Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
19-10-2016
Zaaknummer
201600820/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Velddriel herziening 2015, Voorstraat" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2016-0203
JOM 2016/1069
Milieurecht Totaal 2016/6519
AB 2016/448

Uitspraak

201600820/1/R1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Velddriel, gemeente Maasdriel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Maasdriel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Velddriel herziening 2015, Voorstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2016, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door J.J.W.G. van den Oetelaar en S. Verbaarschot, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan voorziet in twee nieuwe woningen. Ongeveer 13 m ten zuiden van het plangebied liggen gronden met een agrarische bestemming. [appellant] is eigenaar van die gronden. Hij woont daar en exploiteert een fruitteeltbedrijf. Aan de westkant van het perceel van [appellant] staan struiken met rode bessen. Deze liggen op een afstand van ongeveer 23 m van het plangebied en op een afstand van ongeveer 35 m van de meest dichtbij gelegen voorziene woning. Aan de zuidkant van het perceel staat een boomgaard met perenbomen. Deze ligt op een afstand van ongeveer 60 m van het plangebied. [appellant] richt zich tegen dit plan omdat hij vreest dat door dit plan de mogelijkheden van zijn bedrijf worden beperkt. Ook vreest hij voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Wettelijke bepalingen

3. De relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beroepsgronden

Spuitzone

4. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de spuitzone rondom zijn fruitteeltbedrijf. Ten eerste voert hij hiertoe aan dat de raad is uitgegaan van een onjuiste afstand van zijn fruitteeltbedrijf tot de voorziene woningen. Hij voert hiertoe aan dat in het rapport "Spuitcirkels ten behoeve van het bestemmingsplan "Velddriel herziening 2015, Voorstraat" in de gemeente Maasdriel" van 3 september 2015, opgesteld door Windmill, (hierna: het rapport van Windmill) de afstand ten onrechte is gemeten vanaf de gronden ten westen en oosten van zijn woning waar thans fruitstruiken staan. [appellant] voert aan dat vanaf zijn perceelsgrens had moeten worden gemeten. Tot aan zijn perceelsgrens mogen namelijk fruitstruiken worden geplant en ook voor fruitstruiken moet een spuitzone worden gehanteerd. Ook voert hij aan dat in het rapport van Windmill ten onrechte slechts met een deel van zijn perceel rekening wordt gehouden. Het gebied ten zuiden van zijn woning is in dit rapport namelijk niet opgenomen als fruitboomgaard, aldus [appellant]. Ten tweede voert [appellant] aan dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat 35 m een goede afstand is tussen het fruitteeltbedrijf en de voorziene woningen. In dit verband betoogt hij dat de onderzoeken van de Universiteit Wageningen die de raad aan dit standpunt ten grondslag heeft gelegd niet specifiek voor deze locatie zijn opgesteld.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de afstand van ongeveer 35 m tussen het fruitteeltbedrijf en de voorziene woningen met betrekking tot de in acht te nemen spuitzone aanvaardbaar is. Hij wijst in dit verband naar een rapport dat vanwege dit plan is opgesteld. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de voorziene woningen niet binnen de indicatieve afstand van 50 m liggen vanaf de boomgaard op het zuidelijke deel van het perceel van [appellant]. Om die reden is deze boomgaard niet van invloed op het woningbouwplan, aldus de raad.

4.2. In het rapport van Windmill is onderzoek gedaan naar de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen. In het rapport is in beeld gebracht welke fruitteeltbedrijven in de buurt van de voorziene woningen liggen. In paragraaf 3.2 is een afbeelding opgenomen waarop het perceel van [appellant] is weergegeven. De gronden met fruitteelt ten zuiden van zijn woning zijn daarop niet ingetekend als aanwezige fruitboomgaard. In het rapport van Windmill is gemeten vanaf de gronden die voor fruitteelt in gebruik zijn. Dit zijn de gronden ten westen en oosten van de woning van [appellant]. Er is niet vanaf de perceelsgrens gemeten omdat de gronden direct grenzend aan de perceelsgrens thans niet in gebruik zijn voor fruitteelt en voor de aanleg van boomgaarden een aanlegvergunning nodig is. Een dergelijke vergunning kan alleen worden verstrekt als wordt aangetoond dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande woningen van derden niet onevenredig wordt aangetast, aldus het rapport van Windmill.

