Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2772

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201409644/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2014, kenmerk 2013-007037, heeft de raad het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1065

Uitspraak

201409644/3/R1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Lochem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2014, kenmerk 2013-007037, heeft de raad het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Stichting Belangen Ruitersport Laren een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2015, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H. van Veldhuisen, werkzaam bij de maatschap voor Ruimtelijke Ordening, en J. Mook, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Belangen Ruitersport Laren, vertegenwoordigd door G.H. Braakman, gehoord.

Bij de tussenuitspraak van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2836, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 oktober 2014 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 18 januari 2016, kenmerk 2013-007037, het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze over het besluit van 18 januari 2016 naar voren te brengen. [appellant] en anderen hebben hiervan gebruik gemaakt. Daarnaast hebben [appellant] en anderen een nader stuk ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 7 juli 2016, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. T.D. Rijs, advocaat te Zutphen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. H. van Veldhuisen, werkzaam bij de maatschap voor Ruimtelijke Ordening, en ing. A. de Bert, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Belangen Ruitersport Laren, vertegenwoordigd door G.H. Braakman en C.K. Renskers, gehoord.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling in het besluit van 13 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" een aantal gebreken geconstateerd.

Ten aanzien van het aspect parkeren heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het plan voorziet in een aanvaardbare parkeersituatie tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen.

Ten aanzien van het aspect geluid heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het akoestisch onderzoek ‘Paardensportvereniging St. Steffenrijders. Uitbreiding accommodatie Verwoldseweg 26a te Laren’ van 27 augustus 2014, in opdracht van Paardenvereniging St. Steffenrijders opgesteld door Alcedo B.V. aan het plan van 13 oktober 2014 ten grondslag kon worden gelegd.

Ten aanzien van het aspect landschappelijke inpassing heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat de raad niet heeft bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen, voor zover de in het Inrichtings- en beheerplan opgenomen strook met beplanting aan de zuidzijde van het perceel niet geheel op het perceel van initiatiefnemer is gesitueerd.

Vanwege onder meer deze gebreken heeft de Afdeling in rechtsoverweging 20 van de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 13 oktober 2014 is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep van [appellant] en anderen tegen dit besluit is daarmee gegrond. Dit heeft tot gevolg dat het besluit van 13 oktober 2014 dient te worden vernietigd.

1.1. De Afdeling heeft de raad bij de tussenuitspraak opgedragen om binnen twintig weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omgeschreven gebreken in het besluit van 13 oktober 2014 te herstellen door met inachtneming van rechtsoverweging 21 van de tussenuitspraak een nieuw besluit te nemen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 18 januari 2016 het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelplan).

Hersteltermijn

2. [appellant] en anderen betogen dat de raad het herstelplan niet tijdig aan de Afdeling heeft toegezonden, waardoor de uitkomst van de gegeven opdracht niet binnen de in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn aan de Afdeling is medegedeeld.

2.1. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak onder meer opdragen om binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 8:51d van de Awb, het gebrek te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn eindigde op 27 januari 2016.

Vast staat dat het herstelplan is vastgesteld op 18 januari 2016 en op 20 januari 2016 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Bij brief van 20 januari 2016, bij de Afdeling binnengekomen op 22 januari 2016, heeft de raad de uitkomst van de tussenuitspraak en de bekendmaking van het herstelplan medegedeeld. Hieruit volgt dat de raad de uitkomst van de tussenuitspraak aan de Afdeling heeft medegedeeld binnen de termijn van twintig weken na verzending van de tussenuitspraak. Dat de papieren versie van het herstelplan kort na 27 januari 2016 bij de Afdeling is binnengekomen, maakt dit niet anders omdat de gegeven opdracht daar niet op ziet.

Dit betoog van [appellant] en anderen mist feitelijke grondslag.

Herstelplan

3. Met het herstelplan heeft de raad het besluit van 13 oktober 2014 vervangen en beoogd aan de opdracht van de Afdeling te voldoen. Het herstelplan wordt gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. [appellant] en anderen hebben een zienswijze over het herstelplan naar voren gebracht. In hun zienswijze gaan zij in op het aspect parkeren tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen, het aspect geluid, de bezoekersaantallen, de landschappelijke inpassing van de manege en de bebouwingsmogelijkheden op het perceel. Deze aspecten zullen in het navolgende afzonderlijk worden besproken.

