Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2771

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201309182/3/R2 en 201307579/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013, nr. 131034341, heeft de raad het bestemmingsplan "Lelystad - Larserknoop (reparatie)" vastgesteld. Tevens heeft de raad bij besluit van 11 juni 2013, nr. 131031924, het exploitatieplan "Lelystad-Larserknoop" vastgesteld. Tegen deze besluiten heeft de RDW beroep ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1074
Module Ruimtelijke ordening 2016/7662

Uitspraak

201309182/3/R2 en 201307579/3/R2.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW), gevestigd te Zoetermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Barenza Hoeve B.V., gevestigd te Lelystad,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Lelystad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013, nr. 131034341, heeft de raad het bestemmingsplan "Lelystad - Larserknoop (reparatie)" vastgesteld. Tevens heeft de raad bij besluit van 11 juni 2013, nr. 131031924, het exploitatieplan "Lelystad-Larserknoop" vastgesteld.

Tegen deze besluiten heeft de RDW beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De RDW en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De RDW en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 16 juli 2015, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. H. Pasman, ir. J.S. Boersma, bijgestaan door mr. M.C. Brans, advocaat te Amsterdam, en door ir. F. Schermer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. Tuenter, P.M. Bakker, beiden werkzaam bij de gemeente, en door A. te Lindert-Hummeling en C. Kooy, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3188, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken de in de tussenuitspraak omschreven gebreken te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 23 februari 2016, nr. 161794092, het bestemmingsplan "Lelystad - Larserknoop (reparatie)" gewijzigd vastgesteld.

De RDW is in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Naar aanleiding van het besluit van 23 februari 2016 heeft Barenza BV beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken wederom ter zitting behandeld op 28 juni 2016, waar de RDW, vertegenwoordigd door ir. J.S. Boersma en mr. H. Pasman, bijgestaan door mr. M.C. Brans, advocaat te Amsterdam, en door ir. F. Schermer, Barenza BV, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.W.M. Hagelaars, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. Tuenter, drs. J. Pet en P.M. Bakker, allen werkzaam bij de gemeente, en A. te Lindert, zijn verschenen. Voorts is het college van gedeputeerde staten van Flevoland, vertegenwoordigd door C. Visser en mr. ir. J.P. van Damme, beiden werkzaam bij de provincie, als partij gehoord.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3188, overwogen dat de raad het besluit van 11 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lelystad - Larserknoop (reparatie)" niet heeft mogen baseren op het akoestisch onderzoek van het geluidBuro, bestaande uit het geluidrapport "Akoestisch onderzoek V2.0" van het geluidBuro van 4 maart 2013 en de geluidnotitie "Akoestische aspecten zienswijzen RDW/Peutz bp Larserknoop" van het geluidBuro van 16 mei 2013. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de raad in het besluit van 11 juni 2013 onvoldoende heeft gemotiveerd dat het plan niet leidt tot een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering van de RDW. Het besluit is dan ook genomen in strijd met respectievelijk artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep van de RDW is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van de RDW tegen het exploitatieplan "Lelystad - Larserknoop" is, zoals overwogen in de tussenuitspraak van 14 oktober 2015, deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

2. De raad heeft bij besluit van 23 februari 2016 naar aanleiding van de in de tussenuitspraak van 14 oktober 2015 genoemde gebreken in het besluit van de raad van 11 juni 2013, het plan gewijzigd, mede naar aanleiding van een nieuw akoestisch onderzoek, door onder meer bepaalde bedrijven niet langer toe te staan binnen het plangebied, de maximaal toegestane milieucategorieën te hersitueren, te bepalen dat laad- en losactiviteiten inpandig dienen plaats te vinden, maximaal toegestane geluidimmissies in het plan vast te leggen door toekenning van de aanduiding "geluidzone - meetlocatie" aan een deel van de gronden in het plangebied, een groenbestemming toe te kennen aan een deel van de gronden die in het bestemmingsplan "Lelystad - Larserknoop (reparatie)" waren bestemd voor "Verkeer" en enkele voorwaardelijke verplichtingen op te nemen in de planregels.

