Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201602366/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2016 heeft de raad geweigerd het bestemmingsplan "Buitengebied, [locatie] Malden" vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201602366/1/R1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Malden, gemeente Heumen,

en

de raad van de gemeente Heumen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2016 heeft de raad geweigerd het bestemmingsplan "Buitengebied, [locatie] Malden" vast te stellen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door S.J.B. Janssen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie] te Malden. [appellant] heeft in het verleden een agrarisch bedrijf geëxploiteerd en op het perceel staat op dit moment nog ongeveer 765 m2 aan kassen en andere bedrijfsbebouwing. [appellant] woont in de voormalige bedrijfswoning op het perceel en wil daar een tweede woning bouwen. In het voor het perceel geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2009" is aan de gronden een woonbestemming toegekend. De planregeling maakt het niet mogelijk om naast de voormalige bedrijfswoning een tweede woning te bouwen.

2. In het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied, [locatie] Malden" was opgenomen dat het bouwen van één nieuwe woning op het perceel is toegestaan, onder de voorwaarde dat alle kassen en de overige bedrijfsbebouwing worden gesloopt. De bestaande woning met bijgebouw mag blijven staan.

3. [appellant] voert aan dat de raad ten onrechte heeft geweigerd dit plan vast te stellen. Hij voert aan dat de gemeente al in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1997, herziening 2003" medewerking wilde verlenen aan een tweede woning op het perceel, maar dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland het plan destijds niet heeft goedgekeurd. In 2015 heeft [appellant] een overeenkomst gesloten met de gemeente waarin de gemeente aangeeft bereid te zijn medewerking te verlenen aan de bouw van een tweede woning en dat hij met het oog hierop een nieuw bestemmingsplan zal vaststellen. Uit het verslag van de raadsvergadering blijkt volgens [appellant] niet dat deze overeenkomst bij de besluitvorming is betrokken. Het initiatief voldoet volgens hem aan de "Ruimte voor ruimte regeling" van de gemeente, nu die vereist dat ten minste 750 m2 aan oude bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en in dit geval 765 m2 aan bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt. Verder past het initiatief volgens [appellant] in de gemeentelijke Structuurvisie 2025, nu die uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt op basis van de "Ruimte voor ruimte regeling" een nieuwe woning toe te staan in het buitengebied. Voorts verwijst [appellant] naar de toelichting van het ontwerpplan waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat het plan zal bijdragen aan het versterken van de kernkwaliteiten van het landschap en de doelstellingen die zijn gesteld in het gemeentelijk Landschapsontwikkelingsplan. Het toevoegen van de woning heeft volgens [appellant] slechts een geringe invloed op het woningbouwquotum. Verder voert [appellant] aan dat hij de oude bedrijfsbebouwing op zijn perceel niet bewust heeft laten verwaarlozen en dat dit dan ook niet aan hem zou moeten worden tegengeworpen. De precedentwerking zal volgens hem nihil zijn, nu een beroep op het gelijkheidsbeginsel zelden tot nooit slaagt. Voorst wijst [appellant] erop dat omwonenden geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan hebben ingediend en ook de provincie is niet ertegen opgekomen.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet past in de "Ruimte voor ruimteregeling", nu alleen kassen zullen worden gesloopt en die niet vallen onder bedrijfsbebouwing als bedoeld in die regeling. Om diezelfde reden past het plan volgens de raad ook niet in de gemeentelijke Structuurvisie 2025. Het perceel ligt volgens de raad bovendien in een kwetsbaar gebied, waar een toename van het aantal woningen niet gewenst is. Het toestaan van een tweede woning geeft ook extra druk op het woningbouwquotum. Verder stelt de raad dat de verwaarlozing van het perceel niet moet worden beloond met het toestaan van een woning en dit een precedentwerking tot gevolg kan hebben. De omstandigheid dat de gemeente al jarenlang met [appellant] in overleg is over het toestaan van een nieuwe woning op het perceel en in dit verband een overeenkomst met hem heeft gesloten geeft volgens de raad onvoldoende reden om een bestemming vast te stellen die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht.

3.2. Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad beleidsvrijheid toe. De Afdeling toetst dit besluit terughoudend. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van de vaststelling van het plan en voorts of bij het nemen van dat besluit anderszins niet is gehandeld in strijd met het recht.

In de notitie "Toetsingskader Ruimte voor ruimteregeling gemeente Heumen" zoals die is vastgesteld op 20 december 2011 staat dat de Ruimte voor ruimte regeling, zoals die in artikel 24, lid 24.4.4 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" is opgenomen, van kracht is geworden. De planregels uit dit bestemmingsplan zijn als bijlage bijgevoegd. In de notitie wordt in aanvulling op die bestaande regeling een ruimtelijk toetsingskader voor de Ruimte voor ruimteregeling geformuleerd. De voorwaarden uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" maken derhalve deel uit van de algemene Ruimte voor ruimteregeling van de gemeente.

In artikel 24, lid 24.4.4 staat dat maximaal één vrijstaande woning mag worden gebouwd, bij een sloop van minimaal 750 m2 aan bedrijfsbebouwing, met een totale oppervlakte van maximaal 50% van de oorspronkelijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen. Niet in geschil is dat er naast de kassen op het perceel [locatie] te Malden geen 750 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig is die kan worden gesloopt. De raad stelt zich gelet hierop terecht op het standpunt dat nu alleen kassen zullen worden gesloopt het plan niet voldoet aan de voorwaarden uit de Ruimte voor ruimte regeling. Nu het plan niet past binnen de Ruimte voor ruimteregeling, past het evenmin binnen de Structuurvisie 2025. Hierin is namelijk opgenomen dat in het buitengebied geen nieuwe woningbouw plaatsvindt, met uitzondering van zeer kleinschalige ontwikkelingen in het kader van nieuwe landgoederen, plattelandswoningen als gevolg van de Ruimte voor ruimte regeling en langs de Rijksweg. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich reeds hierom in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het plan om die reden niet kan worden vastgesteld. De raad heeft ook, anders dan [appellant] betoogt, bij zijn besluitvorming de door het gemeentebestuur met hem gesloten overeenkomst betrokken. De enkele omstandigheid dat de overeenkomst niet in het verslag van de raadsvergadering wordt genoemd biedt onvoldoende grond voor een ander oordeel. In het besluit van 25 februari 2016 staat dat de raad van oordeel is dat deze overeenkomst niet kan leiden tot een verplichting aan de gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht. Hieruit volgt derhalve dat de raad de overeenkomst heeft meegewogen. De Afdeling is van oordeel dat de raad in de overeenkomst in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien het plan, ondanks dat dit in strijd is met gemeentelijk beleid, vast te stellen.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Kramer w.g. Brock

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

603.