Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2744

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201505109/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:4237, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [locatie A] te Bloemendaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201505109/2/A1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Bloemendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2015 in zaak nr. 14/4091 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [locatie A] te Bloemendaal (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 augustus 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft de motivering om af te wijken van het bestemmingsplan en voor het overige ongegrond verklaard. De motivering tot verlening van omgevingsvergunning is aangepast.

Bij uitspraak van 21 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.M.H. Dellaert, en het college vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, bijgestaan door mr. P.G. Muller, advocaat te Haarlem, als belanghebbende gehoord.

Bij tussenuitspraak van 8 juni 2016 in zaak nr. 201505109/1/A1 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending ervan met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 20 augustus 2014 te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 7 juli 2016 heeft het college een nieuw besluit genomen.

Vergunninghouder en [appellant] hebben een schriftelijke zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in een aanbouw met kelder op het perceel. [appellant] woont op het naastgelegen perceel [locatie B].

2. In de tussenuitspraak is overwogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met het bouwplan de hoofdvorm wijzigt, zodat het bouwplan in strijd is met artikel 32.2 van de planregels van het bestemmingsplan "Bloemendaal 2012". Het college had nagelaten in het besluit van 20 augustus 2014 te motiveren of en zo ja waarom het in dit geval bereid is met toepassing van artikel 32.3.1 van de planregels van het bepaalde in artikel 32.2 af te wijken.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college zich in zijn besluit van 7 juli 2016 op het standpunt gesteld dat het bijgebouw waarin het bouwplan voorziet, gelet op het advies van de commissie Ruimte en Kwaliteit (hierna: de commissie) van 23 juni 2016, de hoofdvorm van het gebouw op het perceel niet aantast en heeft het om die reden aanleiding gezien om met toepassing van artikel 32.3.1 in samenhang gelezen met artikel 32.3.2 van de planregels ten aanzien van dit punt ten behoeve van het bouwplan van het bestemmingsplan af te wijken. Voorts worden door het college nog opmerkingen ten overvloede gemaakt bij het begrip hoofdvorm in artikel 32 van de planregels.

4. Het besluit van 7 juli 2016 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling zal de door [appellant] naar voren gebrachte zienswijze behandelen als gronden van het beroep van rechtswege tegen het besluit van 7 juli 2016.

5. [appellant] heeft in zijn zienswijze samengevat naar voren gebracht dat hij vindt dat het besluit van 7 juli 2016 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering. Daartoe voert hij aan dat de commissie geen deskundige is als bedoeld in artikel 32.3.2 van de planregels, nu zij niet objectief is, omdat het bouwplan al vijf keer in het kader van de welstand aan deze commissie is voorgelegd. Ook heeft de commissie de situatie ter plaatse niet bekeken. [appellant] gaat verder in op de opmerkingen van het college over het begrip hoofdvorm in artikel 32 van de planregels.

5.1. De commissie overweegt in haar advies van 23 juni 2016 dat de maat en schaal van het bijgebouw ondergeschikt zijn aan het hoofdvolume en dat het ontwerp van het bijgebouw is afgestemd op de bestaande architectuur en derhalve de karakteristiek van de hoofdvorm niet aantast. Volgens deze commissie is het bijgebouw in harmonie met het hoofdvolume.

De Afdeling overweegt dat, gelet op het door [appellant] aangevoerde, geen grond bestaat voor het oordeel dat het besluit van het college van 7 juli 2016 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college zijn besluit heeft gebaseerd op het advies van de commissie van 23 juni 2016 en dat in het door [appellant] aangevoerde geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat deze commissie niet als deskundige, als bedoeld in artikel 32.3.2 van de planregels, kan worden aangemerkt. Weliswaar is het bouwplan in het kader van de welstandstoets meerdere malen aan deze commissie voorgelegd, maar deze commissie heeft zich niet eerder als deskundige als bedoeld in artikel 32.3.2 van de planregels uitgesproken over de vraag of het bijgebouw de hoofdvorm aantast, zodat de objectiviteit van deze commissie in zoverre niet in geding is. Dat deze commissie de situatie ter plaatse niet heeft bekeken maakt evenmin dat het college zijn besluit niet op het advies van deze commissie heeft mogen baseren, nu niet valt in te zien dat deze commissie niet aan de hand van de bij de aanvraag om omgevingsvergunning behorende bouwtekeningen haar advies heeft kunnen uitbrengen. Ten aanzien van de overige door het college gemaakte opmerkingen wordt het volgende overwogen. Nu deze opmerkingen ten overvloede zijn gemaakt en daarom niet hebben te gelden als een dragende motivering van het besluit van 7 juli 2016, behoeven de door [appellant] in dat kader naar voren gebrachte gronden geen bespreking meer. Anders dan [appellant] veronderstelt, zijn er geen aanwijzingen dat de commissie haar advies heeft gebaseerd op de door het college ten overvloede gemaakte opmerkingen over het begrip "hoofdvorm".

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2014 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor vernietiging in aanmerking. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] tegen het besluit van 7 juli 2016 is ongegrond.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2015 in zaak nr. 14/4091;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal van 20 augustus 2014, kenmerk 2014054284;

V. verklaart het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 7 juli 2016 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.232,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdtweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

270-776.