Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201507575/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:5217, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft het CBR geweigerd voor [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B, BE in het rijbewijzenregister te registreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201507575/1/A1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2015 in zaak nr. 15/1197 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft het CBR geweigerd voor [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B, BE in het rijbewijzenregister te registreren.

Bij besluit van 15 januari 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 12 augustus 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Albers, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een verklaring van geschiktheid is [appellant] op 22 maart 2014 door psychiater R.D. Barbier gekeurd en is op 26 maart 2014 bloedonderzoek uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een psychiatrische rapportage van Barbier van 22 juni 2014 (hierna: de psychiatrische rapportage), met als conclusie "alcoholmisbruik niet in remissie". Volgens de psychiatrische rapportage zijn bij het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek geen afwijkingen gevonden, maar bij het bloedonderzoek wel, waaronder een verhoogde Gamma-GT-waarde en een verhoogde CDT-waarde. Op grond van met name de verhoogde CDT-waarde is in de psychiatrische rapportage geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat [appellant] met alcoholmisbruik in ruime zin is gestopt. De psychiatrische rapportage is voor het CBR aanleiding geweest om bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 augustus 2014 de gevraagde registratie in het rijbewijzenregister te weigeren. [appellant] is het niet met die weigering eens, omdat hij, naar hij stelt, wel met misbruik van alcohol is gestopt.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR de psychiatrische rapportage niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit van 1 augustus 2014. Volgens hem is de psychiatrische rapportage innerlijk tegenstrijdig, omdat op grond van de resultaten van het bloedonderzoek is geconcludeerd tot misbruik van alcohol, terwijl het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek voor die conclusie geen aanwijzingen opleverde. Voorts vertoont de psychiatrische rapportage volgens [appellant] naar inhoud en wijze van totstandkoming gebreken, omdat de rapportage berust op haastwerk en Barbier ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het door hem naar de keuring meegebrachte medische dossier. Hierdoor bevat de psychiatrische rapportage volgens [appellant] geen volledig overzicht van zijn medische klachten en is ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van niet aan alcoholgebruik gerelateerde ziekten die van invloed kunnen zijn op het klinisch en biochemisch onderzoek. [appellant] stelt in dit verband dat zijn nieren slecht functioneren en dat het voorgeschreven eiwitarme dieet dat hij daarom volgt van invloed is op zijn bloedwaarden. Nu de psychiatrische rapportage om voormelde redenen niet voldoende concludent kan worden geacht, was het, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet aan hem om aannemelijk te maken dat de verhoogde bloedwaarden zijn veroorzaakt door een andere oorzaak dan misbruik van alcohol, aldus [appellant].

2.1. Vast staat dat in de psychiatrische rapportage de diagnose alcoholmisbruik is gesteld. Zoals de rechtbank terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:652, heeft overwogen, betekent dit dat slechts aanleiding bestaat om de weigering van het CBR om een verklaring van geschiktheid te registreren niet in stand te laten, indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat deze omstandigheden zich hier voordoen. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

Dat in de psychiatrische rapportage op grond van de resultaten van het bloedonderzoek is geconcludeerd dat sprake is van alcoholmisbruik, terwijl uit het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek geen aanwijzingen voor alcoholmisbruik naar voren waren gekomen, maakt de psychiatrische rapportage, anders dan [appellant] meent, niet innerlijk tegenstrijdig. Het bloedonderzoek is immers complementair aan het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek. Verder blijkt uit de psychiatrische rapportage dat [appellant] door Barbier is bevraagd over zijn medische situatie, waarbij onder meer naar voren is gekomen dat hij last heeft van jicht en allopurinol en paracetamol gebruikt. Er is geen reden om te oordelen dat het door Barbier uitgevoerde onderzoek in zoverre onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De enkele stelling dat de psychiatrische rapportage berust op haastwerk en dat [appellant] een medisch dossier naar de keuring heeft meegenomen waar Barbier geen aandacht aan zou hebben besteed, wat daarvan ook zij, is daarvoor niet voldoende. Dit betekent dat hetgeen [appellant] in zoverre heeft aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

Nu hij niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren, was het volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3108) aan [appellant] om in dat verband aannemelijk te maken dat, zoals hij stelt, de in de psychiatrische rapportage vermelde verhoogde bloedwaarden zijn veroorzaakt door een andere oorzaak dan misbruik van alcohol. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] daarin niet is geslaagd met de door hem in beroep overgelegde verklaringen van reumatoloog W.F. van der Weele van 26 februari 2014 en internist-nefroloog M.C. Weijmer van 26 september 2014. Daarin is slechts vermeld welke medische klachten [appellant] heeft en welk dieet en welke medicatie daarvoor zijn voorgeschreven, maar is geen oordeel gegeven met betrekking tot de vraag of zijn bloedwaarden daardoor kunnen zijn beïnvloed. Voor zover [appellant] ter zitting heeft gesteld dat hij over onvoldoende financiële middelen beschikt om een medische rapportage te laten opstellen die wel een zodanig oordeel bevat, overweegt de Afdeling dat dit voor zijn risico komt.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

462-757.