Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201601221/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Oudehaske-Haskerpoort" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/979

Uitspraak

201601221/1/R4.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te Oudehaske, gemeente De Fryske Marren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente De Fryske Marren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Oudehaske-Haskerpoort" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B] en [appellant C] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2016, waar [appellant A], [appellant C] en [appellant B], allen bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door G.C.J. Zaal en W. Tadema, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door [directeur], en [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische regeling om de realisatie van een crematorium op een agrarisch perceel mogelijk te maken.

3. Het plangebied is gelegen ten westen van het Businesspark Friesland-West, ten zuiden van de A7, ten noorden van het bebouwingslint van Oudehaske en ten oosten van de kern Oudehaske.

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] wonen aan de Jousterweg, die ten zuiden van het plangebied ligt. Zij vrezen de gevolgen van het plan voor hun woon- en leefklimaat.

Ontvankelijkheid

4. [appellant A] woont op een afstand van ongeveer 600 meter van het plangebied. Hoewel niet is uitgesloten dat zij vanaf haar perceel enig zicht zal hebben op het plangebied, betekent dit niet dat haar belang reeds hierom rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. De ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling moet gelet op de aard en omvang daarvan beperkt worden geacht. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de afstand in dit geval te groot is om een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang te kunnen aannemen. In hetgeen zij overigens heeft aangevoerd zijn geen feiten en omstandigheden gelegen in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van haar rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellant A].

Inspraak

5. [appellant B] en [appellant C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant B]) betogen dat de omwonenden onvoldoende bij de planvorming zijn betrokken. [appellant B] stelt dat pas in de periode dat het voorontwerpplan ter inzage lag een inloopbijeenkomst over het plan is gehouden. [appellant B] voert aan dat [partij] haar plannen weliswaar met Dorpsbelang Oudehaske heeft besproken, maar dat [partij] heeft aangegeven dat deze bespreking vertrouwelijk was en dat [partij] zelf contact zou opnemen met de omwonenden. Volgens [appellant B] is dit niet gebeurd. [partij] en de wethouder zijn niet ingegaan op uitnodigingen van omwonenden om te overleggen, aldus [appellant B].

5.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) neergelegde bestemmingsplanprocedure. Het niet, onvoldoende of op onjuiste wijze bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Uit de stukken blijkt dat de raad toepassing heeft gegeven aan de in de Wro en het Bro neergelegde procedure. In hetgeen [appellant B] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet op de juiste wijze is geschied.

Het betoog faalt.

Verordening Romte Fryslân 2014

6. [appellant B] betoogt dat het plan in strijd met artikel 1.1.1 van de Verordening Romte Fryslân 2014 niet aansluit op bestaand stedelijk gebied. Daartoe wijst hij erop dat er een groenstrook is gelegen tussen het plangebied en de Nije Fjildwei.

6.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, van de Verordening Romte Fryslân 2014 mogen in een ruimtelijk plan voor landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een uitbreidingslocatie aansluitend op bestaand stedelijk gebied worden toegestaan.

Uitbreidingslocatie is in de begripsbepalingen van de Verordening Romte Fryslân 2014 gedefinieerd als een locatie voor de uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied van een kern ten behoeve van nieuwe stedelijke functies.

6.2. Niet in geschil is dat het plan voorziet in een locatie voor de uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied ten behoeve van een nieuwe stedelijke functie. De Afdeling stelt vast dat het plangebied door middel van de zogenoemde entree, een weg met grasbermen, met het bestaand stedelijk gebied is verbonden. Tussen het overige deel van het plangebied en het bestaand stedelijk gebied ligt een strook van 60 meter breed. De raad beoogt aansluitend, maar met gebruik van deze strook de oprichting van het crematorium op enige afstand van het bedrijventerrein in een rustige omgeving mogelijk te maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op het vorenstaande terecht op het standpunt gesteld dat de gekozen locatie van het crematorium als aansluitend op bestaand stedelijk gebied is te beschouwen.

Het betoog faalt.

