Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
201600356/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2013 herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600356/1/A2.

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2015 in zaak nr. 15/5470 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2013 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 6 maart 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2012 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] tegen de besluiten van 21 november 2013 en 6 maart 2015 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Oass, advocaat te Haarlem, en vergezeld door zijn [echtgenote], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1. [appellant] heeft in 2012 en 2013 voor zijn twee kinderen, [kind A] en [kind B], gebruik gemaakt van dagopvang en buitenschoolse opvang bij vier verschillende kindercentra: [kindercentra A], [kindercentra B], [kindercentra C] en [kindercentra D]. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ten behoeve van deze opvang aan hem voorschotten kinderopvangtoeslag verstrekt.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit op bezwaar van 21 juli 2015 in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij alle kosten van kinderopvang heeft betaald. In de tweede plaats heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat enkele overeenkomsten die ten grondslag hebben gelegen aan de opvang niet voldoen aan de eisen die de wet daaraan stelt. Tot slot heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat de toeslagpartner van [appellant], [echtgenote], in 2012 niet voldeed aan de voorwaarden om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen. De Belastingdienst/Toeslagen is dan ook tot de conclusie gekomen dat [appellant] in 2012 en 2013 geen recht had op kinderopvangtoeslag. [appellant] is het niet eens met die conclusie en heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de standpunten van de Belastingdienst/Toeslagen onderschreven en het beroep daarom ongegrond verklaard.

Hoger beroep

3. [appellant] is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij voert daartoe een aantal gronden aan, die hierna achtereenvolgens zullen worden beoordeeld.

Doelgroep

4. [appellant] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in 2012 niet behoorde tot de doelgroep die op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag, omdat zijn partner geen arbeid verrichtte. Hij voert in dat verband aan dat zijn partner, [echtgenote], anders dan de rechtbank heeft overwogen, in 2012 arbeid heeft verricht. Ter zitting heeft [appellant] bij wijze van nadere toelichting uiteengezet dat hij in 2012 samen met [echtgenote] eigenaar was van kindercentrum [kindercentra B]. Omdat deze onderneming zich een groot deel van 2012 nog in de opstartfase bevond en in elk geval de vaste lasten, waaronder de huur, en de werknemers betaald moesten worden, heeft [echtgenote] in 2012 geen inkomen uit de onderneming gehad. Dat neemt echter niet weg dat zij, tot zij in oktober met zwangerschapsverlof ging, werkzaamheden heeft verricht voor de onderneming, aldus [appellant].

4.1. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toelagen uiteengezet dat niet wordt betwist dat [echtgenote] in 2012 arbeid heeft verricht, maar dat [appellant] wordt tegengeworpen dat [echtgenote] geen inkomen uit die arbeid heeft gehad.

4.2. Ingevolge artikel 1.6, derde lid, aanhef en onder a, van de Wkkp heeft een ouder met een partner slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de partner in Nederland woont en daar arbeid verricht. Anders dan de Belastingdienst/Toeslagen stelt, volgt hieruit niet dat een ouder met een partner slechts aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag als die partner een inkomen heeft. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen is het voldoende dat er arbeid is verricht. Aangezien de Belastingdienst/Toeslagen niet betwist dat [echtgenote] in 2012 arbeid heeft verricht, bestaat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen grond voor het oordeel dat [appellant] in dat jaar niet behoorde tot de doelgroep die recht heeft op kinderopvangtoeslag. Het betoog slaagt.

Overeenkomsten

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de hand van door hem overgelegde overeenkomsten met [kindercentra A] en [kindercentra B] niet kan worden vastgesteld of de opvang door die kindercentra heeft plaatsgevonden op basis van overeenkomsten die voldoen aan de in de wet gestelde eisen. Hij voert daartoe aan dat alle noodzakelijke gegevens in de overeenkomsten zijn vermeld.

5.1. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen te kennen gegeven [appellant] niet langer tegen te werpen dat de kinderopvang in 2012 en 2013 niet heeft plaatsgevonden op basis van schriftelijke overeenkomsten waaruit de met de kindercentra gemaakte afspraken blijken.

Het betoog slaagt reeds hierom.

Kosten

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet heeft aangetoond dat hij alle kosten van kinderopvang heeft betaald. Ter onderbouwing heeft hij stukken overgelegd waaruit volgens hem volgt dat hij alle kosten heeft betaald.

6.1. Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid van de Wkkp is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 5, van toepassing.

Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:211) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor zulke opvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Dit betekent dat het aan [appellant], als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, is om documenten over te leggen waaruit de hoogte van de gemaakte kosten van kinderopvang kan worden afgeleid en aan te tonen dat hij die kosten volledig heeft voldaan.

6.3. Van januari tot en met augustus 2012 en in januari en februari 2013 heeft [appellant] voor [kind A] gebruik gemaakt van kinderopvang bij [kindercentra A]. Uit de door [appellant] overgelegde jaaropgaven volgt dat de kosten hiervan in 2012 € 3.490,56 en in 2013 € 894,60 bedroegen. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen te kennen gegeven dat niet meer in geschil is dat [appellant] deze kosten volledig heeft voldaan.

Van maart tot en met augustus 2013 heeft [appellant] voor [kind B] gebruik gemaakt van kinderopvang bij [kindercentra C]. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen te kennen gegeven dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de kosten van deze opvang € 6.760,00 bedroegen en dat [appellant] deze kosten heeft voldaan.

Het vorenstaande betekent dat, voor zover de kinderopvang in 2012 en 2013 heeft plaatsgevonden bij [kindercentra A] en [kindercentra C], de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de volledige kosten van kinderopvang heeft voldaan en hij geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.