3. Het besluit van 23 februari 2016 is ingevolge artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van de RDW wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Het beroep van de RDW

4. De RDW heeft naar aanleiding van het besluit van 23 februari 2016 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat hij geen bezwaren heeft tegen het besluit van 23 februari 2016. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

Het beroep van Barenza BV

5. Barenza BV kan zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van het plan. Zij betoogt dat het plan innerlijk tegenstrijdig is. Hiertoe voert zij aan dat de te realiseren weg in verband met de versmalling van het wegprofiel niet meer als hoofdinfrastructuur kan worden aangemerkt, zodat planologische verankering ervan niet nodig is volgens de plantoelichting van het bestemmingsplan "Lelystad - Larserknoop". Verder stelt zij dat de aan te leggen fietsstrook deels een verkeersbestemming en deels een groenbestemming heeft, hetgeen zij in strijd acht met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - gevelreflectiereductiezone" - waarin is bepaald dat ter plaatse de naar de bestemming "Verkeer" gerichte gevels van de bedrijfsgebouwen zodanig moeten worden uitgevoerd dat er een gevelreflectiereductie ontstaat van 2 dB(A) - inconsistent, aangezien er ter plaatse geen verkeersbestemming rust op de gronden. Deze verkeersbestemming is, zo stelt Barenza BV, vervangen door de bestemming "Groen". Ook in zoverre is het plan in strijd met de rechtszekerheid, aldus Barenza BV.

5.1. In de plantoelichting van het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan zijn de verschillende uitspraken van de Afdeling vermeld, waaronder ook de tussenuitspraak van 14 oktober 2015. Hierbij is vermeld dat om aan de opdracht van de Afdeling te voldoen het plan gewijzigd moet worden vastgesteld. In de plantoelichting worden niet alleen de gewijzigde maar ook de ongewijzigde onderdelen van het plan toegelicht. Hierbij worden de actuele ontwikkelingen vermeld die raken aan het bestemmingsplan. Een van die ontwikkelingen is de aanleg van de Ontsluitingsweg. Deze weg zal, zo vermeldt de plantoelichting, net als de Verbindingsweg worden aangelegd door de provincie. Beide wegen zullen daarbij het karakter krijgen van een provinciale weg van één rijbaan met twee rijstroken met een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur op het traject tussen de luchthaven en A6. Dit betekent een versmalling ten opzichte van het oorspronkelijke profiel van 2 x 2 rijstroken met ook 2 rijstroken voor busbanen. Uit onderzoek dat is gedaan door de provincie voor de Verbindingsweg blijkt dat 2 rijstroken ruim voldoende zijn voor de afwikkeling van het verkeer, aldus de plantoelichting.

5.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef onder a en c, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen en voet- en fietspaden.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef onder a en c, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen en straten en voet- en fietspaden.

Ingevolge artikel 10, lid 10.3, gelden ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - meetlocatie", zolang de ten zuiden van het plangebied gelegen meetlocatie aanwezig is dan wel, indien dat niet meer het geval is, deze volgens het daar geldende bestemmingsplan aanwezig kan zijn, de volgende aanvullende regels: (…) c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - gevelreflectiereductiezone" zullen de naar de bestemming "Verkeer" gerichte gevels van de bedrijfsgebouwen zodanig worden uitgevoerd dat er een gevelreflectiereductie ontstaat van 2 dB(A).

5.3. Gelet op de hiervoor vermelde passages uit de plantoelichting, volgt de Afdeling Barenza BV niet voor zover zij betoogt dat het plan innerlijk tegenstrijdig is, omdat de wegversmalling ertoe had moeten leiden dat deze niet langer planologisch is verankerd. Daartoe is van belang dat de plantoelichting een integrale toelichting bevat op het plan en daarnaast inzichtelijk maakt waarom de weg een beperktere omvang zal krijgen dan oorspronkelijk was voorzien. Evenmin kan de Afdeling Barenza BV volgen in haar betoog dat toekenning van een groen- en een verkeersbestemming aan het te realiseren fietspad in strijd moet worden geacht met de rechtszekerheid. Beide bestemmingen maken de aanleg van een fietspad mogelijk. Niet valt in te zien dat deze wijze van bestemmen leidt tot een rechtsonzekere situatie. Wat betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - gevelreflectiereductiezone" is van belang dat deze is toegekend aan een deel van de gronden in het plangebied met de bestemming "Bedrijventerrein -2". Aan een zijde grenst deze aanduiding aan de bestemming "Groen" met daarnaast de bestemming "Verkeer". Aan de andere zijde grenst de aanduiding aan de bestemming "Bedrijventerrein -2" met daarnaast de bestemming "Groen". Gelet op de situering van de verschillende bestemmingen, kan artikel 10, lid 10.3, onder c, van de planregels, zoals hiervoor vermeld onder 5.2, niet anders worden gelezen dan dat is bedoeld: ‘de naar de bestemming "Groen" met daarnaast de bestemming "Verkeer" gerichte gevels van de bedrijfsgebouwen binnen het plangebied’. De raad heeft dit ter zitting ook bevestigd. Ook in zoverre valt derhalve niet in te zien dat het plan innerlijk tegenstrijdig is en is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

