Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201602154/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Oeverwal Gendtsche Polder" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201602154/1/R6.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Gendt, gemeente Lingewaard,

en

de raad van de gemeente Lingewaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Oeverwal Gendtsche Polder" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2016, waar zijn verschenen [appellanten], bijgestaan door mr. R. Evens, advocaat te Nijmegen, en E.G. van Balkom, en de raad, vertegenwoordigd door drs. J.J.V.E. Bruckwilder, werkzaam bij de gemeente. Tevens is ter zitting gehoord [partij].

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plangebied bestaat uit gronden tussen de bebouwde kern van Gendt en de Waal. Het plan voorziet hier in enkele ontwikkelingen in het kader van het programma WaalWeelde van de provincie Gelderland. In het plan zijn tevens enkele bestaande agrarische percelen en woonpercelen betrokken, waaronder het perceel van [appellant].

Het ontwerpplan voorzag in boerengolf op het perceel van [appellant]. Het college heeft echter aan de raad voorgesteld in het vast te stellen plan niet in boerengolf te voorzien. De raad heeft dit voorstel gevolgd. [appellant] is het hiermee niet eens en heeft daarom beroep ingesteld.

4. Gelet op het verweerschrift en het verhandelde ter zitting heeft de raad om de volgende redenen besloten om niet te voorzien in boerengolf op het perceel van [appellant]. Naar aanleiding van een zienswijze van omwonenden is nader onderzoek gedaan naar de inpassing van het initiatief van [appellant] in de woonomgeving. Zo is een akoestische berekening gemaakt. Die gaf volgens de raad echter alleen inzicht in de gevelbelasting, terwijl een kernpunt in de zienswijze juist betreft de verstoring van rust in de tuin en op achtererven van woningen. Verder betwijfelde de raad de handhaafbaarheid van een beperking van de intensiteit en frequentie van de recreatieve activiteit. Ook achtte de raad onvoldoende gewaarborgd dat boerengolf op het perceel kleinschalig en extensief zou zijn, wat de raad voor een goede inpassing in de woonomgeving van wezenlijk belang acht.

5. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte heeft aangenomen dat boerengolf op zijn perceel zou leiden tot overlast voor omwonenden. [appellant] wijst er in dit verband op dat het ontwerpplan bepaalde dat maximaal 30 groepen per jaar waren toegestaan en in het natuur- en inrichtingsadvies maatregelen waren voorgesteld die geluidoverdracht zouden beperken. Als de raad nader onderzoek naar maatregelen tegen overlast noodzakelijk vond, dan had de raad dat onderzoek zelf moeten doen of [appellant] daartoe de gelegenheid moeten bieden. Volgens [appellant] is dit nagelaten omdat vertraging in de vaststelling van het plan provinciale subsidies in gevaar zou brengen. [appellant] stelt dat de raad hiermee ten onrechte niet-ruimtelijke motieven aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.

Verder betoogt [appellant] dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende waarborgen bestonden voor een kleinschalig en extensief karakter van boerengolf op het perceel. Volgens [appellant] was die waarborg juist te vinden in de bepaling die maximaal 30 groepen per jaar toestond. Een alternatief had volgens [appellant] kunnen zijn dat maximaal 30 dagen per jaar boerengolf zou zijn toegestaan. Onduidelijk is echter of de raad überhaupt heeft onderzocht of alternatieve eisen gesteld konden worden om het kleinschalige en extensieve karakter van boerengolf op het perceel te waarborgen, aldus [appellant].

[appellant] wijst erop dat hij met de gemeente een overeenkomst heeft gesloten over het mogelijk maken van boerengolf op het perceel. De raad heeft onvoldoende gevolg gegeven aan de hierin opgenomen inspanningsverplichting voor het verlenen van de nodige planologische medewerking, aldus [appellant].

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het vastgestelde plan op het perceel van [appellant] boerengolf niet toestaat.

