Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201508092/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:6875, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 10.000,00.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0205
JOM 2016/1057

Uitspraak

201508092/1/A1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2015 in zaak nr. 13/7078 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 10.000,00.

Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk (thans: het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam) het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman en C.A. Rijsdijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, gehoord.

Overwegingen

1. [appellante] is eigenaresse van de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Rotterdam. In 2012 heeft zij deze woningen verbouwd, waarbij zij onder meer een deel van de bebouwing aan de achterzijde van deze woningen heeft gesloopt en aan de achterzijde bij beide woningen een aanbouw heeft gebouwd.

Bij besluit van 20 april 2012 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk [appellante] een last onder dwangsom opgelegd tot verwijdering en verwijderd houden van de twee aanbouwen dan wel deze aan te passen tot vergunningvrije bouwwerken zoals vermeld in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), met inachtneming van de op dat moment geldende bouwregelgeving. Naar aanleiding van een inspectie heeft het dagelijks bestuur besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom.

In geschil is of voldaan is aan de last door aanpassing van de aanbouwen tot vergunningvrije bouwwerken. In dat kader spitst het geschil zich toe op de vraag of is voldaan aan de in artikel 2, derde lid, sub e, van bijlage II bij het Bor gestelde eis voor het vergunningvrij mogen bouwen van een bijbehorend bouwwerk dat niet meer dan 50% van het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied mag worden bebouwd. Daarbij is niet in geschil dat de gesloopte bebouwing behoorde tot het oorspronkelijke hoofdgebouw.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat meer dan 50% van het achtererfgebied bij het oorspronkelijke hoofdgebouw is bebouwd, zodat niet aan gestelde eis is voldaan. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is dat de vorm van een achtererfgebied, al dan niet door sloop van de oorspronkelijke hoofdgebouwen niet kan veranderen. Zij wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van artikel 2, aanhef en onder 3, sub e, van bijlage II bij het Bor. [appellante] voert aan dat nadat is vastgesteld wat het oppervlak is van het achtererfgebied bij het oorspronkelijke hoofdgebouw, moet worden vastgesteld hoeveel vierkante meter van het achtererfgebied onbebouwd moet blijven. Deze oppervlakte moet vervolgens worden vergeleken met de oppervlakte van het huidige onbebouwde achtererfgebied.

3. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, van bijlage II bij het Bor, zoals dat luidde ten tijde van de oplegging van de last, is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, a en onder c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits voldaan wordt aan de volgende eisen:

(…)

e. het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende achtererfgebied als gevolg van dat bouwwerk voor niet meer dan 50% bebouwd.

4. Het betoog faalt. Gelet op de bewoordingen van artikel 2, aanhef en onder 3, sub e, is voor beantwoording van de vraag of aan de gestelde eis is voldaan bepalend dat het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende achtererfgebied na de bouw van het bijbehorend bouwwerk niet voor meer dan 50% mag zijn bebouwd. Dit betekent dat moet worden vastgesteld welk deel van het perceel het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied is en of van dát gebied meer dan 50% na de bouw van het bijbehorend bouwwerk is bebouwd. Of een deel van het achtererfgebied dat geen onderdeel uitmaakt van het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied, na de sloop van de oude aanbouw onbebouwd blijft, is niet van belang. De bewoordingen van dit artikelonderdeel laten geen ruimte voor de door [appellante] voorgestane uitleg.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voor vergunningvrij bouwen in artikel 2, aanhef en onder 3, sub e, van bijlage II bij het Bor gestelde eis, zodat het college bevoegd was een invorderingsbesluit te nemen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Soede

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

270.