Artikel 3.1.6 Bro

7. [appellant B] voert aan dat het plan in strijd met artikel 3.1.6 van het Bro is vastgesteld. Uit het onderzoek dat als bijlage 3 bij het bestemmingsplan is gevoegd blijkt volgens hem niet dat een actuele regionale behoefte aan het crematorium bestaat. Daartoe voert hij aan dat dit onderzoek slechts ingaat op de vraag of het crematorium zich kan onderscheiden van andere crematoria en of de exploitatie rendabel is. Voorts stelt hij dat in dit onderzoek geen onderzoeksgebied is vastgesteld. Daarnaast blijkt volgens hem uit het onderzoek niet dat zonder deze ontwikkeling ondercapaciteit zal ontstaan. Het onderzoek toont ten slotte niet aan dat kwaliteitsverbetering noodzakelijk is, aldus [appellant B].

7.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef, van het Bro wordt in dit besluit en de hierop rustende bepalingen verstaan onder:

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

7.2. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

7.3. De raad stelt zich op het standpunt dat er behoefte is aan een tweede crematorium in de regio. De raad stelt dat het huidige aanbod is verouderd en niet voldoet aan de wensen van de moderne consument. Voorts bestaat steeds meer vraag naar plechtigheden waar meer tijd is om in alle rust afscheid te nemen en waarbij de klant meer inspraak heeft in de tijden waarop een dienst zou moeten plaatsvinden. Gelet op de stijging van het aantal crematies in Heerenveen dient rekening gehouden te worden met een ondercapaciteit van de huidige faciliteiten. De raad verwijst hierbij naar een onderzoek naar nut en noodzaak door de initiatiefnemer, dat als bijlage 3 bij de toelichting van bestemmingsplan "Oudehaske-Haskerpoort" is opgenomen.

In het als bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan "Oudehaske-Haskerpoort" opgenomen onderzoek "Crematorium ‘Haskerpoort’ Rust en ruimte" gaat de initiatiefnemer in op de vraag of het crematorium een aanvulling is op het huidige aanbod. Dit is volgens de initiatiefnemer het geval omdat de klantwaardering van het bestaande crematorium achter blijft bij de waardering van de overige dienstverlening. Ook uit concurrentieoverwegingen bestaat behoefte aan een nieuw crematorium, nu de bestaande crematoria in de omgeving in handen zijn van grote landelijke uitvaartondernemingen. Bovendien heeft de klant behoefte aan meer tijd voor de plechtigheid, hetgeen vraagt om een grotere capaciteit. Ook door de prijsstijging van het bestaande crematorium bestaat behoefte aan het nieuwe crematorium. Voorts gaat de initiatiefnemer in op de vraag of de exploitatie van het crematorium rendabel is en gaat nader in op de visie op cremeren, in rust en ruimte.

7.4. De raad heeft in de toelichting bij het bestemmingplan niet afdoende beschreven dat het op te richten crematorium voorziet in een actuele regionale behoefte. In de toelichting staat dat verwacht mag worden dat de ontwikkeling voorzier in een regionale behoefte omdat de (ruimte)vraag naar een kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod toeneemt en vanuit de markt een toenemend aantal crematies wordt verwacht. De raad is dus vooral ingegaan op de kwaliteit van het aanbod. De raad heeft daarbij evenwel niet gemotiveerd waarom het huidige aanbod verouderd is en dat behoefte bestaat aan plechtigheden waarvoor meer tijd wordt uitgetrokken en waarbij meer keuzevrijheid bestaat in de tijdstippen waarop de dienst mogelijk is. Ook heeft de raad niet door middel van gegevens onderbouwd dat deze kwalitatieve behoefte bestaat. Weliswaar stelt de raad dat rekening moet worden gehouden met een ondercapaciteit, maar dit standpunt is evenmin door de raad met gegevens onderbouwd. In de toelichting heeft de raad voorts wel verwezen naar het onderzoek door de initiatiefnemer dat als bijlage 3 bij de plantoelichting is opgenomen, maar dit onderzoek betreft vooral de keuzevrijheid voor de consument en de rentabiliteit van de onderneming.

Het betoog slaagt.

8. [appellant B] betoogt voorts dat de ontwikkeling van een crematorium mogelijk is in bestaand stedelijk gebied. Daartoe stelt hij dat diverse deels braakliggende hoogwaardige industrieterreinen met een goede ontsluiting aanwezig zijn. Hij wijst op industrieterrein De Kavels bij Heerenveen en industrieterrein de Ekers bij Joure. Ter zitting heeft hij nog gewezen op bedrijvenpark Woudfennen, op bedrijventerrein Lemsterpark en op bedrijventerrein Haskerveen.

