Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
201600852/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:9462, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2011 definitief vastgesteld op nihil en bepaald dat [appellante] de eerder aan haar toegekende voorschotten ten bedrage van € 2.139,00 dient terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600852/1/A2.

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2015 in zaak nr. 15/5376 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2011 definitief vastgesteld op nihil en bepaald dat [appellante] de eerder aan haar toegekende voorschotten ten bedrage van € 2.139,00 dient terug te betalen.

Bij besluit van 24 juli 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam voor de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

2. [appellante] bewoonde het jaar 2011 met haar twee zoons een huurwoning op het adres [locatie 1] te Rotterdam. Op dit adres stonden nog vijf andere personen ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen; hierna: GBA). De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze personen aangemerkt als medebewoners en hun inkomens betrokken bij de berekening van het toetsingsinkomen van [appellante]. Dat inkomen ligt te hoog om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het besluit van 24 juli 2015 op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de andere in de GBA op het adres ingeschreven bewoners niet tot haar huishouden behoorden.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij geen aanspraak op huurtoeslag over 2011 heeft en de aan haar toegekende voorschotten terecht heeft teruggevorderd. Volgens [appellante] blijkt uit de door haar overgelegde stukken dat de in de GBA vermelde gegevens onjuist zijn. In dit verband wijst zij op de door haar overgelegde verklaringen van haar twee zoons, vier foto’s van het interieur, twee huurovereenkomsten, een splitsingsakte van de woning en een vastgoedrapportage met de titel "Vastgoedrapport: [locatie 1]-01 Rotterdam". Het is voor [appellante] niet meer mogelijk de GBA-gegevens te laten wijzigen, omdat zij inmiddels op een ander adres woont. Evenmin is het voor haar mogelijk officiële en verifieerbare stukken over te leggen waaruit blijkt dat de andere in de GBA op het adres ingeschreven personen daar in 2011 feitelijk niet woonden. Dit dient voor rekening van de Belastingdienst/Toeslagen te komen, omdat de dienst eerst vier jaar na het toeslagjaar de huurtoeslag heeft vastgesteld, aldus [appellante].

3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 27 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7346) mag de Belastingdienst/Toeslagen er in beginsel van uitgaan dat op één GBA-adres één zelfstandige woning is gelegen en degenen die op hetzelfde GBA-adres zijn ingeschreven, met uitzondering van de onderhuurder en degenen die behoren tot diens huishouden, mag aanmerken als medebewoners die behoren tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van de huurtoeslag. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat op één GBA-adres meer zelfstandige woningen zijn gelegen door bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de gehuurde woning beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres worden gedeeld. Voorts dient de huurder aan te tonen dat degene die de Belastingdienst/Toeslagen als medebewoner heeft aangemerkt niet tot zijn huishouden behoort of heeft behoord. Het was aan [appellante] om stukken over te leggen waaruit blijkt dat zij een zelfstandige woonruimte huurde op het adres [locatie 1] te Rotterdam en dat zij deze woonruimte alleen met haar twee zoons bewoonde, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen. Dat op het moment dat de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag over 2011 vaststelde vier jaar waren verstreken en dat [appellante] thans in een lastige bewijspositie verkeert, zoals zij stelt, komt voor haar rekening.

3.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij in 2011 een zelfstandige woonruimte huurde en dat de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag over dat jaar derhalve terecht op nihil heeft vastgesteld en heeft bepaald dat [appellante] de eerder aan haar toegekende voorschotten ten bedrage van € 2.139,00 dient terug te betalen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat onduidelijk is of de door [appellante] overgelegde foto’s betrekking hebben op het adres [locatie 1] te Rotterdam en dat de foto’s bovendien niet laten zien dat de gefotografeerde woning een zelfstandige woonruimte is. Ook uit de overeenkomsten blijkt niet dat [appellante] een zelfstandige woonruimte huurde. In de huurovereenkomsten wordt namelijk slechts gesproken van een woonruimte die door maximaal drie personen wordt gebruikt. Uit de op zitting toegelichte splitsingsakte blijkt evenmin dat de woning die [appellante] huurde een zelfstandige woonruimte is. De akte betreft de splitsing van [locatie 2] in [locatie 1] en [locatie 3], niet de splitsing van [locatie 1] in verschillende appartementen. Aan de verklaringen van de zoons van [appellante] kan niet de waarde worden toegekend die [appellante] daaraan toegekend wenst te zien, omdat haar zoons geen objectieve bron zijn. Ook aan de op zitting getoonde en toegelichte vastgoedrapportage kan niet de waarde worden toegekend die [appellante] daaraan toegekend wenst te zien; daargelaten dat [appellante] desgevraagd niet heeft kunnen vertellen door wie de rapportage is opgemaakt, is de rapportage opgemaakt na het toeslagjaar.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Dijkshoorn

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016

735.

BIJLAGE

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet op de huurtoeslag wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder woning verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt een huurtoeslag slechts toegekend:

a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

b. als op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Ingevolge het tweede lid kan, in afwijking van het eerste lid, een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet aan de huurder kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een huurtoeslag slechts toegekend voor de huur van een woning die een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder medebewoner verstaan de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1°. de partner van de belanghebbende,

2°. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,

3°. degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort.