Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2016:2639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
201601364/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:173, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2014 heeft het college geweigerd [wederpartij] krachtens artikel 2.23 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) in te schrijven op het briefadres [locatie] te Almere.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module BRP 2017/1201

Uitspraak

201601364/1/A3.

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Almere,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2016 in zaak nr. 15/2180 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Lelystad

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2014 heeft het college geweigerd [wederpartij] krachtens artikel 2.23 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) in te schrijven op het briefadres [locatie] te Almere.

Bij besluit van 13 mei 2015 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaar ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, de door het college verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1260,00, het beroep tegen het besluit van 13 mei 2015 ongegrond verklaard, het college opgedragen het door [wederpartij] betaalde griffierecht aan hem te vergoeden en het college veroordeeld in de proceskosten van [wederpartij]. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2016, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. van Dodewaard, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door R.V. Tjon, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college een dwangsom heeft verbeurd wegens niet tijdig beslissen op het door [wederpartij] ingediende bezwaar. Ook is in geding of de rechtbank in verband daarmee terecht een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken en het college heeft opgedragen het door [wederpartij] betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college heeft nagelaten [wederpartij] zo spoedig mogelijk te informeren dat een adviescommissie over het bezwaar zou adviseren.

Relevante wet- en regelgeving

2. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 2 van de Verordening Bezwaarschriftencommissie van de gemeente Almere (hierna: verordening) is er een vaste commissie van advies ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.

Ingevolge het tweede lid is de commissie niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die betrekking hebben op:

a. gemeentelijke belastingen, heffingen en leges;

b. sociale zaken;

c. personeelszaken.

Oordeel Afdeling

3.1. Niet in geschil is dat de adviescommissie het college op 11 mei 2015 over het bezwaar van [wederpartij] heeft geadviseerd.

3.2. Ingevolge artikel 7:13, tweede lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan, indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.

3.3. In het besluit van 17 november 2014 staat: "Bezwaar. Ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht, kunt u tegen dit besluit binnen zes weken na de dag van verzending een bezwaarschrift indienen. U kunt uw bezwaar richten aan: burgemeester en wethouders, de bezwarencommissie, postbus 200, 1300 AE Almere. Hoogachtend, het college van burgemeester en wethouders, namens hen, [naam], Medewerker Handhaving Burgerzaken, Gemeente Almere".

De Afdeling is van oordeel dat door middel van de bezwaarclausule tijdig aan [wederpartij] is medegedeeld dat de adviescommissie over een ingediend bezwaar zou adviseren.

De beslistermijn verstreek daarom in dit geval, ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, na afloop van een termijn van twaalf weken vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift was verstreken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Conclusie

4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient daarom te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het college een dwangsom heeft verbeurd en de hoogte daarvan heeft bepaald op € 1260,00, voor zover de rechtbank het college heeft opgedragen het door [wederpartij] betaalde griffierecht aan hem te vergoeden en voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld in de proceskosten van [wederpartij].

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2016 in zaak nr. 15/2180, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het college een dwangsom heeft verbeurd en de hoogte daarvan heeft bepaald op € 1260,00, voor zover de rechtbank het college heeft opgedragen het door [wederpartij] betaalde griffierecht ter hoogte van € 45,00 aan hem te vergoeden en voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld in de proceskosten van [wederpartij] tot een bedrag van € 245,00.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Van den Broek w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016

280.