Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
12-10-2016
Zaaknummer
201508132/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:6199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onttrekken van woonruimte door deze op hotelmatige wijze te exploiteren. Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college [appellant] een boete opgelegd van € 12.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201508132/1/A3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2015 in zaak nr. 14/7576 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college [appellant] een boete opgelegd van € 12.000,00.

Bij besluit van 13 oktober 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2016, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. A Franke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 8 februari 2013 heeft het college een melding ontvangen bij het gemeentelijke Meldpunt Zoeklicht dat onder meer in het pand aan de [locatie 1] een illegaal hotel is gevestigd of illegaal als short stay wordt verhuurd en aan toeristen wordt verhuurd en een wisselend aantal personen in die woning verblijft. Bij het gemeentelijke meldpunt kunnen meldingen worden gedaan van een vermoeden van woonfraude en overlast door particuliere vakantieverhuur. Naar aanleiding van onder meer die melding hebben toezichthouders van de gemeente op 6 juni 2014 een bezoek gebracht aan [locatie 1] te Amsterdam, eigendom van [appellant].

Aan het besluit van 1 juli 2014 heeft het college ten grondslag gelegd dat [locatie 1] een woning is en dat die is onttrokken aan de woonruimtevoorraad zonder dat [appellant] over de daartoe vereiste vergunning beschikte. Dat is een overtreding van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet. Volgens het college werd [locatie 1] als hotel uitgebaat. Dit volgt onder meer uit aanbiedingen voor verhuur van [locatie 1] die het college op internet heeft aangetroffen, uit het aantreffen van toeristen in [locatie 1] ten tijde van het bezoek van 6 juni 2014 en uit het ontbreken van persoonlijke bezittingen van anderen dan de toeristen in [locatie 1], aldus het besluit van 1 juli 2014.

Dat besluit is bij het in beroep bestreden besluit gehandhaafd.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte een boete heeft opgelegd, omdat [locatie 1] geen deel uitmaakte van de woonruimtevoorraad. In de Basisregistratie adressen en gebouwen (hierna: BAG) is vermeld dat [locatie 1] een oppervlakte heeft van 1 m2 en een woonfunctie heeft. [locatie 4] maakt onderdeel uit van hetzelfde pand als [locatie 1], is ook eigendom van [appellant] en heeft volgens de registratie in de BAG een oppervlakte van 117 m2 met de bestemming "overige verblijfsfunctie". De totale oppervlakte van het pand [locatie 3] is 118 m2 en [locatie 1] heeft in werkelijkheid een oppervlakte die groter is dan 1 m2. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de rest van [locatie 1] de bestemming "overige verblijfsfunctie" heeft en dus geen deel uitmaakte van de woonruimtevoorraad, aldus [appellant]. Hij heeft dit deel van het pand dan ook niet aan de woonruimtevoorraad onttrokken.

2.1. De relevante regelgeving is vervat in een bijlage bij deze uitspraak. De Huisvestingswet is op 1 januari 2015 ingetrokken en in plaats daarvan is de Huisvestingswet 2014 in werking getreden. Ten tijde van de door het college gestelde overtreding was de Huisvestingswet evenwel nog van toepassing, zodat dient te worden uitgegaan van die wet. Tevens was ten tijde van de vermeende overtreding de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 (hierna: de Huisvestingsverordening) van kracht, zodat van die verordening dient te worden uitgegaan.

2.2. In de BAG staat [locatie 1] geregistreerd als een gebouw met een woonfunctie. Weliswaar is vermeld dat deze een oppervlakte heeft van 1 m2, maar evident is dat dit onjuist is. Verder is niet in geschil dat [locatie 3]-H een oppervlakte heeft die kleiner is dan 117 m2, zoals in de BAG is vermeld. Uit die twee onjuiste vermeldingen volgt niet dat de overige oppervlakte van [locatie 1] de bestemming "overige verblijfsfunctie" heeft. Van belang is de aanduiding van het gebruiksdoel van een perceel in de BAG en niet de verdeling van de oppervlakten van een pand over de verschillende percelen. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de burgemeester zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat [locatie 1] bestemd is voor bewoning door een huishouden en aldus tot de woonruimtevoorraad behoort. Nu de raad van Amsterdam in artikel 26, derde lid, alle woonruimte heeft aangewezen als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet, diende [appellant] over een vergunning te beschikken om [locatie 1] (hierna: de woning) te onttrekken aan de woonruimtevoorraad. Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de woning is onttrokken aan de woonruimtevoorraad. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de woning niet permanent werd bewoond. De melding die is gedaan bij het gemeentelijke meldpunt zag op een andere woning. Verder heeft het college geen verklaringen van toeristen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de woning niet permanent werd bewoond. Dat zouden zij ook niet kunnen weten. Ook zijn de internetpagina’s waarnaar het college heeft verwezen niet van de woning, maar van een ander pand. Hier staat tegenover dat hij de woning had verhuurd aan twee Spanjaarden, aldus [appellant]. Zij stonden ook in de Basisregistratie personen als bewoners van de woning ingeschreven. Zij hadden de woning onderverhuurd bij hun afwezigheid en hadden voldaan aan de voorwaarden voor vakantieverhuur die het college heeft gesteld. In die voorwaarden is niet vermeld dat persoonlijke spullen dienden te worden achtergelaten in de woning bij vakantieverhuur. Die voorwaarde kon dus ook niet worden gesteld, hetgeen de rechtbank volgens [appellant] heeft miskend. De twee Spanjaarden die de woning van hem hadden gehuurd, hadden hun persoonlijke spullen deels bij vrienden ondergebracht als ook in een kast in de slaapkamer van de woning achtergelaten. Ter toelichting verwijst [appellant] naar een verklaring van de desbetreffende Spanjaarden die hij in hoger beroep heeft overgelegd en naar een foto van de slaapkamer waarin de kast met persoonlijke spullen van hen staat. Die foto is genomen tijdens het bezoek van de gemeentelijke toezichthouders.