In het rapport van Windmill is onderkend dat een indicatieve afstand wordt gehanteerd van 50 m tussen gevoelige functies en de gronden die voor fruitteelt worden gebruikt. De gronden die [appellant] thans feitelijk voor fruitteelt gebruikt liggen binnen die zone. Van de indicatieve afstand kan volgens het rapport van Windmill worden afgeweken. In dit verband wordt gewezen op onderzoeken van de universiteit Wageningen naar de driftblootstelling door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij boomgaardbespuitingen en bespuitingen van veldgewassen. Hierin wordt aangetoond dat het verantwoord is de afstand tussen een gevoelige bestemming en een agrarisch perceel terug te brengen van 50 m tot minimaal 5 m tot 35 m afhankelijk van de omstandigheden en eventueel getroffen maatregelen. Vervolgens staat in het rapport van Windmill dat het voorerfgebied van de nieuwe woningen binnen 35 m ligt van het fruitteeltperceel. In het rapport van Windmill worden maatregelen voor dat gebied opgesomd. Met inachtneming van die maatregelen wordt het voorerfgebied niet als gevoelige functie aangemerkt. Verder staat in het rapport van Windmill dat de ligging van de voorziene woningen gunstig is vanwege de in Nederland overheersende windrichting vanuit het zuidwesten.

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in rechtsoverweging 2.7.1 in haar uitspraak van 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308 is het in het algemeen niet onredelijk om als vuistregel te hanteren dat een afstand van 50 m wordt aangehouden tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Vermindering van de afstand van 50 m kan aanvaardbaar zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval en na afweging van alle betrokken belangen.

4.4. De raad heeft op zich terecht gesteld dat de voorziene woningen niet binnen 50 m liggen vanaf de boomgaard op het zuidelijke deel van het perceel van [appellant]. De raad heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat die afstand niet onredelijk is. Het geschil heeft echter vooral betrekking op de gronden ten westen en oosten van de woning van [appellant].

4.5. In het rapport van Windmill is ten onrechte gemeten vanaf de gronden ten westen en oosten van de woning die nu feitelijk in gebruik zijn voor fruitteelt. Aan de gronden tot aan de perceelsgrens is in het bestemmingsplan "Buitengebied, binnendijks deel" namelijk de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. In het rapport van Windmill is niet onderkend dat binnen de bestemming "Agrarisch gebied" fruitstruiken zijn toegestaan. Weliswaar is voor het aanleggen van een boomgaard binnen deze bestemming een aanlegvergunning nodig, maar voor het aanleggen van fruitstruiken is dit niet vereist. [appellant] heeft onbestreden gesteld dat ook voor fruitstruiken, die 200-250 cm hoog kunnen worden, gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Zoals reeds eerder is overwogen in rechtsoverweging 6.6 van de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1648 is met het planologisch toestaan van het gebruik van de gronden voor het kweken van fruitstruiken daarmee in beginsel ook het gangbare gebruik van bestrijdingsmiddelen toegestaan. Aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen kunnen echter beperkingen worden gesteld in de planregels, indien dat vanuit ruimtelijk oogpunt noodzakelijk wordt geacht. Het perceel van [appellant] is evenwel niet in dit plan betrokken waardoor in dit plan geen beperkingen aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn gesteld. Ook in het plan waarin het perceel van [appellant] is opgenomen zijn dergelijke beperkingen niet gesteld. De raad heeft betoogd dat de mogelijkheden van [appellant] om de fruitstruiken ter plaatse van de gronden tot aan zijn perceelsgrens te bespuiten nu al worden ingeperkt door artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Het bespuiten van de fruitstruiken ter plaatse van deze gronden mag er immers niet toe leiden dat de gebruiksmogelijkheden van het tegenover gelegen perceel, waarop thans een school is gevestigd, ontoelaatbaar wordt beperkt. Wat daar ook van zij, op grond van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan is het [appellant] toegestaan zijn gronden ten volle te benutten ten behoeve van de fruitteelt. Gelet op het voorgaande had er in het rapport van Windmill vanuit moeten worden gegaan dat [appellant] fruitstruiken kan aanleggen en bespuiten tot aan zijn perceelsgrens. Om die reden is ten onrechte niet vanaf de perceelsgrens van [appellant] gemeten.

