Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201603261/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2016 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603261/1/V3.

Datum uitspraak: 13 juli 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 april 2016 in zaak nr. 16/7523 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2016 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming bevolen en schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordig door mr. E.R. Hagenaars, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 11 april 2016 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zijn gemachtigde heeft die aanvraag op 14 april 2016 schriftelijk ingetrokken. De vreemdeling is vervolgens op 15 en 18 april 2016 gehoord. Op 20 april 2016 is met de vreemdeling een vertrekgesprek gevoerd en op 21 april 2016 is voor hem een vlucht aangevraagd naar het land van herkomst.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat tijdens het gehoor op 15 april 2016 bij de staatssecretaris twijfel is ontstaan of de vreemdeling de asielaanvraag daadwerkelijk wilde intrekken en dat het, gelet op die twijfel, op de weg van de staatssecretaris had gelegen om op die dag contact met de gemachtigde van de vreemdeling te leggen, teneinde op zo kort mogelijke termijn helderheid te verkrijgen over de intrekking van de aanvraag. Door dit na te laten en pas op 18 april 2016 de voorbereiding van het vertrek van de vreemdeling weer op te pakken, heeft de staatssecretaris onvoldoende voortvarend gehandeld. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de staatssecretaris in dit geval, gelet op de aanwezige removal order, in redelijkheid binnen een termijn van maximaal drie dagen na 14 april 2016 een vlucht had kunnen aanvragen.

3. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, gelet op de aanwezige removal order, in redelijkheid binnen een termijn van maximaal drie dagen na 14 april 2016 een vlucht had kunnen aanvragen. Hij voert aan dat overleg met de luchtvaarmaatschappij, zeker als op grond van de removal order een andere bestemming dan de luchthaven van waar de vreemdeling afkomstig is gekozen moet worden, extra tijd kan vergen. Ook overigens is de door de rechtbank gestelde termijn niet in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Afdeling over redelijke termijnen indien een meer dan gebruikelijke voortvarendheid aan de dag moet worden gelegd, aldus de staatssecretaris.

3.1. De vreemdeling beschikte ten tijde van het opleggen van de maatregel over een geldig, op zijn naam gesteld, Albanees paspoort, op basis waarvan hij naar Albanië kon worden uitgezet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 december 2009; ECLI:NL:RVS:2009:53), ligt het onder die omstandigheden op de weg van de staatssecretaris bij de handelingen ter voorbereiding van de uitzetting een meer dan gebruikelijke voortvarendheid te betrachten. Het op 20 april 2016 met de vreemdeling gevoerde vertrekgesprek en de op 21 april 2016 aangevraagde vlucht zijn handelingen van directe betekenis voor zijn uitzetting. Daarmee heeft de staatssecretaris na de intrekking van de asielaanvraag de uitzetting voldoende voortvarend ter hand genomen.

De grief slaagt in zoverre.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in de enige grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het in 3.1. overwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgrond geen aanleiding geeft voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 april 2016 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 april 2016 in zaak nr. 16/7523;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016

47.