3.1. Aan het besluit van 1 juli 2014 en het in beroep bestreden besluit is een rapport van bevindingen op ambtseed/belofte opgemaakt op 11 juni 2014 ten grondslag gelegd. In dat rapport staat dat tijdens het huisbezoek van de toezichthouders op 6 juni 2014 toeristen zijn aangetroffen in de woning. Ook staat in het rapport dat in de woning meubilair is aangetroffen en spullen voor logies als beddengoed en handdoeken en dat tijdens het bezoek in de ochtend ook persoonlijke spullen van de aanwezige toeristen zijn aangetroffen. Die persoonlijke spullen zijn tijdens het bezoek ’s middags niet meer aangetroffen. Andere persoonlijke spullen zijn niet aangetroffen. Daarnaast heeft het college afdrukken van internetpagina’s overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de woning meermalen te huur is aangeboden op onder meer AirBnB en getuige de reacties bij die woning ook meermalen is verhuurd. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college aldus heeft aangetoond dat de woning niet permanent werd bewoond en dus aan de woonruimtevoorraad is onttrokken.

Het college heeft voor vakantieverhuur niet de voorwaarde gesteld dat persoonlijke bezittingen in de verhuurde woning moesten worden achtergelaten. Het ontbreken van persoonlijke spullen is echter een belangrijke aanwijzing dat een woning niet permanent wordt bewoond.

Dat de Spanjaarden aan wie hij de woning had verhuurd al hun persoonlijke bezittingen uit de woning zouden hebben gehaald voordat zij die onderverhuurden, afgezien van wat kledingstukken in een kledingkast, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. De verklaring van de Spanjaarden van 23 oktober 2015 die hij heeft overgelegd, is daartoe onvoldoende. Hij heeft namelijk ter zitting van de rechtbank aanvankelijk verklaard dat zij al hun bezittingen hadden meegenomen, maar heeft vervolgens op die zitting het standpunt ingenomen dat zij kleding hadden achtergelaten in een kledingkast. Voorts heeft [appellant] volgens het verslag van een telefonisch gesprek met hem op 6 juni 2014 verklaard dat hij de woning voor short stay gebruikte. Zijn verklaringen hierover zijn dus tegenstrijdig, zodat de rechtbank daaraan terecht geen waarde heeft gehecht.

Voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de internetpagina’s waarnaar het college heeft verwezen niet van de woning zijn maar van een ander pand, bestaat geen grond. Een aantal van die foto’s komt overeen met de foto’s die bij het rapport van bevindingen zijn gevoegd. Die foto’s zijn gemaakt door de toezichthouders van de gemeente tijdens hun bezoek aan de woning.

Of de melding die bij het gemeentelijke meldpunt is gedaan ziet op de woning of op een ander pand is niet van belang. Die melding vormde voor het college slechts een aanleiding om een onderzoek in te stellen. Met het verslag van bevindingen en hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd en de internetpagina’s waarnaar het college heeft verwezen, heeft het bewezen dat de woning niet permanent werd bewoond en dus aan de woonruimtevoorraad is onttrokken. Het college had daartoe geen vergunning verleend, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat aldus artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet is overtreden.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij heeft er altijd toezicht op gehouden dat de verhuur volgens de regels verliep en de buren geen overlast ondervonden.

4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college met juistheid [appellant] als overtreder heeft aangemerkt. Hij was eigenaar van de woning en uit de internetpagina’s waarnaar het college heeft verwezen blijkt dat hij tevens de verhuurder was van de woning. Ook blijkt uit die pagina’s dat [appellant] contactpersoon was voor verhuur van de woning. Dit heeft hij ook erkend en stemt ook overeen met de verklaringen van de toeristen die zijn vervat in het rapport van bevindingen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

622.

