Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2749

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201508535/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het plaatsingsplan Babberspolder Noord Oost vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Babberspolder Noord (gedeeltelijk) en Oost (gedeeltelijk) te Vlaardingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508535/1/A1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Vlaardingen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het plaatsingsplan Babberspolder Noord Oost vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Babberspolder Noord (gedeeltelijk) en Oost (gedeeltelijk) te Vlaardingen.

[appellanten] hebben bij brief van 25 maart 2015 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 26 mei 2015, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellanten] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard.

[appellanten] hebben de gronden van het beroep aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2016, waar [appellanten], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, en het college, vertegenwoordigd door H. de Vries, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Inleiding

1. In het bij besluit van 11 oktober 2011 vastgestelde plaatsingsplan Babberspolder Noord Oost heeft het college concrete locaties in de wijk aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Onder meer is voorzien in plaatsing van een ORAC aan de Van Linden van den Heuvellsingel ter hoogte van nr. 9 (locatie 5.1-4a). Het plan is op 11 april 2012 bekendgemaakt, zij het met een foutieve aanduiding van locatie 5.1-4a.

Op 29 mei 2012 heeft het college het plaatsingsplan Babberspolder Noord vastgesteld. In dat plan zijn eveneens concrete locaties voor ORAC’s aangewezen, doch in een ander gedeelte van de wijk. Het plan voorziet onder meer in plaatsing van een ORAC aan de Merellaan ter hoogte van nr. 58 (locatie 5.1-22).

[appellanten] wonen aan de [locatie A] te Vlaardingen.

2. Verschillende omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen de aanwijzing van locatie 5.1-4a.

Bij afzonderlijke besluiten van 17 september 2012, ingetrokken en vervangen door besluiten van 23 januari 2013, heeft het college op bezwaren van omwonenden tegen het besluit van 11 oktober 2011 beslist.

3. Bij brief van 4 maart 2014 hebben [appellanten] het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het door hen gemaakte bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011.

4. In beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door hen gemaakte bezwaar, hebben [appellanten] de Afdeling verzocht tevens de hoogte van de door het college aan hen verbeurde dwangsom vast te stellen.

5. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 mei 2015, voor zover daarbij alsnog op het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011 is beslist.

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar

6. [appellanten] betogen dat het college heeft nagelaten tijdig te beslissen op hun bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011. Zij stellen dat zij tegen dat besluit, weliswaar prematuur, bezwaar hebben gemaakt in hun zienswijze van 19 maart 2012 over het ontwerp plaatsingsplan Babberspolder Noord.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellanten] geen bezwaar hebben gemaakt tegen de aanwijzing van locatie 5.1-4a. Het heeft de brief van 19 maart 2012 uitsluitend betrokken bij de vaststelling van het plaatsingsplan Babberpolder Noord.

6.2. Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Awb wordt onder het maken van bezwaar verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Ingevolge artikel 6:4, eerste lid, geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

6.3. In de brief van 19 maart 2012 is vermeld dat [appellanten] bezwaren van overwegende aard hebben tegen plaatsing van een container op locatie 5.1-4a, nu dit ten koste gaat van parkeercapaciteit. Deze bezwaren zijn in de brief toegelicht. Voorts is vermeld dat het college volgens hen onzorgvuldig heeft gehandeld door hen niet bij de besluitvorming over locatie 5.1-4a te betrekken. [appellanten] dragen in de brief alternatieven voor plaatsing van een container op locatie 5.1-4a aan en verzoeken het plaatsingsplan betreffende locatie 5.1-4a aan te passen met inachtneming van hun bezwaren.

6.4. Bij deze brief hebben [appellanten] onmiskenbaar bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 oktober 2011, voor zover dat de plaatsing van een ORAC op locatie 5.1-4a betreft. De brief moet daarom in zoverre als bezwaarschrift worden aangemerkt, ook al is dit niet uitdrukkelijk in de brief vermeld.

Het college heeft niet binnen de in artikel 7:10 van de Awb gestelde termijn op dit bezwaar beslist.

7. Het beroep is gegrond.

Beroep tegen het besluit van 26 mei 2015

8. Bij het besluit van 26 mei 2015 heeft het college beslist op bezwaren van [appellanten] tegen drie besluiten van het college, waaronder het besluit van 11 oktober 2011.

Met verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 12 mei 2015 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dat bezwaar volgens het college niet binnen de termijn is gemaakt.

9. [appellanten] betogen dat hun bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Dat zij ook na publicatie van het plaatsingsplan bezwaar hadden kunnen maken, is volgens hen niet relevant.

9.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen.

Ingevolge het tweede lid kan de behandeling van het bezwaar worden aangehouden tot het begin van de termijn.

9.2. Uit hetgeen onder 6.4 is overwogen volgt dat [appellanten] bij brief van 19 maart 2012 bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011 hebben gemaakt. Dat is weliswaar voor de bekendmaking van dat besluit op 11 april 2012 en dus voor aanvang van de termijn, maar dat levert ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op.

Nu [appellanten] reeds een ontvankelijk bezwaarschrift hadden ingediend, kan het standpunt van het college dat zij na publicatie van het plaatsingsplan bezwaar hadden moeten maken, niet worden gevolgd.

Het betoog slaagt derhalve.

10. Het beroep is gegrond. Het besluit van 26 mei 2015 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het de beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011 betreft. Het college dient alsnog inhoudelijk op dat bezwaar te beslissen.

Verzoek om de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen

11. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de bestuursrechter indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

12. Na de eerste dag waarop ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb de dwangsom verschuldigd is, zijn meer dan 42 dagen verstreken. Daarom is de maximale dwangsom verbeurd. Ingevolge artikel 8:55c, gelezen in samenhang met artikel 4:17, tweede lid, van de Awb wordt de door het college verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.260,00.

Proceskosten

13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond;

II. stelt de door het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht vast op € 1.260,00 (zegge: twaalfhonderdzestig euro);

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen van 26 mei 2015 gegrond;

IV. vernietigt dat besluit, voor zover het de beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2011 betreft;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

148.