Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201600112/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7547, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de voormalige bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] te Giessen (hierna: de woning) als plattelandswoning.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/974
JM 2016/146 met annotatie van H.S. de Vries

Uitspraak

201600112/1/A1.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Giessen, gemeente Woudrichem, en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2015 in zaak nr. 15/4867 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de voormalige bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] te Giessen (hierna: de woning) als plattelandswoning.

Bij uitspraak van 16 november 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] en anderen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2016, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. B. Smit, en het college, vertegenwoordigd door drs. W.M.G. Vermeulen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] en anderen exploiteren op het perceel [locatie 2] te Giessen een glastuinbouwbedrijf. De woningen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] behoren op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Woudrichem", welk plan op 21 juni 2011 is vastgesteld door de raad, als bedrijfswoningen bij dit bedrijf. [appellant], [partij A] en [partij B] wonen in de bedrijfswoning op het perceel [locatie 2]. Zij wensen dat [partij B] op zichzelf kan gaan wonen in de woning op het perceel [locatie 1]. Het perceel [locatie 1] behoort in eigendom toe aan [partij C], die niet werkzaam is in het glastuinbouwbedrijf van [appellant] en anderen. De woning op het perceel [locatie 1] wordt gehuurd door [vergunninghouder], die eveneens niet betrokken is bij de bedrijfsvoering van het glastuinbouwbedrijf.

Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Woudrichem" is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch - 2" toegekend. Tegen dit bestemmingsplan had [partij C] beroep ingesteld, omdat hij van mening was dat aan het perceel [locatie 1] ten onrechte geen woonbestemming was toegekend. Bij uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2012:BY6769, is het beroep van [partij C] ongegrond verklaard. Ter zitting is gebleken dat de woning vanaf 1994 tot 2011 heeft leeggestaan. Vanaf 2011 wordt de woning door [vergunninghouder] in strijd met de bestemming "Agrarisch - 2" gebruikt voor burgerbewoning. Teneinde dat gebruik te legaliseren heeft [vergunninghouder] op 27 juni 2014 een omgevingsvergunning aangevraagd ten behoeve van het gebruik van de woning als plattelandswoning. In het besluit van 1 juni 2015 heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omgevingsvergunning verleend voor het mede bewonen van de voormalige bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] door iemand die geen functionele binding heeft met het op het perceel [locatie 2] gelegen bedrijf, waar de voormalige bedrijfswoning onderdeel van uitmaakte en in planologisch opzicht onderdeel van blijft uitmaken, als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo.

Beoordeling van het hoger beroep

2. [appellant] en anderen betogen de rechtbank heeft miskend dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is voor hun bedrijfsvoering. Het gebruik van de woning als bedrijfswoning betreft derhalve het meest doelmatige gebruik en dient behouden te worden. Hierbij wijzen zij op het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 17 maart 2015 (hierna: het advies van AAB). Volgens [appellant] en anderen heeft de rechtbank verder miskend dat er geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden, nu het omzetten van de bedrijfswoning naar een plattelandswoning een waardevermeerdering van de woning tot gevolg heeft, waardoor die woning voor hen moeilijker aan te kopen zal zijn, en omdat die omzetting geen ruimtelijk belang dient.

2.1. Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als een onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

2.1.1. Zoals volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen)(Kamerstukken II 2011/2012, 33 078, nr. 3) is met de figuur van de plattelandswoning beoogd om niet het feitelijk gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning, maar de planologische status bepalend te laten zijn voor de bescherming tegen milieuhinder. Indien een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieuemissie van deze inrichting.

2.2. Blijkens de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan "Buitengebied Woudrichem" is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch - 2" met de aanduidingen "bouwvlak" en "maximaal aantal wooneenheden 1" toegekend. De bouwvlakken op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] zijn door de aanduiding "relatie" met elkaar verbonden.

Ingevolge artikel 1, lid 1.19, van de planregels dient onder het begrip ‘bedrijfswoning/dienstwoning’ te worden verstaan een woning, in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk moet worden geacht.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder b, zijn gronden met de bestemming "Agrarisch - 2" bestemd voor agrarisch gebruik.

Ingevolge lid 4.1.2, onder a, sub 1, zijn, indien blijkens de aanduiding "relatie" sprake is van een koppeling van twee aanduidingen "bouwvlak", de bepalingen met betrekking tot een enkel bouwvlak overeenkomstig hierop van toepassing.

Ingevolge lid 4.2.2 mogen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" uitsluitend worden opgericht:

a. agrarische bedrijfsgebouwen;

c. voor bedrijfswoningen geldt het volgende:

3. ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" is het aangegeven maximale aantal wooneenheden het toegestane maximale aantal bedrijfswoningen.

2.3. In het advies van AAB staat dat het gebruik van de woning als bedrijfswoning, overeenkomstig de begripsbepaling van ‘bedrijfswoning’ uit het bestemmingsplan "Buitengebied Woudrichem", noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 2].

2.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet betekent dat de woning niet meer als bedrijfswoning zou kunnen worden gebruikt. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aan de woning toegekende bestemming "Agrarisch - 2", binnen welke bestemming een bedrijfswoning is toegestaan, met het verlenen van de omgevingsvergunning niet is komen te vervallen, zodat de woning in planologische zin een bedrijfswoning blijft. Dit betekent dat, indien [appellant] en anderen in de toekomst over de eigendom van de woning zouden beschikken, zij deze woning op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Woudrichem" als tweede bedrijfswoning behorend bij hun bedrijf op het perceel [locatie 2] kunnen gebruiken. Gelet hierop wordt met de omgevingsvergunning naar het oordeel van de Afdeling geen afbreuk gedaan aan het advies van AAB.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat, hoewel het verlenen van de omgevingsvergunning wellicht een prijsopdrijvend effect heeft waardoor het voor [appellant] en anderen moeilijker wordt om de woning te verwerven, dit niet betekent dat met de omgevingsvergunning geen ruimtelijk belang wordt gediend. Hierbij is van belang dat het college heeft toegelicht dat de woning ongeveer 17 jaar heeft leeggestaan en door het nalaten van onderhoud in deplorabele toestand was geraakt. Met het verlenen van de omgevingsvergunning heeft het college verdere leegstand en verpaupering willen voorkomen, zodat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verbeterd. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

Conclusie

3. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Driessen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

634.