6. Barenza BV stelt dat ten onrechte aan een deel van haar gronden een groenbestemming is toegekend. Zij stelt dat zij deze groenbestemming niet zal uitvoeren en hiervan schade ondervindt aangezien hierdoor een deel van haar gronden niet meer als zichtlocatie kan worden aangemerkt. Zij acht het plan in zoverre onvoldoende gemotiveerd, hetgeen te meer klemt nu de wijziging niet noodzakelijk was gelet op de tussenuitspraak van 14 oktober 2015.

6.1. In de plantoelichting is vermeld dat aanvankelijk er voor de Ontsluitingsweg een wegprofiel was voorzien van 6 rijstroken (2 x 2 voor auto's en ook 2 busbanen). Bij nader inzien is verkeerskundig gezien een dergelijk breed profiel niet nodig. Volgens de plantoelichting kan worden volstaan met een weg met 2 rijstroken. Dit wordt nu ook zo vastgelegd in het bestemmingsplan, waarbij de ruimte die aanvankelijk mede voor verkeer was voorzien nu een groenbestemming krijgt, aldus de plantoelichting.

6.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. bermen en beplanting; c. voet- en fietspaden; d. waterlopen; en mede bestemd voor: e. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrielawaai op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie"; f. het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het vliegtuiglawaai BKL op geluidsgevoelige objecten, ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - vliegtuiglawaai BKL"; met daaraan ondergeschikt: g. erfontsluitingswegen; h. nutsvoorzieningen; i. water; met de daarbij behorende: j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.3. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 6.1 is vermeld ten aanzien van de nieuwe inzichten op provinciaal niveau over de aanleg van de Ontsluitingsweg, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan in plaats van een verkeersbestemming gedeeltelijk een groenbestemming is toegekend. Het is bovendien onjuist dat deze wijziging niet ook samenhangt met de tussenuitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015. Daartoe is van belang dat, naar de deskundige van Peutz namens de RDW ter zitting heeft bevestigd, in de geluidrapporten de versmalling van de weg als uitgangspunt is genomen bij de berekening van het verkeerslawaai op het terrein van de RDW. Gelet op de ruime gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming "Groen" valt verder niet in te zien dat deze niet zal worden verwezenlijkt en dat de raad daarom had moeten afzien van het toekennen van deze bestemming. Hierbij betrekt de Afdeling dat het beoogde aan te leggen fietspad deels binnen deze groenbestemming zal worden aangelegd. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel van Barenza BV betreft - in verband met het gestelde vervallen van de zichtlocatie - bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Hierbij betrekt de Afdeling dat Barenza BV haar gestelde schade niet nader heeft onderbouwd. Voor eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat bovendien een aparte procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Het betoog faalt.

7. Barenza BV stelt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan een deel van haar gronden de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - inpandig laden en lossen" is toegekend. Zij licht toe dat deze aanduiding geldt binnen de bestemming "Groen". Volgens haar was het passender geweest de bestemming toe te kennen in combinatie met een bedrijfsbestemming.

7.1. In de plantoelichting is ten aanzien van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - inpandig laden en lossen" het volgende vermeld. Voor het deel in het zuidwesten van het bedrijventerrein, dicht bij het RDW-terrein, waar nu maximaal milieucategorie 3.2 wordt toegestaan, wordt de verplichting opgenomen dat het laden en lossen hier inpandig moet geschieden. Hiermee worden, zo vermeldt de plantoelichting, (hoge) piekgeluiden zoveel mogelijk tegengegaan. Deze regeling vervalt op het moment dat de geluidmeetlocatie van de RDW er niet meer is. Voorts vermeldt de plantoelichting dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor het (langtijdgemiddelde) geluid van het bedrijventerrein op de geluidmeetlocatie van de RDW voldaan wordt aan de streefwaarde van 50 dB(A). De piekniveaus voldoen eveneens aan 50 dB(A) op de geluidmeetlocatie. Dit laatste komt vooral, zo vermeldt de plantoelichting, door de verplichting dat op het nabij de RDW gelegen terrein inpandig moet worden geladen en gelost.

7.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.3, van de planregels gelden ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - meetlocatie", zolang de ten zuiden van het plangebied gelegen meetlocatie aanwezig is dan wel, indien dat niet meer het geval is, deze volgens het daar geldende bestemmingsplan aanwezig kan zijn, de volgende aanvullende regels: (…) d. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - inpandig laden en lossen" wordt als gebruik in strijd met de gegeven bestemmingen in ieder geval gerekend: 1. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor het laden en lossen, anders dan inpandig. 2. (…).

7.3. Desgevraagd heeft de raad ter zitting aangegeven dat het niet zijn bedoeling is geweest aan gronden met de bestemming "Groen" de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - inpandig laden en lossen" toe te kennen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

8. Barenza BV betoogt dat in verband met de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan, uit artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) volgt dat een exploitatieplan had moeten worden vastgesteld. De raad heeft dit volgens haar ten onrechte nagelaten.

8.1. De raad stelt dat eerst nadat de Afdeling uitspraak heeft gedaan inzake de beroepen van de RDW en Barenza BV een herziening van het exploitatieplan zal worden vastgesteld als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, van de Wro. De in dat artikel neergelegde herzieningsplicht geldt volgens de raad ook pas nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden. In deze herziening zullen worden meegenomen alle voor het exploitatieplan relevante gevolgen van de wijziging van het bestemmingsplan. Daarbij stelt de raad dat de wijzigingen in de verkeersbestemming niet tot een verhoging van de verschuldigde exploitatiebijdrage zullen leiden, nu de kosten voor de aanleg van de betreffende weg niet langer ten laste van het exploitatieplan zullen worden gebracht. De raad stelt voorts dat binnen de hersteltermijn van 20 weken voor het repareren van de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, niet tijdig een herziening van het exploitatieplan kon worden vastgesteld.

8.2. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de raad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge het tweede lid, kan in afwijking van het eerste lid de raad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen of indien: a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is; b. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

8.3. Vast staat dat het plan voorziet in bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Voor de gronden, waarop deze bouwplannen zijn voorgenomen, heeft de raad bij de vaststelling van het plan op 11 juni 2013 ook het exploitatieplan "Lelystad - Larserknoop" vastgesteld. Nu in de Wro niet is bepaald dat het exploitatieplan in tijd is beperkt (zie in dit verband Kamerstukken I 2007/08, 30 218, G, p. 6-7), was dit exploitatieplan van kracht ten tijde van de gewijzigde vaststelling van het plan. Dientengevolge was het verhaal van de kosten van de grondexploitatie ten tijde van de gewijzigde vaststelling van het plan op 23 februari 2016 verzekerd als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onder a van de Wro (vergelijk Kamerstukken I 2007/08, 30 218, D. p. 9). Ook heeft de raad het in het licht van het bepaalde in artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Wro ook anderszins niet noodzakelijk behoeven te achten gelijktijdig met het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen. Aldus bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 6.12, eerste lid, van de Wro Het betoog faalt.