In het rapport van Windmill is er terecht van uitgegaan dat tot de gevoelige functie moet worden gemeten. Het rapport van Windmill gaat er terecht van uit dat de plandelen met de bestemmingen "Groen" en "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitritten" geen gevoelige functies mogelijk maken. Ter plaatse zijn namelijk geen functies toegestaan waar mensen langdurig verblijven. Ter plaatse van de bestemming "Wonen" zonder de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitritten" zijn wel gevoelige functies toegestaan. Zo kan ter plaatse van de bestemming "Wonen" een tuin worden gerealiseerd. Gelet op het voorgaande moet tot aan de grens van het meest dichtbijzijnde plandeel met de bestemming "Wonen" zonder de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitritten" worden gemeten.

Het voorgaande betekent dat had moeten worden gemeten van de perceelsgrens van [appellant] tot de bestemming "Wonen" zonder de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitritten". Deze afstand is ongeveer 13 m. De raad is derhalve uitgegaan van een onjuiste afstand. Reeds om die reden moet het besluit worden vernietigd.

4.6. Als voor een kortere afstand dan 50 m tussen gevoelige functies en fruitteeltbedrijven wordt gekozen, dan moet daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag liggen. Die ontbreekt in dit geval. De keuze voor een kortere afstand wordt in het rapport van Windmill namelijk gebaseerd op gestandaardiseerde onderzoeken die niet specifiek op het plangebied zien. De raad stelt dat locatie-specifieke omstandigheden in het rapport zijn betrokken. Voor zover hij daarmee doelt op de passage in het rapport van Windmill waarin staat dat de ligging van de voorziene woningen ten opzichte van het fruitteeltbedrijf gunstig is vanwege de overwegend zuidwestenwind, overweegt de Afdeling dat dit gegeven de motivering voor een kortere afstand niet kan dragen. Het gegeven dat er vaak een zuidwestenwind staat, betekent namelijk niet dat andere windrichtingen niet voorkomen, terwijl ook bij een andere windrichting het bespuiten van fruitteelt ter plaatse is toegestaan. Ook is in het rapport van Windmill niet toegelicht hoe vaak andere windrichtingen voorkomen. Voorts is niet toegelicht wat de gevolgen zijn voor de voorziene woningen indien de fruitstruiken worden bespoten bij een andere windrichting. Verder is door de raad aangevoerd dat de teeltrijen met de kopse zijde richting de voorziene woningen zijn gesitueerd waardoor de voorziene woningen niet in de spuitrichting worden gerealiseerd. Door [appellant] is terecht gesteld dat planologisch niet is uitgesloten dat de situering van de teeltrijen in de toekomst kan worden gewijzigd. Ook heeft [appellant] ter zitting onbestreden gesteld dat dit niet feitelijk onmogelijk is. In dit verband heeft hij er op gewezen dat bijvoorbeeld bij het telen van aardbeien de situering van de teeltrijen kan worden veranderd ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op het voorgaande is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat voor een kortere afstand dan 50 m tussen gevoelige functies en het fruitteeltbedrijf van [appellant] kon worden gekozen.

Het betoog slaagt.

Geluid

5. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft onderkend dat ter plaatse van de nieuwe woningen geluidoverlast zal ontstaan door zijn fruitteeltbedrijf. Hij voert hiertoe aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de aanbevolen richtafstand 10 m is. De aanbevolen richtafstand is namelijk 30 m, aldus [appellant].

5.1. In de plantoelichting staat dat de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) is toegepast. In de plantoelichting is uitgegaan van een richtafstand van 10 m, omdat sprake is van het omgevingstype "gemengd gebied".