8.1. Volgens de raad is binnen het bestaand stedelijk gebied geen kavel van ongeveer 2,6 ha beschikbaar. Op De Ekers is volgens de raad de grootste beschikbare kavel 9.500 m2. Op het International Business Park Friesland zijn volgens de raad weliswaar enkele percelen van ongeveer 2,5 ha beschikbaar, maar deze percelen zijn voor een crematorium geen passende locatie. De raad vermeldt ter onderbouwing hiervan dat dit bedrijventerrein wordt gebruikt voor zware industrie. Ook op Woudfennen is volgens de raad geen passende aaneengesloten kavel van 2,6 ha beschikbaar. De raad stelt ter onderbouwing daarvan dat de grootste beschikbare kavel 2 ha is. Deze locatie is echter volgens de raad niet geschikt wat locatie en vormgeving betreft. De raad wijst er voorts op dat op dit bedrijventerrein percelen van 2,6 ha op grond van het bestemmingsplan en het provinciaal beleid niet aan één bedrijf mogen worden uitgegeven. Lemsterpark is volgens de raad eigendom van de Windgroep. De raad stelt dat er nog 6,2 ha uitgeefbare grond is. Het middengebied daar heeft volgens de raad een oppervlakte van 3,3 ha, doch mag op grond van het bestemmingsplan niet door één bedrijf worden ingevuld. Voorts zijn volgens de raad op grond van het bestemmingsplan en het provinciaal beleid bedrijven groter dan 3.000 m2 daar niet toegestaan. Ten aanzien van Haskerveen heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat er weliswaar twee aaneengesloten percelen zijn met een oppervlakte groter dan 2,5 ha, maar dat op een van deze percelen een optie rust. Bovendien is het bedrijventerrein volgens de raad niet passend voor de realisatie van een crematorium, omdat er zware bedrijvigheid is gevestigd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant B] heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van deze gegevens te twijfelen. In hetgeen [appellant B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het stedelijk gebied geen geschikte locaties aanwezig zijn.

Het betoog faalt.

Locatie

9. [appellant B] voert aan dat de locatie niet geschikt is voor de bouw van een crematorium. Hij wijst erop dat de locatie ten zuiden van de drukste snelweg van Friesland ligt en ten westen van bedrijfsgebouwen. Bovendien ligt de locatie volgens hem te dicht bij woningen. De visie van initiatiefnemers op cremeren, rust en ruimte, komt met de keuze van de locatie derhalve niet tot uiting, aldus [appellant B].

9.1. De raad heeft de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG handreiking) toegepast. De raad stelt dat de omgeving van het plangebied door de aanwezigheid van het bedrijventerrein en de snelweg kan worden aangemerkt als een 'gemengd gebied', waar naast de woonfunctie ook diverse andere functies mogelijk zijn. [appellant B] heeft dit niet bestreden. Een crematorium valt onder milieucategorie 3.2. Ingevolge de VNG-Handreiking bedraagt de richtafstand voor activiteiten van milieucategorie 3.2 in gemengd gebied 50 meter ten opzichte van woonhuizen. De dichtstbijzijnde woning aan de Jousterweg 285 bevindt zich op een afstand van circa 140 meter vanaf het bestemmingsvlak, zodat aan de richtafstand tussen het plangebied en de woningen wordt voldaan. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ten aanzien van de ligging van de locatie nabij een snelweg en bedrijfsgebouwen overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de inrichting enerzijds goed bereikbaar moet zijn voor rouwstoeten en belangstellenden, maar dat omwonenden anderzijds daarvan zo weinig mogelijk hinder moeten ondervinden. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat door de ligging nabij de uitvalswegen naar de A7 de bereikbaarheid wordt gegarandeerd. Ook heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat door de situering van de locatie op enige afstand van de bedrijvigheid en door de afscheiding de ingetogen sfeer ontstaat die van belang is bij een crematorium. In hetgeen [appellant B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de locatie geschikt is voor de bouw van een crematorium.

Het betoog faalt.

Verkeer

10. [appellant B] voert aan dat niet is berekend hoeveel verkeer gebruik zal maken van de Jousterweg.