9. Barenza BV betoogt daarnaast dat het plan, gelet op de daarin met het besluit van 23 februari 2016 aangebrachte wijzigingen, in strijd is met het exploitatieplan "Lelystad-Larserknoop". Volgens haar is het bestemmingsplan daarom niet uitvoerbaar, hetgeen in strijd met de rechtszekerheid moet worden geacht. Onder verwijzing naar kaart 2 van het exploitatieplan stelt zij in dit verband dat ten onrechte een deel van de gronden is bestemd voor groen, nu alleen de hoofdgroenstructuur voor groen zou worden bestemd. Daarbij wijst zij tevens op artikel 1, lid 1.1, onder 1, van de exploitatieplanregels waarin is bepaald dat het vast te stellen inrichtingsplan moet passen binnen het voorgenomen grondgebruik in artikel 1, lid 1.4, van de exploitatieplanregels en de bij het exploitatieplan behorende kaart 2. Volgens Barenza BV kan geen inrichtingsplan worden vastgesteld dat zowel aan het bestemmingsplan als aan het exploitatieplan voldoet, nu op kaart 2 de gronden een verkeersbestemming hebben en in het plan een groenbestemming. Dit is te meer een probleem nu in artikel 4, lid 4.2, onder 1, van de exploitatieplanregels is bepaald dat de uitvoering van de in hoofdstuk 2 van het exploitatieplan bedoelde werken en werkzaamheden pas mogen aanvangen nadat een inrichtingsplan voor de gronden waarop deze werken en werkzaamheden betrekking hebben, door het college van burgemeester en wethouders schriftelijk is goedgekeurd. Dit betekent volgens Barenza BV dat het plan niet uitvoerbaar is. Dit laatste kan, zo stelt Barenza BV, ook uit de regels voor fasering in de artikelen 4, lid 4.2, onder 5, onder 6 en onder 7, van de exploitatieplanregels worden afgeleid, nu hierin - kort samengevat - is bepaald dat de gronden pas mogen worden ontwikkeld nadat een ontsluitingsweg is aangelegd. Deze ontsluitingsweg kan echter niet worden gerealiseerd binnen de groenbestemming, aldus Barenza BV. Zij stelt daarnaast dat door toekenning van een groenbestemming aan gronden die voorheen voor verkeersdoeleinden waren bestemd, een deel van de groenbestemming buiten het exploitatiegebied ligt, hetgeen in strijd is met de uitgangspunten van het exploitatieplan. Tot slot stelt zij in dit verband dat volgens het bestemmingsplan een fietspad is toegestaan binnen de bestemming "Groen", maar dat dit niet mogelijk is volgens het exploitatieplan. Zij wijst hiertoe op het Projectgebonden Programma van Eisen en de criteria hierin voor ecologie.

9.1. De raad stelt dat de bestemming "Verkeer" ook een groene inrichting van de gronden toestaat. Toekenning van de bestemming "Groen" is volgens de raad in overeenstemming met het ontwerp van de Ontsluitingsweg Lelystad Airport, het past in de wijze van bestemmen en hiermee wordt recht gedaan aan de tussenuitspraak van de Afdeling. Daarbij wijst de raad erop dat alle wijzigingen in het bestemmingsplan betrekking hebben op gronden die niet in het exploitatiegebied liggen. Tot slot stelt de raad dat nu de provincie optreedt als exploitant, er geen inrichtingsplan behoeft te worden vastgesteld gelet op artikel 3, lid 3.1.4, van de exploitatieplanregels en dat er bovendien al een ontwerp ligt.

9.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.1., onder 1, van de exploitatieplanregels wordt onder inrichtingsplan(nen) verstaan: het(/de) nog op te stellen inrichtingsplan(nen). Het inrichtingsplan moet inzicht geven in de situering van de voorzieningen van openbaar nut zoals bedoeld in artikel 2.3. (Inrichting van de openbare ruimte in het exploitatiegebied). Het inrichtingsplan moet passen binnen het voorgenomen grondgebruik zoals omschreven in artikel 1.4 (Voorgenomen grondgebruik) en moet voldoen aan het bestemmingsplan en aan het bepaalde in dit exploitatieplan.

Ingevolge lid 1.4 wordt verstaan onder voorgenomen grondgebruik: De gemeente heeft het grondgebruik voorgenomen zoals aangegeven op de Kaart Voorgenomen grondgebruik die als Kaart 2 onderdeel uitmaakt van dit exploitatieplan.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, voor zover van belang, zijn op de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen en dergelijke de volgende koppelingen van toepassing:

1. De uitvoering van de in hoofdstuk 2 (Omschrijving van werken en werkzaamheden) bedoelde werken en werkzaamheden mogen pas aanvangen nadat een inrichtingsplan, een civieltechnisch ontwerp en een geohydrologisch onderzoek voor de gronden waarop deze werken en werkzaamheden betrekking hebben door het college van burgemeester en wethouders schriftelijk is goedgekeurd.