Parkeren

4. [appellant] en anderen betogen dat in het herstelplan ten onrechte geen regels zijn opgenomen die verzekeren dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd en in stand gehouden. Sinds de inwerkingtreding van de Reparatiewet Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2014 (Stb. 2014, 458, hierna: de Reparatiewet BZK 2014) op 29 november 2014 dienen parkeernormen of een verwijzing daarnaar rechtstreeks in het plan te worden opgenomen, aldus [appellant] en anderen.

4.1. Ingevolge artikel 133, eerste lid, van de Woningwet blijven voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van wijziging van het bestemmingsplan voor het gebied, doch uiterlijk tot 1 juli 2018.

Artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 bevatte de grondslag voor het regelen van voorschriften van stedenbouwkundige aard, zoals voorschriften over parkeren. Uit artikel 133, eerste lid, van de Woningwet volgt dat voor gronden waarvoor na 29 november 2014 een bestemmingsplan wordt vastgesteld vanaf het moment van vaststelling van dat plan onder meer artikel 8, vijfde lid, zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 niet meer van toepassing is. Nu het herstelplan is vastgesteld na 29 november 2014, hebben de bepalingen uit de Bouwverordening van de gemeente Lochem ten aanzien van onder meer de voorschriften over parkeren dan ook geen gelding meer voor dit plan.

4.2. De raad stelt onder verwijzing naar artikel 3, lid 3.3, onder f, van de planregels dat is verzekerd dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand gehouden. In deze planregel is bepaald dat bij het gebruik ten behoeve van sportvoorzieningen op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Uit deze bepaling valt niet af te leiden wanneer sprake is van voldoende parkeergelegenheid. De raad heeft in dit verband toegelicht dat hij voor het bepalen van de parkeerbehoefte als gevolg van de in het herstelplan voorziene ontwikkeling, gebruik maakt van de CROW-parkeerkencijfers. In artikel 3, lid 3.3, onder f, van de planregels is echter geen verwijzing naar bijvoorbeeld een specifieke uitgave van de CROW-parkeerkencijfers opgenomen, zodat het herstelplan in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog slaagt.

5. Gelet op het voorgaande is het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] en anderen tegen het herstelplan gegrond. De Afdeling ziet aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 18 januari 2016 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren" is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit heeft tot gevolg dat het besluit van 18 januari 2016 dient te worden vernietigd.

6. Met het oog op nadere besluitvorming ziet de Afdeling vanuit het oogpunt van effectieve geschillenbeslechting aanleiding ook in te gaan op de hierna volgende beroepsgronden van [appellant] en anderen. Hierbij zal de Afdeling naar aanleiding van hetgeen de raad in de stukken en ter zitting heeft medegedeeld met betrekking tot het aspect parkeren uitgaan van de aanname dat ten behoeve van hetgeen het herstelplan mogelijk maakt, 52 parkeerplaatsen voor onder andere auto’s met paardentrailers benodigd zijn.

7. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen een parkeerbehoefte van 52 parkeerplaatsen bestaat. Hiertoe voeren zij aan dat de raad bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen ten onrechte uitgaat van de CROW-norm 0,3 parkeerplaats per paard. Aan deze parkeernorm ligt volgens hen ten grondslag dat de paarden in boxen op de manege verblijven, hetgeen op grond van planregels niet is toegestaan. Verder wijzen zij erop dat in het akoestisch onderzoek dat aan het herstelplan ten grondslag is gelegd, wordt uitgegaan van in totaal 65 voertuigen tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden binnen het plangebied waarop parkeren mogelijk is gemaakt in ieder geval ruimte bieden voor 52 ruime parkeerplaatsen voor auto’s met paardentrailers. Volgens de raad is dit aantal ruim voldoende voor een aanvaardbare parkeersituatie tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen. In dit verband heeft de raad toegelicht dat hij het aantal parkeerplaatsen berekent aan de hand van de CROW-parkeerkencijfers. Het CROW hanteert volgens de raad als uitgangspunt 0,3 parkeerplaats per paard. Omdat op grond van de planregels per wedstrijd of ander hippisch evenement niet meer dan 30 paarden en/of pony’s tegelijkertijd aanwezig mogen zijn, zijn voor de deelnemers aan de wedstrijden negen parkeerplaatsen nodig, aldus de raad. Daarnaast zijn volgens de raad vijf parkeerplaatsen voor de organisatie nodig en gaat hij uit van 30 benodigde parkeerplaatsen voor bezoekers gedurende de dag.