5.2. In de VNG-brochure wordt voor de functie "akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)" een richtafstand aanbevolen van 30 m. Deze aanbevolen richtafstand geldt voor het omgevingstype "rustige woonwijk". De aanbevolen richtafstand kan met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van het omgevingstype "gemengd gebied" zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Dat betekent dat de aanbevolen richtafstand voor de functie voor akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen) 10 m is als sprake is van het omgevingstype "gemengd gebied".

5.3. In de omgeving van het plangebied liggen lintbebouwing en agrarische bedrijven. Om die reden is de omgeving van dit plan te kwalificeren als "gemengd gebied". Voor het omgevingstype "gemengd gebied" geldt een aanbevolen richtafstand van 10 m tussen de voorziene woningen en het fruitteeltbedrijf. De afstand is ongeveer 20 m tussen de meest dichtbij zijnde woning en het fruitteeltbedrijf. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat aan de aanbevolen richtafstand wordt voldaan. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan desondanks moet worden geoordeeld dat ter plaatse van de voorziene woningen sprake zal zijn van ernstige geluidhinder. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geluidgevolgen ter plaatse van de nieuwe woningen als gevolg van het fruitteeltbedrijf aanvaardbaar zijn.

Het betoog faalt.

Meidoorn

6. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in het planten van de meidoorn als afschermende groenstrook bij de woningen. Hij voert hiertoe aan dat de meidoorn de ziekte "perenvuur" veroorzaakt, waardoor de perenbomen van [appellant] kunnen worden aangetast.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat gelet op de mogelijke gevolgen die de meidoorn voor het fruitteeltbedrijf kan hebben, bij de verkoop nadrukkelijk geadviseerd zal worden over de mogelijke gevolgen van de meidoorn.

6.2. Als bijlage 2 bij de plantoelichting is het "Beeldkwaliteitsplan bij Inrichtingsplan woonkavel Voorstraat Velddriel" van 23 september 2015 opgenomen. Hierin wordt genoemd als uitgangspunt bij de groene inrichting van de woonpercelen dat de afschermende groenstrook ten westen van de westelijke woning moet bestaan uit inheemse streekeigen bomen en struiken. Hierbij kan een selectie worden gemaakt uit de volgende soorten: rode kornoelje, gele kornoelje, sleedoorn, meidoorn, gewone vlier, trosvlier, wilde roos, krentenboompje, lijsterbes, meelbes en braam.

6.3. In artikel 4, lid 4.4.3, onder b, van de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om ter plaatse van de aanduiding "groen" een afschermende groenvoorziening uit te voeren en in stand te houden overeenkomstig bijlagen 1 en 2. Bij het aanleggen van de afschermende groenvoorziening is een beperkt aantal soorten struiken en bomen voorgeschreven waaronder de meidoorn. De aanduiding "groen" is toegekend aan een plandeel ten westen van de meest westelijke woning. Dit plandeel ligt op een afstand van ongeveer 28 m van het perceel van [appellant]. [appellant] en de raad zijn het er over eens dat de meidoorn zeer nadelige gevolgen kan hebben voor het fruitteeltbedrijf. De raad heeft de meidoorn daarom ten onrechte voorgeschreven in het beeldkwaliteitsplan. Het besluit is in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt.

Woon- en leefklimaat

7. [appellant] betoogt dat het plan tot aantasting van zijn privacy en uitzicht leidt. Hij voert hiertoe aan dat de bouw- en goothoogte mogen worden verhoogd ten opzichte van hetgeen nu aanwezig is.

7.1. Aan twee plandelen is de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "bouwvlak", "maximum goothoogte (m) = 6" en "maximum bouwhoogte (m) = 10" onderscheidenlijk "maximum bouwhoogte (m) = 9" toegekend.