5. De uitvoering van de werken en werkzaamheden op de gronden die op "de Kaart fasering werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen" die als Kaart 4 onderdeel uitmaakt van dit exploitatieplan zijn aangeduid als ‘2010’ mogen eerst aanvangen nadat: a. op deze gronden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.1. (Toepasselijkheid van eisen en regels voor werken en werkzaamheden en de uitvoering parallel dan wel haaks op de hoofdontsluiting) een ontsluiting is gerealiseerd die geschikt is voor bouwverkeer.

6. De uitvoering van de werken en werkzaamheden op de gronden die op Kaart 4 zijn aangeduid als ‘2011’ mogen eerst aanvangen nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. Op deze gronden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.1 (Toepasselijkheid van eisen en regels voor werken en werkzaamheden en de uitvoering) parallel dan wel haaks op de hoofdontsluiting(en) een ontsluiting is gerealiseerd die geschikt is voor bouwverkeer. b. Op de gronden, die op Kaart 6 zijn aangeduid als ‘2011’ een ontsluitingsweg is gerealiseerd die zich bevindt in een staat die voldoet aan het volgende: i. Het Projectgebonden Programma van Eisen dat als bijlage 1 onderdeel uitmaakt van dit exploitatieplan. Voor de ontsluitingsweg gelden de eisen die in het Projectgebonden Programma van Eisen zijn opgenomen voor hoofdwegen. ii. Het profiel voor stadshoofdweg, zoals opgenomen in bijlage 2. iii. De civieltechnische randvoorwaarden, die als bijlage 3 onderdeel uitmaken van dit exploitatieplan. Voor de ontsluiting gelden de eisen die in de civieltechnische randvoorwaarden zijn opgenomen voor de hoofdinfrastructuur. iv. Het Technisch handboek openbare verlichting, die als bijlage 4 onderdeel uitmaken van dit exploitatieplan (…). c. Op de gronden, die grenzen aan de in de aanhef van dit artikellid bedoelde gronden én die in het bestemmingsplan Lelystad-Larserpoort zijn bestemd voor "Groen" de ingevolge dit exploitatieplan te verrichten werken en werkzaamheden ter inrichting van deze gronden zijn verricht.

7. De uitvoering van de werken en werkzaamheden op de gronden die op Kaart 4 zijn aangeduid als ‘2013/2015’ mogen eerst aanvangen nadat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Op deze gronden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.1 (Toepasselijkheid van eisen en regels voor werken en werkzaamheden en de uitvoering) parallel dan wel haaks op de hoofdontsluiting(en) een ontsluiting is gerealiseerd die geschikt is voor bouwverkeer. b. Op gronden, die grenzen aan de in de aanhef van dit artikellid bedoelde gronden en de gronden die op kaart 4 zijn aangeduid als ‘2013’ én die op de "Kaart ontsluitingsweg" die als Kaart 6 onderdeel uitmaakt van het exploitatieplan, zijn aangeduid als ‘2013/2016’ een ontsluitingsweg is gerealiseerd, die zich in de staat bevindt zoals omschreven in lid 5 van dit artikel. c. Op de gronden, die grenzen aan de in de aanhef van dit artikellid bedoeld gronden én die in het bestemmingsplan Lelystad-Larserpoort zijn bestemd voor "Groen" de ingevolge dit exploitatieplan te verrichten werken en werkzaamheden ter inrichting van deze gronden zijn verricht.