5.2. Bij de beoordeling van de beroepsgronden is van belang dat de raad gelijktijdig met de vaststelling van het plan een motie heeft aangenomen waarin hij benadrukt dat hij aan de realisatie van boerengolf belang hecht en het college oproept om een "modus te vinden waardoor overeenstemming met alle betrokkenen wordt bereikt over de uitoefening van de recreatieve activiteiten en de condities waaronder die voor alle belanghebbenden aanvaardbaar zijn" en naar aanleiding daarvan een nieuw bestemmingsplan voor te bereiden voor het perceel van [appellant]. Dit betekent dat de hiervoor onder 4 vermelde bezwaren van de raad niet kunnen worden gezien als principiële bezwaren tegen boerengolf op het perceel van [appellant], maar de redenen zijn waarom de raad op het moment van de vaststelling van het plan nog niet overtuigd was van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het boerengolf op de wijze waarop dat in het ontwerpplan was voorzien.

5.3. Gelet op het raadsvoorstel en het vaststellingsbesluit waren zowel het college als de raad van mening dat het akoestisch onderzoek dat naar aanleiding van de zienswijze van de omwonenden was gedaan ontoereikend was om de zienswijze afdoende te kunnen beantwoorden. Ter zitting is gebleken dat van gemeentewege de opdracht is gegeven voor dit onderzoek. De raad heeft geen omstandigheden gesteld die zouden kunnen rechtvaardigen dat een volledig onderzoek achterwege is gelaten. Voor zover de raad van mening is dat daarvoor niet voldoende tijd beschikbaar was, wijst de Afdeling erop dat tussen het moment waarop de zienswijze werd ingediend, op 15 juni 2015, en de vaststelling van het plan meer dan zes maanden zit. Deze periode moet ruim voldoende worden geacht om in een geval als dit een akoestisch onderzoek te laten uitvoeren, ook als een aanvankelijk uitgevoerd onderzoek in de loop van de procedure zou moeten worden aangevuld.

Evenmin wordt het handelen van de raad gerechtvaardigd doordat, zoals de raad ter zitting heeft aangevoerd, [appellant] als initiatiefnemer geen akoestisch onderzoek heeft overgelegd. De gemeente heeft immers zelf het onderzoek ter hand genomen. Ter zitting is gebleken dat met [appellant] alleen mondeling is overlegd over het onderzoek en dat het college noch de raad [appellant] erop heeft gewezen dat van hem werd verwacht dat hij zelf een (aanvullend) akoestisch onderzoek zou aanleveren.

De conclusie is dat de raad het plan wat betreft het perceel van [appellant] in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid.

5.4. De Afdeling is verder van oordeel dat de raad ontoereikend heeft gemotiveerd dat in het plan onvoldoende kon worden gewaarborgd dat het boerengolf kleinschalig en extensief zou zijn. De raad had hiertoe in de regels van het plan immers voorwaarden kunnen stellen. Het ontwerpplan bevatte ook al voorwaarden voor het gebruik van het perceel voor boerengolf. Voor zover de raad die regels onvoldoende of ongeschikt vond, had hij meeromvattende regels in het plan kunnen opnemen. Onduidelijk is waarom de raad dat niet heeft gedaan. Ook hier geldt dat de periode tussen het indienen van de zienswijze en het vaststellen van het plan ruim genoeg moet worden geacht voor het opstellen van de nodige voorwaarden voor het waarborgen van een kleinschalig en extensief karakter van boerengolf.

6. De conclusie is dat de raad het plan wat betreft het perceel van [appellant] heeft vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.

7. De Afdeling zal de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen alsnog de nodige kennis te vergaren over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van boerengolf op het perceel van [appellant] en daarover opnieuw en toereikend gemotiveerd een beslissing te nemen. Als de raad besluit het plan te wijzigen ter uitvoering van deze opdracht, dan hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast.

8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Lingewaard op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen het besluit van 4 februari 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oeverwal Gendtse Polder" te herstellen, de Afdeling de uitkomst daarvan mede te delen en, voor zover de raad besluit het plan te wijzigen, dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Kramer w.g. Jacobs

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

717.