7.2. Op dit moment is ter plaatse van het bestreden plandeel bebouwing aanwezig die op een grotere afstand staat en een minder grote bouw- en goothoogte heeft. Dit plan maakt het mogelijk dat op ongeveer 31 m van de woning van [appellant] een woning wordt gerealiseerd met een bouwhoogte van 10 m en een goothoogte van 6 m. Het is niet uitgesloten dat de privacy en het uitzicht van [appellant] verminderen ten opzichte van de huidige situatie. Dit brengt echter niet met zich dat dit onaanvaardbaar is. Gelet op de afstand tussen de dichtstbijzijnde voorziene woning en de woning van [appellant], en de gangbare maximale bouw- en goothoogte die voor de voorziene woningen zijn toegestaan, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aantasting van de privacy en het uitzicht van [appellant] niet ernstig is, zodat er in zoverre geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

Waardevermindering en planschadevergoeding

8. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning en het bedrijf van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

9. [appellant] heeft verzocht om een planschadevergoeding. Een verzoek om planschadevergoeding wordt behandeld in een aparte procedure en kan in deze procedure niet aan de orde komen. Een verzoek om planschadevergoeding kan worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders op het moment dat een plan in rechte onaantastbaar wordt.

Het betoog faalt.

Conclusie

10. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts is artikel 4, lid 4.4.3, onder b, van de planregels in strijd met een goede ruimtelijke ordening voor zover de aanleg van de meidoorn wordt voorgeschreven. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

11. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

12. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Maasdriel van 17 december 2015 waarbij het bestemmingsplan "Velddriel herziening 2015, Voorstraat" is vastgesteld;

III. draagt de raad van de gemeente Maasdriel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onder II. genoemde onderdeel wordt verwerkt op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Maasdriel aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W.A.M.M. Delauw, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Delauw

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2016

812.

Bijlage

* Bij rechtsoverweging 4.5

Planregels bij bestemmingsplan "Buitengebied, binnendijks deel"

Bestemming "Agrarisch gebied"

3.1 Doeleindenomschrijving

De als "Agrarisch gebied" op de kaart bestemmingen aangegeven gronden zijn bestemd voor de volgende doeleinden:

- agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik.

3.6 Aanlegvergunningen

3.6.1 Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in de volgende tabel vermelde werken en werkzaamheden uit te voeren. De aanlegvergunning kan uitsluitend worden verleend als wordt voldaan aan de in de tabel genoemde criteria.

Aanlegvergunningplichtige werken/werkzaamheden

Criteria voor verlening van de aanlegvergunning

Het aanleggen van boomgaarden binnen een afstand van 50 m van woningen van derden of de bestemmingen "Niet-agrarische bedrijven", "Bedrijventerrein", "Recreatiedoeleinden", "Horeca" en "Sportvoorzieningen"

Aangetoond wordt dat het woon- en/of verblijfsklimaat binnen de genoemde functies niet onevenredig wordt aangetast

Planregels

Bestemming "Groen"

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. paden en inritten;

c. kunstwerken;

d. nutsvoorzieningen, waaronder begrepen leidingen en bijbehorende voorzieningen;

e. waterretentie, waterzuivering en -infiltratie;

f. geluidafschermende voorzieningen, een en ander met de bijbehorende voorzieningen.

Bestemming "Wonen"

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen;

b. aan huis verbonden beroep;

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - inritten" uitsluitend voor bij de woning behorende inritten;

met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, parkeervoorzieningen, afschermende voorzieningen, watergangen, waterretentievoorzieningen en voorzieningen voor waterzuivering en -infiltratie.

* Bij rechtsoverweging 6.3

Planregels

4.4.3 Afschermende voorzieningen (voorwaardelijke bepaling)

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de voor "Wonen" aangewezen gronden conform de bestemming "Wonen" is alleen toegestaan wanneer:

a. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - muur" een gemetselde afscheidingsmuur met een hoogte van 2 meter is gebouwd, conform de uitgangspunten zoals gesteld in het Akoestisch onderzoek school, zoals opgenomen in Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan;

b. ter plaatse van de aanduiding "groen", uiterlijk 1 jaar nadat de daaraan gekoppelde bebouwing is gerealiseerd, een afschermende groenvoorziening is uitgevoerd en in stand wordt gehouden, overeenkomstig bijlage 1 en bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

* Bij rechtsoverweging 7.3

Planregels

Bestemming "Wonen"

4.2.2 Bouwregels voor woningen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:

a. woningen mogen uitsluitend worden gesitueerd binnen het bouwvlak;

b. de bouw- en goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)" is aangegeven.