9.3. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Tegen deze achtergrond ziet de Afdeling geen aanleiding Barenza BV te volgen in haar betoog. Daartoe is van belang dat, hoewel Barenza BV terecht stelt dat het plan niet in overeenstemming is met het exploitatieplan waar het betreft de in artikel 4, lid 4.2, onder 7, van de exploitatieplanregels genoemde koppeling, de raad heeft aangekondigd het exploitatieplan integraal te zullen herzien. Deze integrale herziening heeft betrekking op allerlei verschillende onderdelen van het exploitatieplan. Ter zitting heeft de raad bovendien toegezegd deze integrale herziening zo spoedig mogelijk vast te stellen, doch uiterlijk in het eerste kwartaal van het jaar 2017. Onderdeel van deze herziening is onder andere dat de wegversmalling zoals vastgesteld met de wijziging van het bestemmingsplan, zal worden verwerkt in het exploitatieplan, ten gevolge waarvan voornoemde strijdigheid wordt weggenomen. De wijziging van het exploitatieplan kan als een structureel onderdeel worden beschouwd in de zin van artikel 6.15, derde lid, van de Wro, zodat tegen het vaststellingsbesluit beroep kan worden ingesteld. Gelet op deze toezegging alsmede de in artikel 6.15, eerste lid, van de Wro vervatte plicht voor de raad om het exploitatieplan jaarlijks ter herzien - tegen welke herziening Barenza BV beroep kan instellen in geval deze betrekking heeft op structurele onderdelen van het exploitatieplan - heeft de raad zich in het onderhavige geval niet op voorhand in redelijkheid op het standpunt hoeven te stellen dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Nu de Afdeling niet tot het oordeel komt dat het plan niet uitvoerbaar is, bestaat reeds daarom geen aanleiding Barenza BV te volgen in haar betoog dat het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van Barenza BV tegen het besluit van de raad van 23 februari 2016 gegrond.

11. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

12. De Afdeling heeft kennis genomen van de standpunten van partijen ten aanzien van het verzoek van de RDW tot vergoeding van de proceskosten. De Afdeling is van oordeel dat de RDW gezien de feiten en omstandigheden zoals deze bestonden ten tijde van de inroeping van de deskundige, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een bijdrage zou kunnen leveren aan een voor de RDW gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag, doch dat het opgegeven urenaantal voor het opstellen van de afzonderlijke rapporten, lager wordt vastgesteld gelet op de aard, omvang en inhoud ervan. De Afdeling acht een totaal van 100 uren redelijk, hetgeen leidt tot een totaalbedrag van € 7.500,- voor de deskundigenrapporten. De Afdeling ziet geen aanleiding de raad te veroordelen tot verdere vergoeding van de proceskosten, zoals de kosten voor overleg en voorbereiding van de zittingen, nu deze gedeeltelijk niet voor vergoeding in aanmerking komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en voor het overige niet zijn onderbouwd in het daarvoor bestemde proceskostenformulier. Wat betreft de opgevoerde kosten voor het meebrengen van de deskundige van Peutz naar de regiezitting wijst de Afdeling er volledigheidshalve op dat deze gelet op de functie van deze regiezitting, waarover partijen voor die zitting op de hoogte zijn gesteld en die ook overigens blijkt uit het verslag van de zitting, redelijkerwijs niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van Dienst Wegverkeer tegen het besluit van de raad van de gemeente Lelystad van 11 juni 2013, nr. 131031924, gedeeltelijk niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van Dienst Wegverkeer tegen het besluit van de raad van de gemeente Lelystad van 11 juni 2013, nr. 131034341, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lelystad van 11 juni 2013, nr. 131034341;

IV. verklaart het beroep van Dienst Wegverkeer tegen het besluit van de raad van de gemeente Lelystad van 11 juni 2013, nr. 131031924, voor het overige ongegrond;

V. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Barenza Hoeve B.V. tegen het besluit van de raad van de gemeente Lelystad van 23 februari 2016, nr. 161794092, gegrond;

VI. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lelystad van 23 februari 2016, nr. 161794092, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - inpandig laden en lossen" binnen het plandeel met de bestemming "Groen", zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I;

VII. draagt de raad van de gemeente Lelystad op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel VI wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VIII. verklaart het beroep van Dienst Wegverkeer tegen het besluit van de raad van 23 februari 2016, nr. 161794092, ongegrond;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Lelystad tot vergoeding van bij Dienst Wegverkeer in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 9.484,00 (zegge: negenduizendvierhonderdvierentachtig euro), voor een bedrag van € 1.984,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Barenza Hoeve B.V opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de raad van de gemeente Lelystad aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor Dienst Wegverkeer en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Barenza Hoeve B.V. vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.W. van de Gronden en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

647.