2025 ongeveer 2.000 motorvoertuigen per etmaal als werkdaggemiddelde bedraagt.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeersbesluit ten onrechte is gebaseerd op de resultaten van een verkeersmodel. Een verkeersmodel is een gebruikelijke methode om de te verwachten verkeersintensiteiten in de nabije toekomst als gevolg van verkeersmaatregelen te berekenen. [verzoeker] en anderen hebben niet geconcretiseerd in welk opzicht de in het verkeersmodel gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. Voor het oordeel dat de gehanteerde uitgangspunten hadden moeten worden geverifieerd aan de hand van verkeerstellingen bestaat om die reden evenmin aanleiding.

In het verkeersmodel zijn ontwikkelingen betrokken die in 2013 een redelijke mate van concreetheid hadden. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat in het verkeersmodel geen rekening gehouden is met het inmiddels aanwezige sportcomplex en de toekomstige Lidl-supermarkt, omdat dit in 2013 nog geen concrete ontwikkelingen waren. Dit is door [verzoeker] en anderen niet betwist.

Het college heeft wat betreft het sportcomplex toegelicht dat verkeer van en naar het sportcomplex niet tot gevolg zal hebben dat de verkeersintensiteit op de Wichard van Pontlaan hoger zal zijn dan is berekend. Het verkeer van en naar het sportcomplex zal voornamelijk in het weekend plaatsvinden, wanneer de verkeersintensiteit op ontsluitingswegen aanzienlijk lager is dan op werkdagen. De verkeersintensiteit zal daardoor naar verwachting niet hoger zijn dan het berekende aantal motorvoertuigen per etmaal als werkdaggemiddelde, aldus het college. Dit acht de voorzieningenrechter niet onaannemelijk.

In het aangevoerde ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat onvoldoende betekenis is toegekend aan de gevolgen van het sportcomplex. De voorzieningenrechter acht voorts niet aannemelijk gemaakt dat het niet betrekken van de Lidl-vestiging bij de Nieuwe Watertoren leidt tot een dusdanige toename van het verkeer op de Wichard van Pontlaan dat het college zich niet mocht baseren op de resultaten van het verkeersmodel.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank in de berekende verkeersintensiteit in 2025 op de Wichard van Pontlaan geen aanleiding moeten zien voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar niet in stand konden worden gelaten.

5.2. Het college acht de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor bewoners van woningen aan de Wichard van Pontlaan en omwonenden acceptabel. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het uit een oogpunt van verkeersveiligheid een verkeersintensiteit van 3.000 motorvoertuigen per etmaal als werkdaggemiddelde op soortgelijke wegen ook nog acceptabel acht. Een dergelijke verkeersintensiteit wordt verwacht op onder meer de Fiep Westendorplaan, die evenals de Wichard van Pontlaan een erftoegangsweg met verzamelfunctie betreft. Verder heeft het college in aanmerking genomen dat de verkeersveiligheid voor weggebruikers en omwonenden wordt gediend doordat de Wichard van Pontlaan een 30 km/u-weg is en kruisingen op plateaus liggen, waarbij rechts voorrang heeft. Voorts acht het college op grond van een memo van de Omgevingsdienst Rivierenland van 7 januari 2016, waarin de geluidproductie van het wegverkeer op de Wichard van Pontlaan is berekend, het geluidniveau voor omwonenden aanvaardbaar. Het college heeft in de door [verzoeker] en anderen gestelde waardedaling en moeilijkere verkoopbaarheid van hun woningen geen aanleiding gezien om af te zien van het verkeersbesluit.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor bewoners van woningen aan de Wichard van Pontlaan en omwonenden zodanig zijn dat de rechtsgevolgen niet in stand konden worden gelaten. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in het verkeersmodel ervan is uitgegaan dat er geen verbod voor vrachtverkeer aanwezig is, zodat ook vrachtwagens daarin zijn meegenomen. Het vrachtverkeer houdt volgens het college overigens met name verband met het winkelcentrum De Portage en met winkeliers is afgesproken dat de bevoorrading plaatsvindt via de Hogeweg en Van Heemstraweg West. Wat betreft de gestelde mogelijke parkeerhinder ten gevolge van een tekort aan parkeerplaatsen bij het sportcomplex, heeft het college ter zitting te kennen gegeven dat extra parkeerplaatsen nabij het sportcomplex zullen worden gerealiseerd. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat het verkeersbesluit leidt tot onevenredige parkeeroverlast op de Wichard van Pontlaan.

Gelet op het vorenoverwogene wordt in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden worden gelaten.

Het betoog faalt.

6. Gezien het voorgaande zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten om op voorhand aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand zal houden. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Heusden

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2016

163-784.