Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201600515/1/A3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2014 heeft de minister de aanvraag van de dochter om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 3
Rijkswet op het Nederlanderschap 22
Paspoortwet
Paspoortwet 9
Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 9
Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/309 met annotatie van prof. mr. G.R. de Groot
Module BRP 2017/1211

Uitspraak

201600515/1/A3.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige [dochter], wonend te Paramaribo (Suriname),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 december 2015 in zaak nr. 15/3226 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2014 heeft de minister de aanvraag van de dochter om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 23 maart 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.E. Krook, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De dochter, geboren op [geboortedatum], woont in Suriname en was in het bezit van een Nederlands paspoort dat geldig was van 3 april 2008 tot 3 april 2013. Op 31 oktober 2013 heeft zij een aanvraag gedaan om een nieuw Nederlands paspoort. Bij besluit 4 september 2014 heeft de minister de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat de dochter niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Bij besluit van 23 maart 2015 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van de paspoortaanvraag van de dochter heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) onder meer een onderzoek gedaan naar de nationaliteit van [appellant]. Uit dit onderzoek is gebleken dat [appellant] in 2000 een aanvraag om een Nederlands paspoort heeft ingediend. Bij deze aanvraag heeft hij een kopie van een kennisgeving van het Ministerie van Justitie van 29 september 1997 ingediend, waarin staat dat bij Koninklijk Besluit van 24 september 1997, [nummer], aan hem het Nederlanderschap is verleend. Volgens de IND bestaat dit Koninklijk Besluit niet. Het Koninklijk Besluit en de kennisgeving zijn niet aangetroffen in het Nationaliteitenregister, een openbaar register als bedoeld in artikel 22 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) waarin onder meer de verlening van het Nederlanderschap wordt opgenomen.

3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zijn weigering om de paspoortaanvraag van de dochter in behandeling te nemen op goede gronden heeft gehandhaafd. Volgens de rechtbank heeft de minister zich, voor zover thans van belang, op het standpunt mogen stellen dat [appellant] ten tijde van de geboorte van zijn dochter niet de Nederlandse nationaliteit had. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] geen stukken heeft overgelegd die twijfel oproepen over het onderzoek van de IND.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zijn besluit om de paspoortaanvraag niet in behandeling te nemen op goede gronden in stand heeft gelaten. Daartoe voert [appellant] aan dat zijn dochter de Nederlandse nationaliteit aan hem heeft ontleend. De kopie van de kennisgeving van het Koninklijk Besluit van 24 september 1997, dat in rechte onaantastbaar is, is voldoende om aan te nemen dat aan hem het Nederlanderschap is verleend. Dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, volgt ook uit het bevolkingsregister van Paramaribo waarin is vermeld dat hij deze nationaliteit heeft. Daarnaast voert [appellant] aan dat het onderzoek naar zijn nationaliteit ondeugdelijk is, omdat een strafrechtelijk onderzoek had moeten worden gedaan naar de verduistering van zijn naturalisatiedocumenten, waaronder het Koninklijk Besluit, door een ambtenaar op de Nederlandse ambassade in Suriname. Volgens [appellant] ligt het op de weg van de minister om het Koninklijk Besluit te achterhalen.

4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de RWN is Nederlander het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

Ingevolge het tweede lid, heeft iedere Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, in afwijking van het eerste lid, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: Pub 2001) wordt voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

Ingevolge het tweede lid worden indien de aanvrager niet in staat is een eerder uitgereikt Nederlands reisdocument over te leggen, de in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens behorende bij het eerder aan betrokkene uitgereikte reisdocument, niet zijnde een nooddocument, geraadpleegd.

Ingevolge het vierde lid wordt indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, wordt een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 niet in behandeling genomen.

4.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat een kopie van de kennisgeving van het vermeende Koninklijk Besluit, [nummer], onvoldoende is om aan te nemen dat dit besluit bestaat, nog daargelaten dat deze kennisgeving niet is aangetroffen in het Nationaliteitenregister van de IND en ook kenmerknummers bevat die niet naar [appellant] zijn te herleiden. De enkele omstandigheid dat in het bevolkingsregister van Paramaribo is vermeld dat [appellant] de Nederlandse nationaliteit heeft, is niet voldoende om aan te nemen dat bij Koninklijk Besluit aan hem het Nederlanderschap is verleend. De vraag of het Koninklijk Besluit, [nummer], in rechte onaantastbaar is, kan daarom in het midden blijven. Reeds omdat geen documenten bekend zijn waaruit blijkt dat aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, heeft de minister voorts niet ten onrechte geen aanleiding gezien de gestelde verduistering van zijn naturalisatiedocumenten in Suriname strafrechtelijk te laten onderzoeken. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat de minister zijn besluit om de paspoortaanvraag van de dochter krachtens artikel 52, eerste lid, van de Pub 2001, niet in behandeling te nemen op goede gronden heeft gehandhaafd. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Man

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

629.