BIJLAGE

Huisvestingswet

Artikel 30

1. Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is;

b. met andere woonruimte samen te voegen;

c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten;

d. te verbouwen tot twee of meer woonruimten.

2. Onder zelfstandige woonruimte als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

3. Woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, wordt tevens aangewezen overeenkomstig het eerste lid, tenzij een zodanige aanwijzing naar het oordeel van de gemeenteraad met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet noodzakelijk is.

Artikel 85a

1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de artikelen 7, eerste en tweede lid, 8, 18, eerste lid, en 30, eerste lid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

2. De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan:

a. € 340 voor overtreding van artikel 7, eerste lid;

b. € 7.500 voor overtreding van de artikelen 8, en 18, eerste lid, en

c. € 18.500 voor overtreding van de artikelen 7, tweede lid, en 30, eerste lid.

3. De gemeenteraad stelt bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

4. In afwijking van het eerste en derde lid treedt het algemeen bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor de toepassing van die leden in de plaats van de gemeenteraad.

Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013

Artikel 26 Werkingsgebied

1. Het bepaalde in paragraaf één tot met drie is van toepassing in de volgende gemeenten:

a. Amstelveen;

b. Amsterdam;

c. Beemster;

d. Edam-Volendam;

e. Haarlemmermeer

f. Landsmeer;

g. Oostzaan;

h. Purmerend;

i. Uithoorn;

j. Waterland;

k. Wormerland;

l. Zeevang.

2. Het bepaalde in paragraaf vier is van toepassing in de gemeente Amsterdam.

3. Als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de wet wordt in de gemeente Amsterdam aangewezen alle woonruimte ongeacht huur- of koopprijs met uitzondering van

a. tweede woning huur en tweede woning koop zoals bedoeld in artikel 1 onder w en x; en

b. door burgemeester en wethouders aangewezen woonruimte voor huisvesting van studenten die staan ingeschreven bij een universiteit, een hogere beroepsopleiding of een middelbare beroepsopleiding gevestigd in het gebied van de Stadsregio Amsterdam, alsmede voor promovendi verbonden aan deze instellingen, waarbij sprake is van omzetting van zelfstandige en onzelfstandige woonruimte; en

c. woonruimte op de adressen genoemd in bijlage 6 ‘Adressen Solids’ bij deze verordening.

4. Als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de wet, wordt in de gemeente Amstelveen aangewezen, woonruimte onder de huur- en koopprijsgrens.

5. Als woonruimte bedoeld in artikel 30 van de wet, wordt in de gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland en Zeevang aangewezen:

a. alle woonruimte ongeacht huur- of koopprijs voor zover het betreft onttrekking aan de bestemming tot bewoning;

b. woonruimte onder de huur- of koopprijsgrens voor zover het betreft met andere woonruimte samenvoegen of van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte omzetten

6. Als woonruimte als bedoeld in artikel 30 van de wet wordt in de gemeente Haarlemmermeer aangewezen:

a. alle woonruimte ongeacht de huur- en koopprijs voor zover het betreft omzetting van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte; en

b. alle woonruimte onder de huur- en koopprijsgrens voor zover het betreft onttrekking aan de bestemming tot bewoning of met andere woonruimte samen te voegen.

Artikel 27 Reikwijdte vergunningsplicht

Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 26, derde tot en met zevende lid zonder vergunning aan bestemming tot bewoning te onttrekken, met andere woonruimte samen te voegen of van zelfstandig in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Artikel 59 Bestuurlijke boete

1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 7 en artikel 30 van de wet.

2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op

a. voor de eerste overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid overeenkomstig kolom A van de in bijlage vijf opgenomen tabel;

b. voor de tweede en volgende overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid binnen drie jaar na de eerste overtreding overeenkomstig kolom B van de in bijlage 5 genoemde tabel.

Bijlage 5 Behorende bij artikel 59

Tabel bestuurlijke boete Kolom A 7. Kolom B

Boetebedrag 1e keer Boetebedrag 2e e.v. keer binnen 3 jaar na de 1e keer

In gebruik nemen van woonruimte zonder vergunning 340*

*wettelijk maximum 340*

*wettelijk maximum

In gebruik geven van woonruimte zonder vergunning bij niet-bedrijfsmatige exploitatie (door huurder of door eigenaar met één woning in de verhuur 3.000 4.500

In gebruik geven van woonruimte zonder vergunning bij bedrijfsmatige exploitatie (eigenaar/verhuurder met meer dan één woning)

6.000 9.000

In gebruik geven van woonruimte zonder vergunning door een huurder tegen een hogere huurprijs dan door hemzelf feitelijk wordt betaald 12.000 18.500*

Onttrekken zonder vergunning 12.000 8. 18.500*