7.2. Artikel 3, lid 3.3, onder e, van de planregels bepaalt dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘parkeren’ parkeren ten behoeve van de manege is toegestaan.

7.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de gronden waarop parkeren mogelijk is gemaakt in ieder geval ruimte bieden voor 52 ruime parkeerplaatsen voor auto’s met paardentrailers. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of met 52 parkeerplaatsen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

In de plantoelichting is vermeld dat de raad bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen gebruik heeft gemaakt van de normen van het CROW, zoals deze zijn neergelegd in publicatie 317. Voor de parkeersituatie tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen heeft de raad

0,3 parkeerplaats per paard als uitgangspunt gehanteerd. Uit de CROW-publicatie blijkt dat dit een minimale parkeernorm is voor een manege in het buitengebied. Deze norm is blijkens de CROW-publicatie gekoppeld aan het aantal op de manege aanwezige paardenboxen.

Blijkens de plantoelichting zijn op het perceel zes paardenboxen aanwezig. In artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels is evenwel bepaald dat de voor "Sport" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘manege’ bestemd zijn voor een manege met uitzondering van dierverblijven. Uit deze bepaling is af te leiden dat de op het perceel aanwezige paardenboxen niet mogen worden gebruikt voor het houden van paarden wat betekent dat iedere deelnemer aan een wedstrijd met een auto en paardentrailer naar de manege komt. De raad heeft ter zitting toegelicht dat voor de berekening van de parkeerbehoefte tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen in dit geval desondanks toch kan worden uitgegaan van de minimum CROW-norm van 0,3 parkeerplaats per paard. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Dat de verwachte 30 deelnemers aan wedstrijden volgens de raad niet tegelijkertijd op de manege aanwezig zullen zijn, is daarvoor onvoldoende. Artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels bepaalt immers onder meer dat per wedstrijd of ander hippisch evenement 30 paarden en/of pony’s tegelijkertijd aanwezig mogen zijn.

Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat uitgaande van 52 ruime parkeerplaatsen wordt voorzien in een aanvaardbare parkeersituatie tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen.

Geluid

8. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen is gegarandeerd.

Hiertoe voeren zij aan dat het aanvullende akoestisch onderzoek ‘Paardensportvereniging St. Steffenrijders. Uitbreiding accommodatie Verwoldseweg 26a te Laren’ van 23 november 2015, in opdracht van Paardenvereniging St. Steffenrijders opgesteld door Alcedo B.V. (hierna: het aanvullende akoestisch onderzoek) ten onrechte niet als vergaderstuk aan de gemeenteraadsvergadering van 18 januari 2016 is voorgelegd. Zij wijzen in dit verband op de agenda van de desbetreffende gemeenteraadsvergadering. Volgens [appellant] en anderen heeft de raad hierdoor geen kennis kunnen nemen van het aanvullende akoestisch onderzoek. De raad heeft zijn conclusie dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen dan ook niet kunnen baseren op dit akoestisch onderzoek.

Indien de raad zich wel heeft kunnen baseren op het aanvullende akoestisch onderzoek voeren [appellant] en anderen aan dat het herstelplan ten onrechte meer mogelijk maakt dan waarvan in dit akoestisch onderzoek is uitgegaan. Zij wijzen erop dat in het aanvullende akoestisch onderzoek is uitgegaan van 60 vervoerbewegingen door deelnemers met 30 auto’s met paardentrailer tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen, terwijl uit artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels voortvloeit dat per wedstrijd of ander hippisch evenement in totaal meer dan 30 paarden aanwezig mogen zijn, zolang maar niet 30 paarden tegelijkertijd aanwezig zijn. Voorts wijzen zij erop dat in het aanvullende akoestisch onderzoek is uitgegaan van het houden van wedstrijden of andere hippische evenementen tot een maximum van twaalf dagen per jaar. In artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels is dan ook ten onrechte toegestaan dat twaalf keer per kalenderjaar wedstrijden of andere hippische evenementen mogen worden gehouden.