Het betoog slaagt in zoverre.

6.4. Van september 2012 tot en met februari 2013 heeft [appellant] voor [kind A], en van december 2012 tot en met februari 2013 voor [kind B] gebruik gemaakt van kinderopvang bij [kindercentra B].

Uit de door [appellant] overgelegde jaaropgaven volgt dat de kosten van kinderopvang bij [kindercentra B] in 2012 (€ 3.233,00 + € 1.394,23) = € 4.627,23 bedroegen. Uit de overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat in 2012 in totaal € 3.858,25 aan [kindercentra B] is betaald voor kinderopvang. Aldus is [appellant] er niet in geslaagd om aan te tonen dat hij in 2012 de kosten van kinderopvang bij [kindercentra B] volledig heeft voldaan.

Uit de door [appellant] overgelegde facturen volgt dat de kosten van kinderopvang bij [kindercentra B] in 2013 € 4.476,50 bedroegen. Uit de overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat in totaal een bedrag van € 2.110,00 is betaald aan [kindercentra B]. Aldus is [appellant] er evenmin in geslaagd om aan te tonen dat hij in 2013 de kosten van kinderopvang bij [kindercentra B] volledig heeft voldaan.

Het betoog van [appellant], dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij er niet in is geslaagd om aan te tonen dat hij de kosten van opvang bij [kindercentra B] volledig heeft betaald, aangezien hij en [echtgenote] de eigenaren waren van [kindercentra B] en de betalingen voor de opvang zijn verrekend met de uitkeringen die zij uit de onderneming ontvingen, maar dat dit door de drukte die gepaard ging met het opstarten van de onderneming niet goed is geadministreerd, kan niet worden gevolgd. Dat [appellant] door de genoemde omstandigheden niet kan aantonen dat hij de kosten van kinderopvang volledig heeft voldaan, komt gelet op artikel 18, eerste lid, van de Awir voor zijn rekening en risico.

Van september tot en met november 2013 heeft [appellant] voor [kind B] gebruik gemaakt van kinderopvang bij [kindercentra D]. Uit de door [appellant] overgelegde jaaropgave volgt dat de kosten van deze opvang in totaal € 4.577,04 bedroegen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in verweer te kennen gegeven dat een deel van de voorschotten rechtstreeks aan [kindercentra D] is betaald. Het gaat om een bedrag van € 3.382,00. Dit betekent dat [appellant] moet aantonen dat hij het restant volledig heeft betaald. Hij is daarin niet geslaagd, aangezien uit de door hem overgelegde bankafschriften niet kan worden afgeleid dat [appellant] betalingen aan [kindercentra D] heeft gedaan.

Het vorenstaande betekent dat, voor zover de kinderopvang in 2012 en 2013 heeft plaatsgevonden bij [kindercentra B] en [kindercentra D], de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de volledige kosten van kinderopvang heeft voldaan en hij geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.

Het betoog faalt voor het overige.

Rechtsbeginselen

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. In dit verband voert hij aan dat hij er, gelet op de aan hem toegekende voorschotten, op mocht vertrouwen dat hij recht had op kinderopvangtoeslag.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH9242) vloeit uit artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde (thans: vijfde) lid van de Awir, voort dat aan het verlenen van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat.

Het betoog faalt.

Conclusie

8. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij de kosten van kinderopvang door [kindercentra B] en [kindercentra D] volledig heeft voldaan, zodat vaststaat dat hij voor die opvang geen recht heeft op kinderopvangtoeslag. Hem kan echter niet worden tegengeworpen dat hij niet heeft aangetoond dat hij de kosten van de kinderopvang door [kindercentra A] en [kindercentra C] niet volledig heeft betaald en dat aan die opvang geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt. Evenmin kan hem nog worden tegengeworpen dat hij in 2012 niet binnen de doelgroep die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking komt valt. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw moet beoordelen of [appellant], voor zover de kinderopvang in 2012 en 2013 heeft plaatsgevonden bij [kindercentra A] en [kindercentra C], recht heeft op kinderopvangtoeslag en, zo ja, wat de hoogte daarvan is.

9. Gelet op overwegingen 4.2, 5.1 en 6.3 is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 juli 2015 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor vernietiging in aanmerking. De Belastingdienst/Toeslagen dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

10. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

11. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat een proceskostenveroordeling achterwege dient te blijven, omdat [appellant] een aantal bankafschriften voor het eerst in hoger beroep heeft overgelegd. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen kan hem dan ook niet worden verweten dat hij zich eerst ter zitting in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet langer wordt tegengeworpen dat hij niet heeft aangetoond dat hij de kosten van kinderopvang door [kindercentra A] en [kindercentra C] niet volledig heeft betaald. De Afdeling volgt dit betoog niet. Daartoe is van belang dat de Belastingdienst/Toeslagen eveneens eerst ter zitting te kennen heeft gegeven dat [appellant] niet langer wordt tegengeworpen dat de kinderopvang in 2012 en 2013 niet heeft plaatsgevonden op basis van schriftelijke overeenkomsten waaruit de met de kindercentra gemaakte afspraken blijken, terwijl [appellant] ten aanzien van de overeenkomsten in hoger beroep niets nieuws heeft aangevoerd. Gelet hierop dient de Belastingdienst/Toeslagen dan ook op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2015 in zaak nr. 15/5470;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 21 juli 2015, kenmerk BOB O;

V. bepaalt dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VI. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Wieland

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016

502.