10.1. De Afdeling overweegt dat dat als bijlage 2 bij de plantoelichting is opgenomen de memo van Rho adviseurs voor leefruimte van 17 november 2015, ‘Mobiliteitstoets Crematorium Oudehaske’. Volgens deze memo zal maximaal 20% van het verkeer naar het crematorium gebruik maken van de Jousterweg. Dit leidt volgens de memo in 2026 tot een toename van 0,7% ten opzichte van de autonome ontwikkeling. De verkeersintensiteit op de Jousterweg blijft daarmee volgens de memo onder de wegcapaciteit. In hetgeen [appellant B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid van deze memo te twijfelen. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat zich onaanvaardbare verkeersoverlast zal voordoen.

Het betoog faalt.

Landschappelijke inpassing

11. [appellant B] voert aan dat het crematorium landschappelijk niet goed is ingepast. Het crematorium zal een grote invloed hebben op het open veenweide-landschap.

11.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.4, van de planregels wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, in ieder geval gerekend:

c. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 van de toelichting opgenomen erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;

d. het verwijderen, vernielen en/of aantasten van afschermende beplanting anders dan ten behoeve van het normale onderhoud in afwijking van het erfinrichtingsplan, zoals opgenomen in bijlage 1 van de toelichting.

11.2. In de als bijlage 1 van de toelichting van het plan opgenomen ‘Ruimtelijke onderbouwing Crematorium Haskerpoort. Onderdeel I: landschappelijke inpassing.’ is vermeld dat het oostelijk deel van het voorterrein wordt omsloten door een boswal en een wintergroene haag, waardoor het aanzicht op het Businesspark-West wordt verzacht. Ten aanzien van de zuidzijde vermeldt de ruimtelijke onderbouwing dat aan deze zijde een taxushaag wordt gerealiseerd om hinder van koplampen te voorkomen. Doordat in de haag krentenboompjes opgenomen worden, wordt het complex nog meer aan het oog onttrokken. Ten aanzien van de inpassing in het landschap vermeldt de ruimtelijke onderbouwing dat het westelijk deel van het voorterrein volledig groen is en via sloten, waterpartijen en rietbermen overloopt in het weidelandschap. Een groot aantal solitaire bomen draagt zorg voor landschappelijke groenmassa. Het terrein en het gebouw vormen een eenheid in vormgeving doordat het groene maaiveld overgaat in het gras-sedumdak. Voorts vermeldt de ruimtelijke onderbouwing dat achter het crematorium een vijverpartij wordt aangelegd, die aansluit op de grotere waterpartijen buiten het plangebied. In hetgeen [appellant B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich, gelet op hetgeen in bijlage 1 van de plantoelichting is vermeld, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijzigingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt niet leiden tot een zodanige inbreuk op weidelandschap in de omgeving van het crematorium dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Door artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder c en d, van de planregels is voldoende geborgd dat het crematorium landschappelijk wordt ingepast in overeenstemming met de in bijlage 1 van de plantoelichting opgenomen ruimtelijke onderbouwing.

Het betoog faalt.

Conclusie

12. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellant A]. Het beroep voor zover dit is ingesteld door [appellant B] is gegrond, voor zover het besluit is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het besluit van 15 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oudehaske-Haskerpoort" komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met dit artikellid.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb en overweegt daartoe als volgt. De raad heeft als nader stuk ingediend de memo ‘Nadere motivering nut en noodzaak’ van 19 mei 2016 van Rho adviseurs voor leefruimte. In deze memo is als relevant verzorgingsgebied Friesland aangenomen. [appellant B] heeft de keuze voor dit verzorgingsgebied niet bestreden. Voorts is in deze memo ingegaan op de sterfteprognose en op de ontwikkeling van het percentage crematies. In deze memo is aannemelijk gemaakt dat de huidige capaciteit binnen de planperiode ontoereikend zal zijn en is met nadere gegevens onderbouwd en beschreven dat het crematorium voorziet in een kwalitatieve aanvulling op de bestaande voorzieningen, in verband met de behoefte die bestaat om voor de plechtigheden meer tijd uit te trekken. In hetgeen [appellant B] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gelet hierop niet alsnog afdoende heeft beschreven dat het op te richten crematorium voorziet in een actuele regionale behoefte. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

13. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellant A];

II. verklaart het beroep voor zover het is ingesteld door [appellant B] en [appellant C] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente De Fryske Marren van 15 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oudehaske-Haskerpoort";

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. veroordeelt de raad van de gemeente De Fryske Marren tot vergoeding van bij [appellant B] en [appellant C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 55,90 (zegge: vijfenvijftig euro en negentig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad der gemeente De Fryske Marren aan [appellant B] en [appellant C] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

433.