8.1. Vast staat dat aan het oorspronkelijke besluit van 13 oktober 2014 het akoestisch onderzoek ‘Paardensportvereniging St. Steffenrijders. Uitbreiding accommodatie Verwoldseweg 26a te Laren’ van 27 augustus 2014, in opdracht van Paardenvereniging St. Steffenrijders opgesteld door Alcedo B.V. ten grondslag is gelegd. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat dat akoestisch onderzoek aan het besluit van 13 oktober 2014 ten grondslag kon worden gelegd. Gelet hierop is de raad in de tussenuitspraak opgedragen om alsnog toereikend te motiveren dat de geluidbelasting ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen als gevolg van het plan aanvaardbaar is, dan wel in zoverre te voorzien in een passende planregeling.

Ter uitvoering van deze opdracht heeft de raad een aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het aanvullende akoestisch onderzoek. Daarnaast heeft de raad de planregeling voor de bestemming "Sport" gewijzigd vastgesteld. In artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels is bepaald dat op de manege maximaal 12 keer per kalenderjaar een wedstrijd of ander hippisch evenement is toegestaan, waarbij per wedstrijd of ander hippisch evenement niet meer dan 30 paarden en/of pony's tegelijkertijd aanwezig mogen zijn.

8.2. Op 18 januari 2016 is het herstelplan in de gemeenteraadsvergadering van de gemeente Lochem behandeld. Uit de agenda van deze gemeenteraadsvergadering en het verhandelde ter zitting is gebleken dat abusievelijk het akoestisch onderzoek van 27 augustus 2014 als bijlage bij de papieren versie van het raadsvoorstel aan de raad is voorgelegd. Niettemin staat vast dat het aanvullende akoestisch onderzoek is uitgevoerd voordat het besluit tot vaststelling van het herstelplan is genomen en dat dit document wel is gevoegd bij de digitale versie van het herstelplan. Dat dit document abusievelijk niet bij de papieren stukken voor de gemeenteraadvergadering is gevoegd, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad het herstelplan onvoldoende geïnformeerd heeft vastgesteld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in hoofdstuk 8 van de plantoelichting een specifieke paragraaf is opgenomen over de in de tussenuitspraak omschreven gebreken en de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. Ten aanzien van het aspect geluid is daarin vermeld dat een aanvulling van het akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij ook is gekeken naar geluidbronnen op de perceelsgrens van de woning aan de Verwoldseweg 26, muziek tijdens wedstrijden en hippische evenementen en naar cumulatie. Voort is vermeld dat uit het onderzoek naar voren komt dat er tijdens de verschillende bedrijfssituaties, voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus en dat voor de cumulatie van geluidhinder vooral het wegverkeerslawaai bepalend is en niet het geluid van de manege.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen, niet heeft kunnen baseren op het aanvullende akoestisch onderzoek.

8.3. Voor de beoordeling van de geluidbelasting als gevolg van het herstelplan heeft de raad aan dit plan het aanvullende akoestisch onderzoek ten grondslag gelegd. Uit het aanvullende akoestisch onderzoek blijkt dat de reguliere clubwedstrijden die twee keer per jaar worden gehouden maatgevend zijn voor de geluidbelasting als gevolg van de voorziene ontwikkeling. Voor het houden van wedstrijden of andere hippische evenementen is daarom onder meer uitgegaan van 60 vervoerbewegingen door deelnemers met 30 personenauto’s met paardentrailers. Uit het aanvullende akoestisch onderzoek blijkt dat voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en voor de maximale geluidniveaus die tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen optreden, ruimschoots wordt voldaan aan de richtwaarden en de grenswaarden voor een landelijke omgeving uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en de grenswaarden zoals gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorts blijkt uit het aanvullende akoestisch onderzoek dat in ruime mate wordt voldaan aan de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vanwege inrichtingsgebonden verkeer. Weliswaar betogen [appellant] en anderen terecht dat per wedstrijd of ander hippisch evenement op grond van de planregels gedurende de dag meer dan 30 paarden en/of pony’s op de manage aanwezig mogen zijn, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat tijdens deze incidentele bedrijfssituatie mede gelet op de aard en omvang van de manege dusdanig meer dan 60 vervoerbewegingen door deelnemers met personenauto’s met paardentrailers zullen plaatsvinden, dat niet meer aan de betrokken geluidnormen wordt voldaan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het aanvullende akoestisch onderzoek in zoverre niet aan het herstelplan ten grondslag kon worden gelegd.

9. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat in artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels ten onrechte is toegestaan dat twaalf keer per kalenderjaar wedstrijden of andere hippische evenementen mogen worden gehouden, overweegt de Afdeling dat uit de stukken, waaronder het verweerschrift, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad in het herstelplan heeft beoogd toe te staan dat op de manege maximaal 12 dagen per kalenderjaar een wedstrijd of ander hippisch evenement wordt gehouden. Nu artikel 3, lid 3.3, onder b, bepaalt dat op de manege maximaal 12 keer per kalenderjaar een wedstrijd of ander hippisch evenement is toegestaan en derhalve meer dan 12 dagen per jaar een wedstrijd of ander hippische evenement mag worden gehouden, heeft de raad niet geregeld hetgeen hij heeft beoogd te regelen. Het herstelplan is in zoverre genomen in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Bezoekersaantallen

10. [appellant] en anderen betogen dat in de planregels ten onrechte geen beperkingen zijn opgenomen omtrent het maximum aantal bezoekers tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen. Volgens [appellant] en anderen is daardoor niet uitgesloten dat het herstelplan leidt tot meer vervoerbewegingen door publiek dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan en is voorts niet uitgesloten dat voor bezoekers meer parkeerplaatsen dan de berekende 30 parkeerplaatsen benodigd zijn.

10.1. In de planregels is geen beperking gesteld aan het maximum aantal bezoekers per wedstrijd of een ander hippisch evenement. Voor de wat betreft het aspect geluid maatgevende reguliere clubwedstrijden is in het aanvullende akoestisch onderzoek, afgezien van de deelnemers, ook rekening gehouden met 30 personenauto’s voor bezoekers met maximaal 60 toeschouwers en vijf auto’s voor organisatoren. Bij de berekening van de parkeerbehoefte tijdens wedstrijden of andere hippische evenementen is de raad uitgegaan van 30 parkeerplaatsen voor bezoekers en vijf parkeerplaatsen voor de organisatie. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad gelet op de aard en omvang van de manege die het herstelplan mogelijk maakt, niet in redelijkheid van deze uitgangspunten heeft kunnen uitgaan. De Afdeling ziet daarom in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid gehouden was regels in het plan op te nemen ten aanzien van het maximum aantal bezoekers.

Landschappelijke inpassing

11. [appellant] en anderen betogen dat de raad aan de gronden waarop de ontwikkeling en instandhouding van erfbeplanting is voorzien, ten onrechte de bestemming "Sport" en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijk inpassing’ heeft toegekend. Volgens hen heeft de raad daarmee niet voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht om binnen de bestemming "Sport" een groenstrook met erfrandbeplanting te realiseren die in het oorspronkelijke plangebied ligt. In plaats daarvan heeft de raad het plangebied uitgebreid, zonder te onderbouwen dat deze uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is.

11.1. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing van de manege heeft de Afdeling naar aanleiding van het betoog van [appellant] en anderen dat de in het Inrichtings- en beheerplan opgenomen beplanting is voorzien op gronden die niet in eigendom zijn van de initiatiefnemer van het plan, in rechtsoverweging 11.4 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad niet heeft bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen. De Afdeling heeft de raad daarom in de tussenuitspraak opgedragen om met inachtneming van rechtsoverweging 11.4 te voorzien in een groenstrook met erfrandbeplanting binnen de bestemming "Sport" aan de zuidzijde van het perceel.

