Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2707

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
201603323/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:2137, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/297

Uitspraak

201603323/1/V2.

Datum uitspraak: 6 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 29 april 2016 in zaak nr. 16/5065 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat te Groningen, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij [persoon A], een tegenstander van [persoon B] en diens groepering, gedurende een week thuis onderdak heeft geboden en dat hij na het vertrek van zijn gast hierop is aangesproken door twee aanhangers en een bewaker van [persoon B] en daarom zijn land van herkomst, Irak, is ontvlucht. De staatssecretaris heeft dit geloofwaardig geacht, maar zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zijn vrees dat hij bij terugkeer door de groepering van [persoon B] zal worden gedood, niet aannemelijk heeft gemaakt. In hoger beroep is aan de orde of de staatssecretaris dit standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd.

2. In zijn eerste grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet aannemelijk acht dat de vreemdeling bij terugkeer in Irak door de groepering van [persoon B] zal worden gedood. De staatssecretaris voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het besluit van 9 maart 2016 gemotiveerd uiteen is gezet dat de geloofwaardig geachte gebeurtenissen, daaronder begrepen dat de vreemdeling door twee aanhangers en een bewaker van [persoon B] is aangesproken, niet een ondersteuning of bevestiging vormen van het risico dat de vreemdeling bij terugkeer stelt te lopen.

2.1. De vreemdeling heeft verklaard dat hij op verzoek van een oom in Sydney gedurende een week thuis in Najaf onderdak heeft geboden aan [persoon A] en hem in die periode heeft begeleid. De staatssecretaris heeft dit geloofwaardig geacht alsook dat [persoon A] vrienden in de woning van de vreemdeling heeft uitgenodigd en zich vervolgens negatief heeft uitgelaten over, onder andere, [persoon B] en diens groepering. De staatssecretaris heeft eveneens geloofwaardig bevonden dat twee buurtbewoners en aanhangers van [persoon B] de vreemdeling na het vertrek van [persoon A] hebben bevraagd over zijn bezoeker en dat een bevriende bewaker van [persoon B] hem heeft verteld dat [persoon B] ontstemd was over het bezoek en een vraagteken bij de naam van de vreemdeling heeft gezet.

2.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Irak door de groepering van [persoon B] zal worden gedood. Daarbij heeft de staatssecretaris terecht van belang geacht dat de vreemdeling niet heeft bestreden dat de bewaker noch de twee mannen die hem op straat aanspraken, hem concreet hebben verteld dat zijn leven gevaar loopt. Dat de staatssecretaris wel geloofwaardig heeft geacht dat de vreemdeling op straat is aangesproken en hem kenbaar is gemaakt dat [persoon B] ontstemd was over het bezoek, hetgeen de rechtbank van groot belang heeft geacht, heeft de staatssecretaris terecht in het licht van de overige omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat ook [persoon A] zelf geen problemen heeft ondervonden van zijn negatieve uitspraken over [persoon B] en diens groepering, onvoldoende geacht. Hoewel, zoals de vreemdeling heeft betoogd, bekend is dat [persoon B] zich schuldig maakt aan ernstige mensenrechtenschendingen, heeft de staatssecretaris hierover terecht gesteld dat dit niet zonder meer maakt dat de vreemdeling ook een reëel risico hierop loopt. Nu er geen concrete bedreigingen zijn geuit, de vreemdeling gedurende anderhalve week zonder enige problemen nog thuis heeft verbleven en nadien zonder problemen zijn huis en land kon verlaten en ook de overige nog aldaar verblijvende familieleden geen problemen hebben ondervonden, heeft de staatssecretaris terecht aangenomen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer door de groepering van [persoon B] zal worden gedood.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 9 maart 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling betoogt tevergeefs dat de staatssecretaris ten onrechte en in strijd met de Werkinstructie van 1 januari 2015 (2014/10) heeft nagelaten alle relevante elementen in het asielrelaas van de vreemdeling te identificeren en vast te stellen. De staatssecretaris heeft in het besluit van 9 maart 2016 over alle in de zienswijze aangevoerde en volgens de vreemdeling relevante elementen een gemotiveerd standpunt ingenomen. Hetgeen de vreemdeling hieromtrent in beroep aanvoert, vormt geen gemotiveerde betwisting van het besluit van 9 maart 2016 op dit punt. Ter onderbouwing van zijn betoog dat sprake is van nog een relevant element heeft de vreemdeling in beroep een fotokopie en een vertaling van een document overgelegd, waarin strijders van [persoon B] de opdracht wordt gegeven om de vreemdeling zo snel mogelijk naar het hoofdkwartier in Najaf te brengen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de ongedateerde fotokopie die door de vreemdeling is overgelegd, het door hem gestelde reële risico niet alsnog aannemelijk maakt.

De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling betoogt ook tevergeefs dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet zijn volledige medewerking aan het onderzoek heeft verleend door pas na het nader gehoor de tekst van sms-berichten van [persoon A] aan [persoon B], onvertaald, te overleggen. In beroep heeft de vreemdeling alsnog een vertaling van de berichten overgelegd. Hiermee gaat de vreemdeling eraan voorbij dat de staatssecretaris in het besluit van 9 maart 2016 ook inhoudelijk op het betoog van de vreemdeling is ingegaan en niet ongeloofwaardig heeft geacht dat de berichten zijn verstuurd, maar zich op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling daarmee nog niet aannemelijk heeft gemaakt in de negatieve belangstelling van de groepering van [persoon B] te staan.

De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 29 april 2016 in zaak nr. 16/5065;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2016

638-837.