Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201503533/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:5132, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[werknemer] e.a. hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek handhavend op te treden tegen [bedrijf A] en [bedrijf B] wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: de Wmm) en de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/305
BA 2016/245
AB 2017/22
Gst. 2017/58

Uitspraak

201503533/1/V6.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 maart 2015 in zaak nr. 14/9288 in het geding tussen:

[werknemer] e.a., wonend te [woonplaats],

en

de minister.

Procesverloop

[werknemer] e.a. hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek handhavend op te treden tegen [bedrijf A] en [bedrijf B] wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: de Wmm) en de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij uitspraak van 19 maart 2015 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het verzoek om handhaving neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[werknemer] e.a. hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.M. Weeber, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [werknemer] e.a., vertegenwoordigd door mr. K. Boele, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heropend teneinde [bedrijf A] in de gelegenheid te stellen als partij deel te nemen aan de zaak.

[bedrijf A] heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 17 mei 2016, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. Weeber, voornoemd, [werknemer] e.a., vertegenwoordigd door mr. Boele, voornoemd, en [bedrijf A], vertegenwoordigd door R.J.P. Vergouwen, bijgestaan door mr. J.H. Even, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. werknemer] e.a. zijn zeevarenden in dienst van [bedrijf C], een onderneming die evenals [bedrijf A] een zeesleepdienst exploiteert in het havengebied van Amsterdam en IJmuiden. [werknemer] e.a. hebben aan het handhavingsverzoek ten grondslag gelegd dat [bedrijf A] zich schuldig maakt aan oneerlijke concurrentie door illegale tewerkstelling en onderbetaling van haar buitenlandse werknemers en zij daardoor, als werknemers van [bedrijf C], het risico lopen hun werk te verliezen. Volgens [werknemer] e.a. geniet [bedrijf A] onrechtmatig voordeel door in strijd met de wet- en regelgeving, zeevarenden die niet de nationaliteit hebben van een van de lidstaten van de Europese Unie, arbeid te laten verrichten aan boord van haar zeesleepboten. De tewerkstelling vindt volgens [werknemer] e.a. mogelijk plaats via de payrollonderneming [bedrijf B]. [werknemer] e.a. hebben de minister verzocht de Wmm en de Wav te handhaven en [bedrijf A] en [bedrijf B] te beboeten wegens overtreding van deze wetten.

2. De minister betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verzoek van [werknemer] e.a. geen verzoek om handhaving is en daarmee geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop hoefde hij geen besluit, in de zin van de Awb, op dat verzoek te nemen, zodat de daarvoor geldende termijn niet is gaan lopen en geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit, aldus de minister.

2.1. [werknemer] e.a. hebben de minister verzocht bestuurlijke boetes op te leggen aan [bedrijf A] en [bedrijf B] omdat die ondernemingen volgens hen de Wmm en de Wav overtreden. Anders dan de minister stelt, moet dit verzoek worden gekwalificeerd als een verzoek om handhaving. Handhaving van de Wmm en de Wav geschiedt onder meer door middel van oplegging van bestuurlijke boetes.

Het betoog faalt.

3. De minister betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [werknemer] e.a. belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb zijn bij een boetebesluit gericht aan [bedrijf A] of [bedrijf B]. [werknemer] e.a. zijn geen belanghebbenden omdat een besluit tot boeteoplegging aan [bedrijf A] en [bedrijf B] hen niet rechtstreeks in hun eigen belang raakt. Indien [werknemer] e.a. oneerlijke concurrentie door [bedrijf A] wensen te bestrijden, dienen zij zich tot de civiele rechter te wenden. Zolang geen overtreding is vastgesteld, kan geen bestuurlijke boete worden opgelegd, aldus de minister.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3669, volgt dat de wetgever de in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb vermelde eis van het zijn van belanghebbende heeft gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid dan ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende moet worden beschouwd en een rechtsmiddel kan aanwenden. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon of een rechtspersoon een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben, dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt.

3.3. Indien [bedrijf A] en [bedrijf B] de Wmm en de Wav overtreden, zoals [werknemer] e.a. in hun handhavingsverzoek hebben aangevoerd, is er een reële mogelijkheid dat [werknemer] e.a. daardoor worden geschaad in een aan het fundamentele recht op arbeid ontleend belang. Overtreding van deze wetten door [bedrijf A] en [bedrijf B] kan leiden tot verslechtering van de concurrentiepositie van [bedrijf C] en benadeling van de arbeidsrechtelijke positie en werkgelegenheid van [werknemer] e.a. binnen dat bedrijf. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen hebben [werknemer] e.a. hun stelling, dat de concurrentiepositie van [bedrijf C] mede wordt bepaald door de lagere arbeidskosten die [bedrijf A] maakt, met bewijsstukken gestaafd.

Aangezien, zoals onder 2.1 is overwogen, de minister overtreding van de Wmm en de Wav kan bestrijden met het opleggen van een bestuurlijke boete, is het aan het fundamentele recht op arbeid ontleend belang van [werknemer] e.a. rechtstreeks betrokken bij een besluit tot boeteoplegging aan [bedrijf A] of [bedrijf B], dat de minister kan nemen indien hij naar aanleiding van het handhavingsverzoek constateert dat [bedrijf A] en [bedrijf B] de Wmm en de Wav hebben overtreden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [werknemer] e.a. belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat de minister ten onrechte geen besluit op het handhavingsverzoek heeft genomen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de minister te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6. De minister moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat tegen het door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

III. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [werknemer] e.a. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. bepaalt dat van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

501.