In het herstelplan is aan de gronden aan de zuidzijde van het perceel de bestemming "Sport" en onder meer de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijk inpassing’ toegekend. Deze gronden zijn ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels bestemd voor de ontwikkeling en instandhouding van erfbeplanting. De raad heeft toegelicht dat de gronden waarop de erfbeplanting in het herstelplan is voorzien in eigendom zijn van de initiatiefnemer van het plan. [appellant] en anderen hebben dit standpunt niet bestreden.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad wat dit aspect betreft aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft voldaan. Dat het plangebied ter uitvoering van de opdracht aan de zuidzijde enigszins is vergroot ten opzichte van het oorspronkelijke plangebied, maakt dit niet anders. Het betoog van [appellant] en anderen was immers gericht op de omstandigheid dat de groenstrook met erfrandbeplanting aan de zuidzijde van het perceel was voorzien op gronden die niet in eigendom waren van de initiatiefnemer van het plan. Dit gebrek is met het herstelplan hersteld. Daarbij komt dat door toekenning van de bestemming "Sport" aan deze gronden aan de zuidzijde van het oorspronkelijke plangebied de manege, bestaande uit de bestaande rijhal, de nieuwe rijhal en de buitenbak niet is vergroot. Voorts heeft de raad onweersproken gesteld dat deze gronden voorheen een agrarische bestemming hadden waarbinnen de beoogde landschappelijke inpassing in de vorm van de aanleg van erfbeplanting ook mogelijk was.

Bebouwingsmogelijkheden

12. [appellant] en anderen betogen dat als gevolg van de gewijzigde planregeling de gebruiksoppervlakte van de gebouwen kan worden verdubbeld door de in het herstelplan geboden mogelijkheid tot ondergronds bouwen tot 4 meter diepte. De raad heeft de ruimtelijke gevolgen als gevolg hiervan volgens hen ten onrechte niet onderbouwd.

12.1. Vast staat dat de planregeling voor de bestemming "Sport" in het herstelplan is gewijzigd ten opzichte van de oorspronkelijke planregeling. Door deze wijziging is de planregel die bepaalde dat de oppervlakte van de bestaande bebouwing niet verder mocht worden uitgebreid - en derhalve ook niet ondergronds - komen te vervallen. Daarnaast is de oppervlakte van de nieuwe rijhal in de planregels niet meer expliciet beperkt tot maximaal 2.800 m2. In plaats hiervan is in de verbeelding van het herstelplan een bouwvlak opgenomen dat precies overeenkomt met de oppervlakte van de op het perceel aanwezige bestaande bebouwing en waarbinnen de voorziene uitbreiding van de manege met een nieuwe rijhal kan worden gerealiseerd. In de planregels is voorts bepaald dat gebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen het bouwvlak.

De Afdeling overweegt dat ondanks de gewijzigde planregeling de omvang van de in het herstelplan voorziene nieuwe rijhal en derhalve de mogelijkheid tot bouwen tot 4 meter diepte onder deze ontwikkeling niet is gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke plan. Weliswaar is door de gewijzigde planregeling bouwen onder de op het perceel aanwezige bestaande gebouwen mogelijk geworden, maar nu de bestaande bebouwing blijkens de plantoelichting bestaat uit een kleine binnenbak en een kantinegebouw, hebben [appellant] en anderen naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het herstelplan aldus vanwege de mogelijkheid tot ondergronds bouwen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat.

13. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat als gevolg van de gewijzigde planregeling het herstelplan ten onrechte mogelijk maakt dat op het gehele perceel overkappingen kunnen worden gerealiseerd, heeft de raad ter zitting verklaard dat een regeling voor overkappingen in het herstelplan niet nodig is. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Opdracht

14. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

15. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2014 gegrond;

II. vernietigt het besluit van 13 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren", kenmerk 2013-007037;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 18 januari 2016 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 18 januari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verwoldseweg 26a Laren", kenmerk 2013-007037;

V. draagt de raad van de gemeente Lochem op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen de hiervoor vermelde onderdelen II en IV worden verwerkt op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl.

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Lochem tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.736,00 (zegge: zeventienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Lochem aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Reichardt, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Reichardt

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

772.